HAFTAROT

Vele moderne en oude bijbelcommentatoren hebben hun commentaren op de Tora geschreven, vaak aan de hand van het hoofdstuk, dat die week in de synagoge wordt gelezen, de 'parasja van de week'; iedere week worden er weer nieuwe commentaren gepubliceerd. In de Tora heten die weekhoofdstukken 'parasha' of 'sidra'; ze staan in de kolom hiernaast genoemd.
Op deze plek wijd ik mijn commentaar aan
de haftarot (enkelvoud 'haftara') die in de sjoeldienst volgen op de wekelijkse Toravoorlezing. De haftara is doorgaans korter dan de voorlezing uit de Tora en omvat hooguit 2 hoofdstukken, die meestal ontleend zijn aan de Nevi'iem, de Profeten (van Jozua tot Malachi), het tweede deel van Tanach, 'de Joodse bijbel', plm het oude testament.


Haftara bij de parasja Haäzinoe

Hosea 14:2-10, Micha 7:18-20

Wanneer de sjabbat van de parasja Haäzinoe – de gedragen zwanenzang van de oude leidsman Mosjee vlak voor zijn dood (1)- valt op een gewone sjabbat, dan is de haftara het lied dat de oude koning David op zijn sterfbed componeerde als dank voor de door hem ervaren bescherming door de Eeuwige, ‘mijn Rota, mijn Vesting, mijn Bevrijder' (lees verder in II Samuel 22:1 -51). Maar in dit net begonnen nieuwe jaar 5781 valt de sjabbat tussen Rosj Hasjana en Jom Kipoer; dan is het een speciale sjabbat, die ‘sjabbat sjoeva' wordt genoemd naar de eerste woorden van de speciale haftara uit de profeet Hosea (Hosjea) die alsdan wordt gelezen (NBV):

14:2 Keer terug, Israël, naar de Eeuwige, je God!
Door je eigen wandaden ben je ten val gekomen.
Kom met woorden van berouw en keer terug naar de Eeuwige.
Zeg tegen hem: ‘Vergeef ons al onze misdaden. Neem wat goed is van ons aan. Als offer brengen wij u oprechte woorden
(letterlijk: als - of: in plaats van - offerstieren bieden wij onze lippen).

Dat is goede aansporing voor deze dagen van reflectie voor Jom Kipoer, woorden waarin al de boodschap van latere profeten doorklinken: het gaat niet om rituele offers, maar om werkelijke spijt over begane misstappen.

Hosea leefde in de tijd, dat de Assyriërs het Noordelijke rijk van de tien stammen, dat Israël werd genoemd, belaagden, het koninkrijk dat hij in zijn geschrift ook vaak aanduidt met Efrajim. Vanaf 740 BCE af waren er voortdurend invallen en werden grote aantallen inwoners als krijgsgevangenen uit het land weggevoerd. Hosea's dringende oproep roep om terugkeer of ommekeer moet toch vooral zijn gericht naar de elite van het noordelijke rijk.
Mocht die roep worden beantwoord en zou Israël terugkeren van zijn afgoden, dan schetst de profeet een idyllisch beeld over hoe het zal kunnen worden:
14:6 Ik zal voor Israël zijn als de dauw.
Het zal bloeien als een lelie,
wortelen als een ceder op de Libanon.


In 722 viel de hoofdstad Samaria ( Sjomron ) en werden de laatste bewoners, vele duizenden, in ballingschap gebracht naar verre streken om nooit meer naar hun land terug te komen. Deels worden deze gebeurtenissen in de voorzeggingen van Hosea voorzien – zie vers 1 van dit hoofdstuk 14 - maar vermoedelijk heeft hij de val van de stad niet meer meegemaakt. Zijn geschrift is daarom vooral een waarschuwing geworden aan het overgebleven zuidelijk koninkrijk van de twee stammen Juda en Benjamin om het slechte voorbeeld van de noordelijke buur niet na te volgen, zoals de middeleeuwse commentator Rasji veronderstelt. De oproep tot ommekeer – tesjoeva – echoot tot in deze tijd door.

Aan de haftara worden nog de laatste drie verzen van het boek van de profeet Micha toegevoegd, verzen waarin de Eeuwige wordt aangeroepen als de God die vergevingsgezind is, niet kwaad blijft en die zich zal ontfermen over wie er van het volk nog over is, dit in bewoordingen die doen denken aan de gebeden van Grote Verzoendag, die weldra zal aanbreken. ‘ Onze zonden werpt u ( tasjliech ) in de diepten van de zee': deze woorden van verzoening vormen de basis voor het ritueel van tasjliech, dat op Rosj Hasjana of de dagen daarna wordt gedaan: men werpt dan symbolisch de zonden van het afgelopen jaar (vertegenwoordigd in broodkruimels of iets dergelijks) in stromend water van bijv. een beekje of rivier (liefst met vissen). Daarbij worden deze drie verzen van Micha gezongen en nog een aantal andere uit de psalmen.

Het jaar 5781 gaat een spannend jaar worden, dat is zeker. We maken de eerste weeën mee van grote veranderingen, die woelen onder de oppervlakte. Wie zal de juiste profetische snaar weten de raken om ons bewust te laten worden voor wat nodig is om onze afdwalende wereld op een beter spoor te krijgen.

Noot
1) Zie voor een commentaar op de parasja Haäzinoe mijn boek
REIZEN DOOR DE TORA, deel 2 , Van de Berg naar de Rivier, Leviticus, Numeri en Deuteronomium, Mastix Press, 2016, te bestellen bij bol.com

Haftara voor Rosj Hasjana

I Samuel 1:1 - 2:10

De haftara voor de Eerste dag van Rosj Hasjana is het verhaal van Hanna (Chana), de vrouw van Manoach, die laat en onverwacht toch een zoon kreeg, Samuel (Sjmoeël). Vele jaren hoopten Hanna en Maoach, die veel van zijn vrouw hield, meer dan van zijn tweede vrouw Penina, op een zoon. Hanna verdroeg al die tijd de spot van Penina die juist vele kinderen baarde. We moeten daarbij bedenken welk een schande het voor de vrouw (en haar man) was als ze geen kinderen (vooral zonen) kreeg (en in ultravrome kringen: krijgt).

Op een keer toen het gezin Manoach de seizoensoffers bracht bij de tabernakel in Sjilo – de tempel in Jeruzalem was er nog niet – richtte Hanna een vurig gebed tot de Eeuwige, waarin zij de gelofte aflegde, dat als zij een zoon zou krijgen, hij aan de Eeuwige zou worden gewijd. In haar lange smeekbede bewogen alleen haar lippen. De hogepriester Eli die bij de ingang op zijn stoel zat dacht dat zij dronken was. Hanna ontkende dit hartstochtelijk en maakte de oude man deelgenoot van haar grote verdriet. Toen zij de hogepriester: ‘Ga in vrede, en de God van Israël zal u geven wat u van Hem gebeden hebt'.
Thuisgekomen ‘kende ( jada ) Elkana Chana zijn vrouw en de Eeuwige dacht aan haar'. Zo werd na enige tijd Samuel geboren en inderdaad, na twee jaar toen de jongen van de borst af was, werd hij naar Sjilo gebracht en overgedragen aan de zorg van de hogepriester Eli ter opvoeding in de tempeldienst. De smeekbede van Hanna bij de ingang van de tabernakel werd het model voor hoe je het dagelijks gebed, de Amida, moet doen: met toewijding maar met geluidloze lippen.

De Toralezing op de eerste dag van Rosj Hasjana gaat over de zo vurig door de onvruchtbaar geachte Sara, Abrahams vrouw, verlangde geboorte van Isaak (Jitschak). De overeenkomst met het verhaal over Samuels geboorte springt in het oog: ‘Genesis 21:1: De Eeuwige nu zag om naar Sara zoals Hij gezegd had; de Eeuwige deed bij Sara zoals Hij gesproken had. 2 Sara werd zwanger en baarde Abraham een zoon'.
Ook de overeenkomst met het verhaal van Rachel, de vrouw van Isaak en moeder van Jozef (en Benjamin) valt op. De moeder van Samuel schaart zich daarmee bij de vrouwen, die hoewel innig geliefd door hun man onvruchtbaar leken en moesten dulden dat de minder geliefde vrouw (resp. Hagar, Lea, Penina) naast haar wel met kinderen gezegend werden, maar die toch uiteindelijk de lang verhoopte zoon baarden.
De midrasj noemt naar aanleiding van de profetieën van Jesaja die wij de afgelopen weken hebben gelezen nog zo'n vrouw: Tsion, de ‘vrouw' die haar kinderen aan de ballingschap verloor, maar die haar kinderen ooit zal zien terugkeren. Dat het zowel bij de Toralezing als in de haftara gaat om onverhoopt toch ontstaan nieuw leven is op dit begin van een nieuw jaar 5781 geen toeval.

Toen de gelofte om de jonge Samuel aan de Eeuwige te wijden door hem aan Eli over te dragen eenmaal was volbracht hief Hanna een lofzang aan. Die lijkt met zijn vuur, toewijding en bloemrijke taal wel een voorafschaduwing van de latere profeten.
Ze heeft haar eigen lot als het ware overstegen naar een meer universele woede over arrogantie en zelfingenomenheid (kennelijk door Penina belichaamd) en betrokkenheid bij de minder bedeelden (waarmee zij zich waarschijnlijk heeft vereenzelvigd):
(NBV 2:3 Gebruik toch geen grote woorden,
blaas niet zo hoog van de toren,
want de HEER is een alwetende God:
door hem worden onze daden gewogen.
4 De boog van de helden is gebroken,
en wie wankelen weten zich gesterkt.
5 Die genoeg hadden, verkopen zich voor brood,
en wie hongerden zijn verzadigd.
(…) 8 Hij verheft uit het stof wie berooid is,
uit het vuil tilt hij op wie alles ontbeert.

Haftara bij de parasja Nitsaviem/Wajelech

Jesaja 61:10 - 63:9

De haftara bij de parasja Nitsaviem/Wajelech (1) is de zevende en laatste in de reeks haftarot van vertroosting na de treurdag Tisja be-Av. Intussen is met de toenemende troost ook de maand van reflectie, Elul, al gevorderd en Rosj Hasjana breekt over een week aan, het Joods Nieuwjaar dat op vele plaatsen in deze coronatatijd op een speciale manier – op gepaste afstand van elkaar of zelfs op zoom-distantie - zal worden gevierd.

De haftara begint op himmelhoch jauchzende toon:
61 10 Ik ben zeer vrolijk in de Eeuwige (JHWH),
mijn ziel verheugt zich in mijn God (Elohiem),
In het Hebreeuws zit er meer nuance in de tekst dan in de Nederlandse vertaling.
Het vers begint met sos asis , waarin twee keer de stam voor blij zit (letterlijk: ‘wees blij, ik zal verblijden', sasson=blijdschap), hetgeen een bijzonder versterkend effect heeft. In ‘mijn ziel verheugt zich‘ – tagèl nafsji – zit een ander woord voor blijdschap: gila . Waar sasson een meer extraverte blijdschap verwoordt, duidt gila op het meer innerlijk verheugen, dat volgt op de juichende uiterlijke blijdschap. In de naam JHWH klinkt het attribuut van de liefde ( chesed ) door, in Elohiem het attribuut van de gerechtigheid ( din, gevoera ).

Wie is de ik die zich verheugt? Jeruzalem (targoem Jonatan), het volk (Rasji), de gojiem (Ibn Ezra)? Ik denk Jeruzalem als belichaming van het Joodse volk.
Beelden van jonggehuwden vertolken de frisheid en energie vaneen vernieuwd Jeruzalem (resp vernieuwde wereld) in messiaanse tijden, een thema dat ook verder doorspeelt (2). Jeruzalem zal zelfs een nieuwe naam krijgen:
u zult met een nieuwe naam genoemd worden,
die de mond van de Eeuwige bepalen zal.
Talmoedwijze R. Levi haalt uit diverse citaten zes zaken, die de Heilige zal vernieuwen in de komende (messiaanse) tijd, welke zijn: de hemel en de aarde. Het hart, de geest, de naam van de Masjieach en de naam van Jeruzalem, waarvoor hij bovengenoemd vers aanhaalt (3)

De Eeuwige doet een gelofte: nooit meer Jeruzalem (het Joodse volk) in de steek te laten, de wereld zal mogen weten, dat de weg vrij is voor de inzameling van de ballingen, dat de grote verlosser op komst is en dat hij Jeruzalem zal vestigen als een centrum van heil.

Maar in het begin van hoofdstuk 63 treedt er een treffende omslag in stemming op. Van blijdschap om verlossing gaat de focus naar woede om de vervolgers. De Eeuwige ontpopt zich als almachtige krijgsman, die een meedogenloze strafexpeditie zal ondernemen tegen de vijanden van Israël (belichaamd onder de noemer ‘Edom'), gehuld in rode mantel, rood door het vergoten bloed. Het zijn weerbarstige passages. De forse plastische beelden van agressie en bloedvergieten roepen een door wraakzucht gedreven God op, die ons als verfijnde en verlichte burgers niet lekker zit. Nu zegt rabbi Abraham Heschel (1907-1972) wel dat de ‘gevoelens' van de Eeuwige (hij noemt dat ‘pathos') niet zijn als menselijke gevoelens, maar eigenlijk een aparte theologische categorie vormen. De profeet vertolkt niet zijn eigen gevoelens maar ‘resoneert mee' met dat goddelijke pathos, die hij verwoordt in onvolmaakte menselijke woorden. (4) Middeleeuwse commentator Rasji komt daarbij in de buurt als hij noteert ad loc: aldus is de gewoonte van de Schrift: die spreekt van ‘de Sjechina (goddelijke aanwezigheid in de wereld) op antropomorfe wijze om het zo aan te passen wat het oor instaat is om te horen'. Toch vraag ik mij af of de profetie hier niet ook is opgeladen met de al te goed invoelbare opgekropte razernij van een langdurig intens vernederd, maar trots volk.

Noten
1) Zie voor meerdere commentaren op de parasja Nitsaviem /Wajelech mijn boek
REIZEN DOOR DE TORA, deel 2 , Van de Berg naar de Rivier, Leviticus, Numeri en Deuteronomium, Mastix Press, 2016, te bestellen bij bol.com
(2) Culminerend in Jesaja 65:17 ev: Zie, ik schep een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Wat er vroeger was raakt in vergetelheid , De apostel Johannes echoot dit in Openbaringen hfst 21.
(3) Pesikta de Rav Kahana, piska 22
(4) Abraham J. Heschel, The Prophets, pp 285 ev, m.n p 291,292


Haftara bij de parasja Ki tavo

Jesaja 60:1-22

Waar aan het slot van de parasja Ki tavo de Tora vele lange verzen de donkerste rampen voor Israel (en wil men het mondiaal extrapoleren: voor de wereld) in het vooruitzicht stelde, als men haar voorschriften negeert (1), barst de haftara – de zesde in de reeks haftarot van vertroosting na de treurdag Tisja be-Av - bijna uit haar voegen van beelden van licht en triomf, die de messiaanse tijden omschrijven die Israël (de wereld) zal beleven. Er staan wel elf woorden die licht of glans betekenen in deze haftara.
Zo begint het:
60:1 Sta op, word verlicht, want uw licht komt
en de heerlijkheid van de Eeuwige gaat over u op.
2 Want zie, de duisternis zal de aarde bedekken
en donkere wolken de volken,
maar over u zal de Eeuwige opgaan
en Zijn heerlijkheid zal over u gezien worden.
3 En heidenvolken zullen naar uw licht gaan
en koningen naar de glans van uw dageraad
.

Zal dan eindelijk gerealiseerd zijn wat al als opdracht staat in Jesaja 49:6: ‘Ik heb U ook gegeven tot een Licht voor de volken, om Mijn heil te zijn tot aan het einde der aard'? Vele beelden in dit hoofdstuk 60 volgen nog: vele volken zullen de ballingen – zonen en dochters - terugbrengen, met vele schatten, vee en andere kostbaarheden zullen ze komen; zelfs de muren van Jeruzalem zullen ze herbouwen en strijd of catastrofe zal er binnen de grenzen niet meer zijn.
Wel heel erg eschatologisch klinken deze zinnen:
20 Uw zon zal niet meer ondergaan
en uw maan zal zijn licht niet intrekken,
want de Eeuwige zal voor u tot een eeuwig licht zijn
en aan de dagen van uw rouw zal een einde komen.
21 Uw volk, zij allen zullen rechtvaardigen zijn,
voor eeuwig zullen zij de aarde in bezit nemen.


Ooit geen fysieke nacht meer? Altijd maar daglicht? Dat lijkt mij niet de bedoeling. Deze verzen zijn dan ook mijns inziens meer de euforische verbeelding van een dynamische samenleving, die door haar enthousiaste toepassing van onderlinge rechtvaardigheid en compassie voor iedereen het leven tot een materiele en spirituele genieting maakt. (2)

Wanneer zal die tijd aanbreken, wanneer zal de Masjieach hem inluiden? Uit een uitgebreide rabbijnse discussie over die vraag in de Talmoed (3) lichten wij rabbi Jochanan die zegt, (hij zal komen) in een generatie, die volstrekt onschuldig is en daarom verlossing verdient, en hij verwijst naar het net geciteerd vers 21: ‘Uw volk, zij allen zullen rechtvaardigen zijn, voor eeuwig zullen zij de aarde in bezit nemen'. Maar het is evengoed mogelijk, dat hij juist komt als er een generatie volstrekt schuldig is, gezien een vers uit het vorige hoofdstuk 59 (16): ‘Omdat Hij zag dat er niemand was, ontzette Hij Zich, want er was niemand die zijn zijde koos. Daarom bracht Zijn arm Hem heil, en Zijn gerechtigheid, die ondersteunde Hem'. Rabbi Alexandri ziet in de laatste regel in deze haftara een oplossing van deze schijnbare tegenspraak:
60 22 De kleinste zal tot duizend worden
en de minste tot een machtig volk;
Ík, de Eeuwige, zal dit te zijner tijd spoedig doen komen
.

R.Alexandri legt de laatste regel aldus uit: als zij (Israël, de wereld) verlossing verdienen door berouw en goede daden, dan zal ik de komst van de masjieach bespoedigen; als ze geen verlossing verdienen zal de komst van de masjieach plaats vinden op de vastgestelde tijd.

Wat de komst van de Masjieach betreft kunnen we waarschijnlijk beter onze poging staken het per se te willen weten; ideologisering en dogmatisering, helpen ons helemaal niet verder. Laten we ons goed afstemmen op wat de tekenen des tijds zijn van een grote wending van de wereld ten goede en in praktijk te brengen hoe wij - voor een schijnbaar nietig stukje - zelf een 'teken des tijds' kunnen zijn. De beroemde filosoof-bijbelgeleerde Yeshayahu Leibowitz (1903-1994) helpt ons geen illusies te hebben en zegt: ‘de Masjieach zal komen, eens. De masjieachs die kwamen waren vals. De masjieach die komt is vals. Het kenmerk van de Masjieach is dat hij altijd komende is'….(4)(5)

Noten
(1) Zie voor meerdere commentaren op de parasja Ki tavo mijn boek
REIZEN DOOR DE TORA, deel 2 , Van de Berg naar de Rivier, Leviticus, Numeri en Deuteronomium, Mastix Press, 2016, te bestellen bij bol.com bestellen
(2) Vgl Maimonides: And at that time there will be no hunger or war, no jealousy or rivalry. For the good will be plentiful, and all delicacies available as dust. The entire occupation of the world will be only to know God... the people Israel will be of great wisdom; they will perceive the esoteric truths and comprehend their Creator's wisdom as is the capacity of man. As it is written (Isaiah 11:9): "For the earth shall be filled with the knowledge of God, as the waters cover the sea”. ( Mishneh Torah, Laws of Kings 12:5). Is ware spirituele verlichting nu voor ons mogelijk? Misschien is ongezocht een klein voorschot op de messiaanse tijd op sommige momenten niet uitgesloten
(3) Talmoed tractaat Sanhedrin 98a
(4) te horen op https://www.youtube.com/watch?v=Zz-QMDPW5RM
(5) Bedoelt Nachoem Wijnberg ongeveer hetzelfde als hij aan het slot van het gedicht AAN DE TELEFOON MET JUDITH HERZBERG dicht:
De Messias, is hij een Jood? Niet waarschijnlijk,
want een Jood doet niet graag waar e´e´n die er niet is,
en niet een beetje,
maar er op alle mogelijke manieren niet is,
de eer van wil opstrijken. Meer reden aan te nemen
dat iemand de Messias is
als hij aangekomen is
zoals iemand op het vroegst mogelijke moment
beleefd weggaat.
Zie https://www.crescas.nl/columns/zomerschrijvers/wigoz/Nachoem-Wijnberg/

Haftara bij de parasja Ki tetsee

Jesaja 54:1-10

Tot Rosj Hasjana worden de zogenoemde zeven haftarot van vertroosting ( Sjiva de-nechamta ) gelezen, allen uit het tweede deel van het boek Jesaja, waarin vele messiaanse beloften klinken. We zijn nu aangeland bij de haftara bij de parasja Ki tetsee .(1) De tekst van de haftara gaat vooraf aan de haftara die we twee weken geleden hebben gelezen., de haftara bij de parasja Reëe.

Een geliefd beeld dat profeten graag gebruiken is dat van Jeruzalem, resp. Israel als vrouw die haar man (de Eeuwige en zijn voorschriften) heeft verlaten, resp. door haar man verlaten is.
Deze haftara begint met de kinderloze vrouw, die echter nu grootse woorden van troost mag horen over de vele kinderen die ze ondanks alles weer in haar tent mag ontvangen:
54 1 Zing vrolijk, onvruchtbare, u die niet gebaard hebt,
breek uit in gejuich en jubel het uit, u die geen weeën gekend hebt,
want de kinderen van de eenzame zijn talrijker
dan de kinderen van de getrouwde, zegt de Eeuwige.
2 Vergroot de plaats voor uw tent,
laat men uw tentkleden wijd uitspannen

De onvruchtbare vrouw is Jeruzalem (Rasji), resp. het overgebleven en gedecimeerde Israël (Ibn Ezra)
Misschien is de onvruchtbare vrouw een toespeling op andere onvruchtbare vrouwen die toch kinderen kregen, zoals Sara en Chana (moeder van Samuel) (2). De onvruchtbaarheid is niet letterlijk maar figuurlijk bedoeld en soms wordt de vrouw ook een weduwe genoemd. De wisselende metaforen rond de vrouw laten een driedubbele verlatenheid zien: de vrouw (Israël, Tsion) heeft haar echtgenoot (de God van Israël) verlaten (door andere goden achterna te lopen), de echtgenoot heeft toen de vrouw verlaten en vervolgens hebben haar kinderen (de Israëlieten, Judeeërs) haar verlaten (zijn in ballingschap gevoerd). Maar … aan dit alles zal een eind komen:

7 Voor een klein ogenblik heb Ik u verlaten,
maar in grote barmhartigheid zal Ik u bijeenbrengen.
8 In een stortvloed van (andere vertaling: met een klein beetje)(3) toorn heb Ik voor u
Mijn aangezicht een ogenblik verborgen,
maar met eeuwige goedertierenheid zal Ik Mij over u ontfermen.

Een klein ogenblik? Gezien de millennia lange ballingschap zou je dit een ironische uitspraak kunnen noemen. Maar dat ‘ogenblik', daar zijn de commentaren het over eens moet gezien worden in relatie tot de eeuwigheid van de tijd van verlossing. ‘De dagen van ballingschap, hoeveel dat er ook zijn, zullen een ogenblik lijken vergeleken met de messiaanse tijd', zegt bijvoorbeeld Abraham Ibn Ezra (12 e eeuw).
Misschien kan de presentie van de Eeuwige ons per definitie niet verlaten en is zij ons ook in de meest grote pijn nabij. Maar binnen de materie die Zij heeft geschapen zoals die nu eenmaal is heeft Zij de mens de vrije keuze geschonken, zodat Zij niet anders kan dan tot Haar grote ‘verdriet' toezien hoe mensen die vrije ruimte gebruiken om zichzelf en hun medemensen van kwaad tot erger het lijden aan te doen. Het eist veel reparatiewerk van mensen zelf om in beter vaarwater te komen.
Misschien zijn wij allemaal, Joden en niet-Joden, ballingen op deze aarde, een karavaan van vreemdelingen al een eeuwigheid op weg tussen twee oasen. Steeds lijkt de komende oase in zicht maar hij is altijd verder weg dan de horizon. Maar als we er eenmaal zijn aangekomen zal de tocht maar een klein ogenblik lijken te zijn geweest.

noten

(1) Zie voor meerdere commentaren op de parasja Ki tetsee mijn boek
REIZEN DOOR DE TORA, deel 2 , Van de Berg naar de Rivier, Leviticus, Numeri en Deuteronomium, Mastix Press, 2016, te bestellen bol.com
(2) Zo Pesikta Rabbati 32:1
Pesikta de Rav Kahana 20:1: Er zijn zeven onvruchtbare vrouwen: Sara, Rivka, Rachel and Lea, Manoach's vrouw Chana en Tsion
(3 ) Be-sjetsef ketsef (woede): sjetsef wordt vertaald met of ‘uitstorting' of ‘een beetje', het woord komt alleen hier voor.

Haftara bij de parasja Sjoftiem

Jesaja 51:12-52:12

Tot Rosj Hasjana worden de zogenoemde zeven haftarot van vertroosting gelezen, allen uit het tweede deel van het boek Jesaja. We zijn nu aangeland bij de haftara bij de parasja Sjoftiem . Vermoedelijk heeft de schrijver van deze zeven haftarot – hij wordt ook wel de tweede Jesaja, deutero-Jesaja, genoemd - 200 jaar later geleefd dan de ‘eerste Jesaja', in een tijd dat het Babylonische rijk op zijn laatste benen liep; de machtige koning Cyrus was bezig op te rukken naar Babylon en de Joodse ballingen moeten gevoeld hebben hoe het tij mogelijk zou keren. De vurige hoop van de ballingen op teugkeer naar Judea zal de vonk van profetie, die smeulde onder dikke lagen as van het verwoeste Jeruzalem hebben aangewakkerd tot visionaire vergezichten van een vernieuwd Jeruzalem, die samenvielen met de zekerheid van de terugkeer van Gods concern voor het lot van zijn volk. De ballingen met hun vele traumatische herinneringen werden getroost met het vooruitzicht van een betere toekomst, de mogelijkheid die gloorde om een nieuw begin te maken met een gemeenschap waarin voortaan gerechtigheid en zorg voor de naaste prioriteit zou krijgen.

In teksten van dit deel van Jesaja wordt steeds meer geanticipeerd op een persoonlijke werkzaam zijn van de Eeuwige – ‘Ik, Ik ( anochi, anochi ) ben het Die u troost', zo begint deze haftara in vers 51:12. Zijn persoonlijke presentie zal toenemend in het bewustzijn komen: ‘Daarom zal Mijn volk Mijn Naam kennen; daarom, op die dag (van de verlossing), zal het weten dat Ik het Zelf ben Die spreekt: Zie, hier ben Ik ( hinenni ) (52:6). Het is tijd om wakker te worden: ontwaak, ontwaak! klinkt meerdere keren, ontwaak uit de ellende en kom weer in je kracht zouden we nu zeggen; bijv. in 51:17:
Ontwaak, ontwaak,
sta op, Jeruzalem!
U die uit de hand van de Eeuwige gedronken hebt
de beker van Zijn grimmigheid;
de droesem uit de beker van bedwelming hebt u gedronken, opgedronken.

Gaandeweg zwellen de woorden van de profeet aan tot een apocalyptisch maestoso:
52 9 Breek uit in gejubel, juich tezamen,
puinhopen van Jeruzalem,
want de Eeuwige heeft Zijn volk getroost,
Hij heeft Jeruzalem verlost.
10 De Eeuwige heeft Zijn heilige arm ontbloot
voor de ogen van alle heidenvolken;
en alle einden der aarde zien
het heil van onze God
.

Als we even weer neerdalen in de geschiedenis zien we, dat inderdaad
niet lang na de val van Babylon de Perzische koningen Cyrus en Artaxerxes twee golven van terugkerende Judeeërs uit Mesopotamië hebben laten vertrekken om Judea, Jeruzalem en de tempel weer op te bouwen.
Vijfentwintighonderd jaar zijn sindsdien vestreken. Als we een slow motion camera op Jeruzalem zouden hebben gehad zouden we een film zien waarin Jeruzalem meerder keren werd opgebouwd, werd verwoest, weer werd opgebouwd, weer verviel tot een dorp, weer opbloeide. De woorden van Jesaja zijn als het ware losgezongen van de geschiedenis, waarin verdrijving, ballingschap en vervolging en tijdelijke grote bloei van Joodse gemeenschappen elkaar bijna voorspelbaar afwisselden. Maar de woorden van de profeet bleven hun kracht houden. De intens blijde verwachting van de aanstaande verlossing uit de greep van Babylon is in zulke sterke beelden gesteld, dat zij de middeleeuwse rabbijnen inspireerden er de verlossing uit hun ballingschap in te zien. En ook nu nog resoneren zij met het verlangen van niet alleen van de Joden naar een blijvend welvarend en spiritueel bloeiend eigen land, maar zij spreken ook het – misschien wel diep verborgen - verlangen aan van ieder bewust levend mens naar een wereld, waar geen ziekte, armoede en ellende bestaat en waar recht, gelijkwaardigheid van alle mensen en waardigheid van ieder persoonlijk voorop staat, een wereld waarvan je weet, dat je die persoonlijk niet meer mee zal maken, maar die toch als leidbeeld voor je handelen kan dienen. Want het kenmerk van de messiaanse tijd is dat hij per definitie niet nu komt, maar wel altijd komende is.

noot
(1)Zie voor meerdere commentaren op de parasja Sjoftiem mijn boek
REIZEN DOOR DE TORA, deel 2 , Van de Berg naar de Rivier, Leviticus, Numeri en Deuteronomium, Mastix Press, 2016, te bestellen bol.com
Zie ook het commentaar op mijn website

Haftara bij de parasja Reëe

Jesaja 54:11-55:5

Tot Rosj Hasjana worden de zogenoemde zeven haftarot van vertroosting gelezen, allen uit het tweede deel van het boek Jesaja, waarin vele messiaanse beloften klinken. We zijn nu aangeland bij de haftara bij de parasja Reëe (1), de verzen 54:11 – 55:5. De voorafgaande verzen in hoofdstuk 54 schetsen in poëtische termen een beeld, dat de profeten graag gebruiken: een verlaten, kinderloze vrouw die (weer) in genade zal worden aangenomen door de echtgenoot, die haar ooit in boosheid heeft verstoten. De echtgenoot is de Eeuwige, de vrouw is Jeruzalem (Rasji) dan wel het volk Israel (Ibn Ezra) In vele krachtige beelden wordt bezongen hoe de Eeuwige zijn woede laat varen, haar nooit meer verlaten. De haftara begint dan met een glanzend messiaans Jeruzalem te beschrijven.
54:11: Ik zal u grondvesten op saffieren,
12 uw torens maken van kristal,
uw poorten van robijn,
heel uw omwalling van edelsteen.
13 Al uw kinderen zullen door de Eeuwige  onderwezen zijn,
en de vrede van uw kinderen zal groot zijn.


De belofte volgt dan – de bewoordingen zijn multi-interpretabel - dat de als men het rechte pad volgt en ver blijft van onderdrukking de bescherming tegen vernietiging en verwoesting compleet zal zijn. Dan roept de profeet:

55:1 O, alle dorstigen, kom tot de wateren,
en u die geen geld hebt, kom,
koop en eet, ja, kom, koop zonder geld,
zonder prijs, wijn en melk.

Men zou in de verleiding komen dit op te vatten als een soort messiaans luilekkerland. Nobeler zou het zijn als men hierin een beschrijving zou zien van een Israël, respectievelijk een wereld, waarin honger en dorst is uitgebannen en geld niet meer de enige maatstaf voor handelen is. De rabbijnen zijn echter meer geneigd om dit soort beelden te vertalen naar geestelijke zaken. Het water duidt op de Tora, zoals de middeleeuwse meesters Rasji, Radak (Rabbi David Kimchi) en Ibn Ezra in hun commentaar ad loc menen in navolging van de Talmoed (2). Radak: Water is een metafoor voor de Tora en wijsheid; zoals een wereld zonder water ondenkbaar is en zoals een dorstige hunkert naar water, zo hunkert de wijze ziel naar Tora en wijsheid. Rabbi Osjaya (tweede eeuw) voegt daar nog aan toe: Dit vers vertelt jou: zoals deze drie vloeistoffen worden bewaard in de minste van de vaten (kleien potten, niet van zilver en goud, waarin het bederft), zo zullen de zaken van Tora bewaard blijven bij hen die nederig van geest zijn.(3) Tot wie zijn deze woorden gericht? Tot de naties van de wereld en Radak meent: pas in de eindtijd. Maar waarom niet ook nu al, als we de Tora opvatten als onderricht in gerechtigheid en wijsheid?
Het laatste vers van de haftara geeft een hint naar de masjieach ben David

Noten
(1)Zie voor meerdere commentaren op de parasja Ekev mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 2 , Van de Berg naar de Rivier, Leviticus, Numeri en Deuteronomium, Mastix Press, 2016, te bestellen bol.com
(2) Talmoed Baba Kamma 17a
(3) Talmoed Taänit 7a

Haftara bij de parasja Ekev

Jesaja 49:14-51:3

Na Tisja be-Av worden tot Rosj Hasjana de zogenoemde zeven haftarot van vertoosting gelezen, allen uit het tweede deel van het boek Jesaja. Bij de parasja Ekev (1) is nu de tweede haftara van vertroosting aan de beurt. Pasoek (vers) 49:14 begint met de klacht van Tsion (=Israel); als een kind denkt zij dat het door de Eeuwige is vergeten. Daarop volgt de dramatische vraag: hoe kan een moeder haar baby vergeten – en zelfs al zou zij haar kind vergeten, de Eeuwige zal dat niet doen …. Dan volgen vele troostende messiaanse beelden van herstel van Jeruzalems puinhopen en terugkeer van de ballingen ( kibboets galoejot ) naar Tsion: de talloze verloren gewaande kinderen zullen door de volken worden teruggebracht naar Jeruzalem, dat haast te klein wordt voor zoveel teruggekeerden:
21 En u (dwz Tsion) zult zeggen in uw hart:
Wie heeft deze kinderen voor mij voortgebracht,
aangezien ik van kinderen beroofd en eenzaam was,
verbannen en verdreven?
Deze kinderen – wie heeft ze grootgebracht?
Zie, ik was alleen overgebleven.
Deze kinderen – waar waren die?
22 Zo zegt de Eeuwige:
Zie, Ik zal Mijn hand opheffen naar de heidenvolken,
naar de volken zal Ik Mijn banier omhoogsteken.
Dan zullen zij uw zonen brengen in de armen,
en uw dochters zullen gedragen worden op de schouder.

Het hoofdstuk eindigt dan (na wat bloedige metaforen aangaande de tegenstanders van Tsion) met de wereldwijde erkenning van de Eeuwige als de redder en de machtige van Jacob ( abier Jaäkov ) (2)

In hoofdstuk 50 schakelt de profeet - die zich als het ware voertuig voelt van het wisselend gemoed van de Eeuwige wiens tolk hij zich voelt (3) – naar een ander register. Nu is het de Eeuwige die – vanuit het veel gehanteerde beeld van de door zijn kinderen teleurgestelde vader - zijn afwezigheid rechtvaardigt; de kinderen van Israël zijn met hun moeder Tsion weggezonden, verkocht aan schuldeisers (4), want het heeft niet gezien en gehoord hoe het door de Eeuwige werd aangeroepen en het heeft zijn macht om te verlossen onderschat.

Dan welt er in Jesaja plots een persoonlijke noot op. Hij deelt met zijn publiek hoe hij zijn oren iedere ochtend geopend worden om te horen als een leerling wat hem onderwezen wordt, woorden om de vermoeide op te beuren. Hij laat zich niet weerhouden om te spreken wat hij heeft gehoord, zegt hij. Als het niet anders kan, zo zegt hij (50:6)
geef (ik) Mijn rug aan hen die Mij slaan,
Mijn wangen aan hen die Mij de baard uitplukken.
Mijn gezicht verberg Ik niet
voor smaad en speeksel.
7 Want de Eeuwige helpt Mij.
(5)
Maar niet het hele volk van Israël is slecht bezig; de profeet richt zich nu tot de mensen die, misschien tegen de stroom in, wel deugen (6) Hij roept op wie in het donker dwalen en geen licht zien om net zoals hij te vertrouwen Gods hulp en ommekeer te doen. Laten zij het voorbeeld van Abraham en Sara, hun voorvader en voormoeder, volgen en zo deel te krijgen aan vergelijkbare zegeningen. Het slotbeeld van de haftara in de verzen 51:3 is een paradijselijk vergezicht:
Want de Eeuwige zal Tsion troosten,
Hij zal al haar puinhopen troosten.
Hij zal haar woestijn maken als Eden,
haar wildernis als de hof van de Eeuwige.
Vreugde en blijdschap zal daarin gevonden worden,
dankzegging en luid psalmgezang.
Laten we in deze passage ook persoonlijke troost vinden: als we in het donker dwalen en geen licht zien – wie kent in deze zorgelijke tijden die momenten niet – dan is dat niet blijvend en zullen licht en blijdschap ooit weer aanbreken

Noten
(1) Zie voor meerdere commentaren op de parasja Ekev mijn boek
REIZEN DOOR DE TORA, deel 2 , Van de Berg naar de Rivier, Leviticus, Numeri en Deuteronomium, Mastix Press, 2016, te bestellen bij bol.com (2) Abier Jaäkov , de Machtige van Jacob, is een staande uitdrukking die maar een paar keer in de bijbel voorkomt, met name bij Jesaja
(3) De profeet is degen die meevoelt met het gemoed – pathos – van de Eeuwige, zoals Abraham J. Heschel het uitlegt; die goddelijke pathos is als het ware een eigenstandige theologische categorie, die essentieel anders is als menselijke emotie (AJ Heschel, The prophets, Harper &Row, 1962)
(4) Een problematisch vers 50:1, dat eigenlijk in vragende vorm is gesteld: waar is die scheidingsbrief van jullie moeder? Het antwoord van Ibn Ezra en Radak is: die brief is niet gegeven want de kinderen van Juda zijn immers teruggekeerd, het was een tijdelijke wegzending zonder get , zie The Book of Isaiah, vol 2, Judaica Press ad loc
(5) dit deel van de haftara maakt deel uit van de zogenaamde zangen van de knecht ( èvèd ), De eerste zang is de prachtige omschrijving van de lankmoedige maar toch slagvaardige messiaanse leider in Jesaja 42: 1- 9. In de tweede zang, hoofdstuk 49:1-7, net voor het begin van deze haftara, zien we een meer persoonlijke dienaar die vanaf de moederschoot is geroepen, zich vergeefs afmat, maar toch zal uitgroeien tot een licht voor alle volken. In de derde zang, Jesaja 50:4-9, dus deel van de haftara, voelt de vernederde en gefolterde knecht ondanks alles toch vertrouwen en bescherming. De laatste passages van hfst 52 vanaf vers 13 tot het eind van hoofdstuk 53 vormen tezamen wat men het lied of de zang van de lijdende knecht is gaan noemen. Boeken zijn volgeschreven over wie de knecht is. Al gelang naar de oriëntatie is het Jesaja zelf, het volk Israël of zoals de christenen het graag zien: Jezus Christus. Zie mijn lezing JESAJA HOOFDSTUK 53: WIE IS DE LIJDENDE KNECHT?
(6) ‘Mensen die wel deugen', Jesaja zegt: ‘u die de gerechtigheid najaagt, u die God zoekt.' Ik denk, dat de profeet bedoelt, dat het messianistisch perspectief alleen geboden wordt aan ‘U die observant Joods religieus bent'. Wil men in de staat Israël een messianistisch project zien (zie mijn commentaar op de bij de vorige haftara van Wa-etchanan), dan valt op, dat de pioniers van het zionisme grotendeels seculiere Joden waren, die allereerst oog hadden voor de misère van het antisemitisme in Europa en gerechtigheid en waardigheid zochten – ieder op eigen wijze - in een veilige eigen staat, zoals Theodor Herzl, Joseph Trumpeldor, Achad Ha-am, Ben Gurion, Chaim Weizmann, Wladimir Jabotinski en zovele anderen.

Haftara bij de parasja Wa-Etchanan

Jesaja 40:1-26

De sjabbat van de parasja Wa-etchanan (1) valt na rouwdag Tisja be-Av (donderdag 30 juli 2020), de dag waarin de verwoesting van Jeruzalem en de tempel (en nog vele andere rampen ) werd herdacht. De drie weken van lichte rouw en de rouwdag zijn nu verstreken en de bijbehorende ‘zware' haftarot zijn afgesloten. Het is nu tijd voor blijere kost en een woord van troost. Die wordt gevonden in de vaste haftara die dan wordt gelezen uit het boek Jesaja (Jesjajahoe) hoofdstuk 40, dat begint met: Troost, troost, nachamoe nachamoe ! Het is sjabbat nachamoe , de sjabbat van vertroosting. Tot Rosj Hasjana zullen de zeven haftarot van vertoosting worden gelezen, allen uit het tweede deel van het boek Jesaja(2), dat aldus begint:

40 1 Troost, troost Mijn volk,
zal uw God zeggen,
2 spreek naar het hart van Jeruzalem (=Israel)
en roep haar toe
dat haar strijd (3) vervuld is,
dat haar ongerechtigheid verzoend is,
dat zij uit de hand van de Eeuwige het dubbele (4) ontvangen heeft
voor al haar zonden
.

De verzen 3 - 5 die volgen schilderen een wereld waar, dalen worden gevuld, bergen zich tot heuvels verlagen en rotsen tot vlaktes worden om baan te maken voor de komst van de Eeuwige. Een enkele commentator ziet het louter historisch en meent dat dit slaat op de terugkeer uit de Babylonische ballingschap. De gezaghebbende rabbi's uit de middeleeuwen zoals Rasji, Ibn Ezra en David Kimchi zien deze passages vooral in het messiaanse perspectief van een triomfantelijke terugkeer in de toekomst van de ballingen uit ballingschap naar Jeruzalem

Is het wonderbaarlijke ontstaan van de staat Israël in 1948 niet de vervulling van de profetische visie? Er zijn ontegenzeggelijk wonderen geschied tijdens de eerste worstelingen van de nieuwe natie om te ontstaan en zich staande te houden; de eerste decennia vertoonden echt messiaanse trekken. Maar nu de wittebroodsjaren voorbij zijn en Israël de goede en minder goede trekken van elke democratie laat zien met alle verschijnselen van politiek gekonkel en zelfs corruptie en autoritaire ingrepen – en de zwaarden nog lang niet zijn omgesmeed tot ploegijzers, niet materieel en niet spiritueel - , beseffen we dat de messiaanse visioenen van Jesaja het beste gezien kunnen worden als losgezongen van historische interpretatie en eerder betrekking hebben op een diepgaande veranderingen in ziel en geest van Israël, maar dan van een Israël niet opgevat als natie in de geschiedenis maar als de spirituele essentie van iedere Jood, nee van ieder mens, van alle mensen. Het gaat dan om diepgaande veranderingen die ons als een spiegeling tegemoetkomen vanuit de toekomst, vanuit voorbij onze tijdhorizon, spiegelingen die nu al iets in ons doen opgloeien.

De volgende passages in dit hoofdstuk 40 hebben betrekking op de vergankelijkheid van ‘alle vlees', dat is als gras, dat verdort - Rasji meent dat dit slaat op de toekomst van de naties -, een vergankelijkheid die scherp contrasteert met de macht van de Altijd Zijnde, die als een goede herder zijn kudde (Juda, de mensheid) zal leiden naar zijn bestemming. De grootsheid van de Eeuwige probeert de profeet met een paar prachtige metaforische vragen te benaderen:
20 12 Wie heeft de wateren met de holte van zijn hand opgemeten,
of van de hemel met een span de maat genomen,
of het stof van de aarde met een maatbeker gevat,
of de bergen gewogen in een waag,
of de heuvels op een weegschaal?
Met die onmeetbaarheid vergeleken zijn de volken
als een druppel aan een emmer,
als een stofje op de weegschaal.
(..) Alle volken zijn als niets voor Hem,
zij worden door Hem beschouwd als minder dan
niets en als leegheid
.

De profeet wijst er na deze uitgebreide omschrijvingen van de onvatbare macht van de onzichtbare Ene op, zoals vele profeten voor hem al gedaan hebben, hoe dwaas het is om een beeld te maken van metaal of hout . Beter is het in immense verwondering naar boven te kijken: (40:26) ‘Sla uw ogen op naar omhoog en zie Wie deze dingen (het uitspansel) geschapen heeft'.

Noten
(1) Zie voor meerdere commentaren op de parasja Wa-etchanan mijn boek
REIZEN DOOR DE TORA, deel 2 , Van de Berg naar de Rivier, Leviticus, Numeri en Deuteronomium, Mastix Press, 2016, te bestellen bij bol.com
(2) Een tweede Jesaja zou ruim tweehonderd jaar later tegen het einde van de Babylonische ballingschap hebben geleefd. Deze zg Deutero-Jesaja - zo menen bijbelwetenschappers - heeft de hoofdstukken 40 tot 56 voor zijn rekening genomen, (sommigen veronderstellen nog een derde Jesaja, die de laatste hoofdstukken heeft geschreven).  Hij kende de wanhoop, de ellende en de heimwee van de ontheemden, die weggerukt uit hun thuisland treurden aan de rivieren van Babylon
(3) tseva'a , letterlijk ‘haar menigte', over de juiste vertaling bestaan meerdere meningen
(4) kelipajiem bechol chata'oteiha . Letterlijk: zij nam uit de hand van de Eeuwige het dubbele voor haar zonden. Dubbele straf (dat zou niet erg rechtvaardig zijn!) of dubbele troost? De meningen van de rabbi's lopen uiteen.

Haftara bij de parasja Devariem

Jesaja 1:1-27

De parasja van de week is de parasja Devariem .(1) In de komende week valt de negende van de maand Av ( Tisja be-Av ), de dag dat om de verwoesting van Jeruzalem, de tempel en nog een reeks rampen wordt getreurd (2). Het is een etmaal van volledig vasten. Altijd is dan de haftara voor deze laatste week van lichte rouw het begin van het boek Jesaja (Jesjajahoe, 7e eeuw BCE), een deel van het eerste hoofdstuk. Het stuk luidt de profetieën van de profeet in die zo vaak de ondergang van Jeruzalem heeft voorzien.

Het boek Jesaja begint met een opschrift: Het visioen (chazon)_van Jesaja, de zoon van Amots, dat hij gezien heeft over Juda en Jeruzalem, in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz en Hizkia, koningen van Juda.
Daarom wordt deze sjabbat sjabbat chazon genoemd, de sjabbat van het visioen.
Na dit opschrift gaat de Jesaja (3) meteen van start met een aanklacht tegen het volk van Israel. Het is een stijlfiguur, die we meerdere keren bij de profeten aantreffen. De Vader klaagt zijn opstandige kinderen aan die tegen hem rebelleren, hem niet meer kennen en vergeten zijn hoeveel ze aan hem te danken hebben. De begeleidende metaforen zijn ontleend aan de boerensamenleving:
1:3 Een rund kent zijn bezitter
en een ezel de kribbe van zijn eigenaar,
maar Israël heeft geen kennis,
Mijn volk heeft geen inzicht.

In deze god- en gebod-vergetelheid ziet de profeet verklaring voor de rampzalige toestand van het land dat hij aldus beschrijft
1:7 Uw land (dwz Juda) is een woestenij,
uw steden zijn met vuur verbrand,
uw bouwland – voor uw ogen
eten vreemden het op;
het is een woestenij, als door vreemden ondersteboven gekeerd.
8 De dochter van Tsion is overgebleven
als een hutje in een wijngaard,
als een nachthutje op een komkommerveld,
als een belegerde stad.


Dat is zeer waarschijnlijk niet eens een profetie maar een beeldrijke schets van de werkelijke toestand van het koninkrijk Juda ten tijde koning Hizkia (Chizkijahoe), toen de veldtocht van de machtige Assyrische koning Sennacherib het land en zijn steden en dorpen verwoestte en de stad Jeruzalem (‘de dochter van Tsion') insloot met een angstaanjagende belegering. Doordat een geheimzinnige ziekte het Assyrische leger sloeg werd die afgebroken (verhaald in 2 Koningen en 2 Kronieken 32) en blies de Assyrier de aftocht, een waar godswonder voor de Judeeërs.

Zo was stad maar net het lot van ‘Sodom en Gomorra' bespaard gebleven. Jesaja vergelijkt Jeruzalem met deze verdorven en wetteloze steden uit Genesis. Omdat de fundamentele intentie onder de geboden bij de bewoners en met name bij de elite geheel in het vergeetboek was geraakt bij de bestuurders. Wat is die intentie dan? In een oproep tot ommekeer formuleert Jesaja het zo:
1:16 Was u, reinig u!
Doe uw slechte daden
van voor Mijn ogen weg!
Houd op met kwaad doen,
17 leer goed te doen,
zoek het recht!
Help de verdrukte,
doe de wees recht,
bepleit de rechtszaak van de weduwe
! (4)

Als die fundamentele intentie wegvalt, zo laat de Eeuwige weten, heeft hij geen enkele behoefte aan alle braaf voltrokken rituelen, frequente tempelgang, massale offers, rijke feesten en gebeden, hoeveel dat er ook zijn. Het zijn dan loze gebaren die zelfs afschuw oproepen. Zolang het ooit zo recht gezinde Jeruzalem (5) zich als een hoer gedraagt en corruptie, uitbuiting en machtsmisbruik bij de upper class (sarajich) welig tiert zal er niets anders opzitten dan dat de stad en haar bewoners met gewelddadige hand zullen worden uitgezuiverd zoals metaal van slakken gezuiverd wordt. Een stukje perspectief wordt nog wel geboden: want daarna zal ooit – de rabbijnen zien hier een messiaanse verwijzing - Jeruzalem als vanouds (5) een stad van gerechtigheid genoemd worden, een stad van trouw, ier tsedek kirja nèëmana. (6)

Noten
(1) Zie voor meerdere commentaren op de parasja Devariem mijn boek
REIZEN DOOR DE TORA, deel 2 , Van de Berg naar de Rivier, Leviticus, Numeri en Deuteronomium, Mastix Press, 2016, te bestellen bij bol.com
(2) Voor welke rampen nog meer worden herdacht zie mijn website op Tisha be-Av
(3) Volgens de midrasj was Amots, de vader van Jesaja, een broer van koning Amazia. (Talmoed Megilla 15a) De profeet was dus nauw gelieerd aan het hof. Over zijn dood bestaat een bizarre midrasj (Talmoed Jevamot 49b); hij zou door toedoen van koning Manasse (Menasjee) de marteldood zijn gestorven op grond van gezochte beschuldigingen van godslaster. Waar het boek Jeremia meteen begint met de roeping van de profeet vinden we over de roeping van Jesaja (middels een verheven visioen) pas wat vermeld in hoofdstuk 6:1 ev. Bijblwetenschappers onderscheiden overigens nog een tweede Jesaja, die dan deutero(tweede)Jesaja wordt genoemd en die de hoofdstukken 40 tot 66 heeft geschreven tijdens de Babylonische ballingschap (de orthodoxie is het daar niet mee eens).
(4) Vgl Deut. 6:17-18 en Micha 6:8 ‘ Er is jou, mens, gezegd wat goed is,
en wat de Eeuwige in jou zoekt:
niets anders dan het betrachten van rechtvaardigheid, liefde voor compassie en een ingetogen gaan met je God.'
(5) Volgens Rasji en Ibn Ezra slaat dit op de tijd onder de koningen David en Salomo
(6) De slotregel van de 17e beracha van het dagelijkse achttiengebed luidt; Gezegend bent u, Eeuwige, die zijn inwoning (sjechina) terugvoert naar Tsion. Tsion verwijst ook op individuele basis naar het hart. Dan kan de tekst uit bde haftara ons waarschuwen om onze routines van ons af te gooien, ons automatisch functioneren te doorbreken, ons om te keren en ons open te durven stellen. Misschien kunnen we dan een moment van presentie van de Eeuwige in ons hart verwachten

RC juli 2020

Haftara bij de parasjot Matot Masee

Jeremia 2:4-28, 3:4, 4:1-2,

De haftara is het vervolg op de haftara van de vorige week en ook hier is het verband met de parasjot Masee en Matot (1), die deze week worden gelezen, niet de hoofdzaak. Het is de tweede week van de drie weken van lichte rouw na de 17 e van de maand Tammoez. Ze culmineren in een etmaal van volledig vasten op 9 Av (Tisja be-Av), de dag dat om de verwoesting van Jeruzalem en de tempel wordt getreurd. Daarom wordt ook in deze week de haftara gelezen uit Jeremia (Jirmijahoe) die in bittere en onheilspellende bewoordingen het religieus en moreel verval in het koninkrijk Juda aanklaagt en de ondergang van Juda en de ballingschap voorziet.

Het beeld van de Eeuwige als verlaten en verraden echtgenoot uit vers twee dan wel de toon van een vader wiens kind hem vergeten heeft komen in de haftara terug. Een parafrase komt op het volgende neer. De Eeuwige beklaagt zich bij monde van Jeremia over hoezeer de Israëlieten vergeten hebben wie ze uit Egypte heeft geleid door de dorre woestijn en hoe ze een vruchtbaar land hebben gekregen; eenmaal daar gesetteld zijn ze echter achter allerlei afgoden zijn gaan lopen. Het is nog ergen dan de Grieken en de Arabieren, die weliswaar afgoden dienden, maar die niet inruilden voor andere afgoden. Ze hebben als het ware de fontein van levend water verlaten en zelf waterkelders uitgehouwen waar het water uit weglekt, een metafoor die we nu zouden kunnen vertalen in de moderne overmoed van de maakbaarheid van alles. Het is niet de politiek, waarvan de oplossing komt. Steden zijn al verwoest het land geplunderd en allianties met grote politieke machten, het land van de Nijl (Egypte) en het land van de Eufraat (Assyrie) - zeg maar het Amerika en China van die tijd - zullen niet helpen. Alleen een terugkeer naar de Eeuwige zal uitkomst bieden.

Even een kort intermezzo over de tekst van vers 20: De Herziene Statenvertaling (HSV) zegt ‘Want van oude tijden af heb Ik (dwz de Eeuwige) uw juk gebroken, en  uw banden verscheurd'. De Nieuwe Bijbelvertaling (NBV) vertaalt: ‘Je brak je juk steeds weer in stukken, rukte je riemen los'; het onderwerp is nu Israël, dat haar juk heeft gebroken. Dat lijkt me toch niet juist, er staat echt in het Hebreeuws: s jabarti , ik heb gebroken (jouw juk, dus het juk van de Israëlieten), misschien wat lastiger te duiden maar het staat er duidelijk. De volgende regel heeft ook een probleempje. De HSV vertaalt: ‘U zei: Ik wil niet dienen!' De tekst in het Hebreeuws kent twee versies: lo è'èvod – ik zal niet werken/dienen – en lo è'èvor – ik zal geen overtredingen begaan: dat is bijv. de keuze van de bijbelversie op de website van chabad (chabad.org). Lijkt me gezien de context iets plausibeler.

Want ondanks deze belofte om geen overtredingen gedraagt Israël zich als een hoer. Ondanks ontkenningen en schoonwassingen gedraagt het volk zich als een losgebroken dromedaris in de woestijn, als een tochtige wilde ezelin.
Ondanks de smeekbede om ommekeer te doen geven de Israëlieten de voorkeur aan vreemde goden, maar eigenlijk staan ze als een betrapte dief te schande als aanbidders van een stuk hou of steen; als het onheil losbreekt waar blijven die goden dan?

Tot hier de parafrase van het stuk uit hoofdstuk twee. Maar men wilde de lezing van de haftara toch wat hoopvoller eindigen. De Asjkenaziem kozen hoofdstuk 3 vers 4 In de sfeer van de mogelijkheid tot ommekeer van de ontrouwe vrouw die Israel is, heet 3:4: ‘Zult u dan niet van nu af aan tot Mij roepen: Mijn Vader, U bent de Leidsman ( aloef ) van mijn jeugd?'
De Sefardiem kozen Hoofdstuk 4 verzen 1 en 2. Die betreffen ook de terugkeer van Israël naar de verzaakte Eeuwige: ‘en als u zweert: Zo waar de Eeuwige leeft, in waarheid, in recht en in gerechtigheid, dan zullen de volken ( gojiem ) zich in Hem zegenen en zich in Hem prijzen'.

Met verzen als deze wordt gezinspeeld op de beste potenties die Israël in zich draagt, een potentie die oplicht in Genesis 22:18: in uw (Abrahams) nageslacht zullen alle volken van de aarde gezegend worden, omdat u Mijn stem gehoorzaam geweest bent'. En natuurlijk in het bekende vers uit Jesaja 49:6: ‘Ik zal je maken tot een licht voor alle volken'. En met het woord ‘Israël' heb ik in gedachten iedere individuele Jood, maar ook kelal Jisrael (alle joden waar ook ter wereld, seculier of religieus) en de wonderlijk herrezen staat Israël, die een unieke nieuwe kans heeft gekregen om een materiele en spirituele bijdrage te leveren aan de moeizame voortgang van de geschiedenis van de mensheid, een kans die het nog altijd ook weer kan verspelen.

Noot
(1) Zie voor meerdere commentaren op de parasjot Masee en Matot mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 2 , Van de Berg naar de Rivier,  Leviticus, Numeri en Deuteronomium Mastix Press, 2016, te bestellen bij bol.com

Haftara bij de parasja Pinchas

Jeremia 1:1-2:3


stream van ingekorte versie

De hoofdfiguur uit de parasja Pinchas (1) is de heetgebakerde priesterzoon Pinchas. De reguliere haftara bij de parasja uit het eerste boek Koningen (18:46-19:21) sluit daar mooi bij aan en gaat over een andere fanaticus, de profeet Elia. Hij heeft na het offerwonder op de berg Carmel de dood van honderden Baälpriesters op zijn geweten en is op de vlucht voor koning Achab en koningin Izebel. In een grot van de berg Chorev beland moet hij rekenschap afleggen tegenover de Eeuwige.

Echter: als de sjabbat van de parasja Pinchas valt na de dag van 17 Tammoez – en dat is nu het geval - wordt een andere haftara gelezen, Jeremia 1:1-2:3 ( Meer over hoe het verder ging met Elia en hoe hij min of meer zijn congé krijgt is te lezen op mijn website). 17 Tammoez is de vastendag waarop herdacht wordt dat de Romeinen bij hun belegering in het jaar 70 CE een bres sloegen in de muur van Jeruzalem; drie weken later op de negende van de maand Av werd de tempel voor de tweede keer en nu definitief verwoest. Voor praktiserende Joden zijn het drie weken van lichte rouw die culmineren in een etmaal van volledig vasten op 9 Av (Tisja be-Av). In die drie weken worden haftarot gelezen uit Jeremia en Jesaja, waarin deze profeten de Israëlieten in bittere en onheilspellende bewoordingen confronteren met hun religieus en moreel verval, hetgeen uiteindelijk zal leiden tot de verwoesting van Jeruzalem en de tempel.

De haftara van deze week is het begin van het boek Jeremia (Jirmejahoe); we lezen over de roeping van de profeet, de zoon van de priester Chilkia uit het dorp Anatot. Omstreeks 626 BCE tijdens de regering van koning Josia (Josjijahoe) hoorde de jongeman zich aangesproken door de Eeuwige:
1:5: Voordat Ik u in de moederschoot vormde, heb Ik u gekend;
voordat u uit de baarmoeder naar buiten kwam, 
heb Ik u geheiligd.
Ik heb u aangesteld tot een profeet voor de volken.


Jeremia roept dat hij te jong is en niet weet hoe te spreken. Maar wat een profeet tot profeet maakt is dat zijn of haar roeping zo krachtig is, dat er geen keus is. De opdracht die al voor zijn geboorte klaarlag neemt bezit van de mens en zijn eigen persoonlijkheid wordt ondergeschikt aan de geweldige taak waarvoor hij of zij is gekozen: niet zozeer om de stem te zijn van persoonlijke gevoelens als om klank te geven aan een stem van goddelijke herkomst, een stem van deernis om onderdrukten, verontwaardiging om schijnheiligheid en woede om onrecht.
De Eeuwige stoort zich niet aan Jeremia's tegenwerping, maar roept hem op niet bang te zijn en belooft wel zijn reddende bijstand; Jeremia beschrijft:
1:9: Toen stak de Eeuwige Zijn hand uit en
raakte mijn mond aan. En de Eeuwige zei tegen mij:
Zie, Ik geef Mijn woorden in uw mond.
(2)

Dan komen de eerste visioenen voor Jeremia's geestesoog, zoals een amandeltak ( sjaked ) want de Eeuwige zal spoed betrachten ( sjoked ) om zijn woorden waar te maken. De middeleeuwse commentator Rasji wijst erop, dat na drie weken al de amandelbloesem vrucht draagt zoals drie weken na 17 Tammoes al snel de verwoesting van Jeruzalem op 9 Av plaats vindt.
Jeremia ziet een kokende pot met zijn kant afgewend van het noorden, want ‘vanuit het noorden zal het onheil losbreken over al de inwoners van het land.' Een eerste toespeling op de Babyloniërs die vanuit het noordoosten zullen komen en wie weet ook op de Romeinen die eeuwen later vanuit het noordwesten zullen komen.

De haftara besluit met de eerste drie verzen van het tweede hoofdstuk. Daarin laat de Eeuwige weten terug te denken – het staat er niet, maar je zou denken: met heimwee - aan hoe destijds Israël de Eeuwige nog liefhad als een jonge bruid en Hem volgde door de woestijn (Rasji: door de dienaren van de Eeuwige, Mozes en Aharon te volgend nog vertrouwen te hebben in de Eeuwige). Het beeld van de relatie tussen Israël en de Eeuwige als een huwelijk tussen (later ontrouwe) bruid en bruidegom werd ook al gebruikt door Jeremia's voorgangers Hosea en Jesaja.(3)

Jeremia heeft met grote toewijding en vastbeslotenheid zijn taak uitgevoerd om de Judeeërs – en in hen ook mensen en naties van alle tijden - uit hun zelfvoldaanheid wakker te schudden, om hun zekerheden te ondermijnen, en hen hun hypocrisie, hun arrogantie en hun machtsmisbruik voor te houden. Als ze hun levenswandel niet omkeren zal een ellendige toekomst onvermijdelijk zijn. Het is niet verbazingwekkend dat hij het ongenoegen van koningen, gezagdragers en volksgenoten heeft gewekt. Meermalen is hij gevangengezet en soms ternauwernood aan de dood ontsnapt. Naast alle komende rampen voorzag hij aan de messiaanse horizon ook de herrijzenis van Jeruzalem en een betere wereld. Achter zijn boze, smekende, strenge en onheilspellende confrontaties die hij uit hoofde van zijn opdracht moest doen school een zachtmoedig mens, die met grote liefde voor zijn volk en tegen zijn karakter in en met grote tegenzin onwelgevallige en onheilspellende boodschappen moest brengen (4) ; niet zelden bracht hem dat tot wanhoop, zoals schrijnend blijkt uit:
20: 7 Eeuwige, u hebt mij verleid, en ik ben bezweken,
u was te sterk voor mij en hebt mij in uw greep gekregen.
Dag in dag uit lachen ze om mij,
iedereen bespot mij.
8 Telkens als ik spreek, moet ik schreeuwen:
“Ik word mishandeld, onderdrukt!”
Want de woorden van de Eeuwige brengen mij
dag in dag uit schande en vernedering.

Uiteindelijk is hij na de al lang door hem voorspelde val van Jeruzalem naar Egypte ontkomen waar hij is gestorven.

noten
(1) Zie voor meerdere commentaren op de parasja Pinchas mijn boek
REIZEN DOOR DE TORA , deel 2 , Van de Berg naar de Rivier,  Leviticus, Numeri en Deuteronomium Mastix Press, 2016, te bestellen bij bol.com
(2) Vgl Jesaja 6:6
(3) Hosea 2:18, Jesaja 62:5
(4) Deze karakterschets is geïnspireerd door Abraham J. Heschel, The Prophets, 1962

Haftara bij de parasja Balak

Micha 5:6-6:8

Stream van de haftara

De profeet Micha, een van de zogenoemde kleine profeten (klein in de zin dat zijn overgeleverde geschriften een klein boek beslaan) leefde in de 8 ste eeuw BCE en was een tijdgenoot van Jesaja.
Net als Jesaja was hij een heftige en scherpe aanklager van de religieuze en morele afdwalingen van de Israëlieten. Hij was de eerste profeet die de verwoesting van Jeruzalem voorzag. Uit zijn boek is er één haftara genomen en dat is de haftara bij de parasja Balak. (1)

Die haftara begint midden in een beschrijving van een (verre) toekomst waarin een strijdbare ‘vrouwe Tsion' zich weert. Wat er in die (messiaanse) tijd is overgebleven is van Israel ‘zal zijn als een machtige leeuw tussen het wild, als een leeuw die de kudde binnendringt, een leeuw die vertrapt en verscheurt, en er is niemand die hem tegenhoudt.'
Maar dan slaat de profeet een andere toon aan in een passage die lijkt te slaan op zowel Israel als andere volken en die een komende tijd aankondigt van verwoesting van steden, afgodische beelden en attributen.
Vervolgens komt Micha met een beeld dat ook andere profeten vaak gebruiken (2): een rechtsgeding waarin de Eeuwige zijn volk aanklaagt en herinnert aan zijn beschermende hulp in voorbije tijden.
6:3 ev: ‘Mijn volk, wat heb ik je misdaan?
Waarmee heb ik je gekweld? Antwoord mij!
Ik heb je weggeleid,
bevrijd uit de slavernij in Egypte.
Ik zond Mozes, Aäron en Mirjam
om jullie voor te gaan.'

In de dan volgende woorden wordt de link duidelijk tussen de haftara en de parasja Balak, waarin Balak, de koning van Moab, de profeet en specialist in vervloekingen Bileam inhuurde om Israël te vervloeken, wat de tovenaar maar niet lukte; er kwamen alleen zegeningen uit zijn mond.
‘Ben je dan vergeten, mijn volk,
wat Balak besloot, de koning van Moab,
wat Bileam, de zoon van Beor, hem antwoordde?'

In de verbeelding van Micha antwoordt het volk met de vraag wat ze dan moeten doen: veel offers brengen van stieren, rammen of zelfs de eigen kinderen?
Nee, dat hoeft niet want, het antwoord is een beroemd vers, dat de Tora in enkele zinnen samenvat (geschreven op de muren van vele synagogen):
6:8 ‘ Er is jou, mens, gezegd wat goed is,
en wat de Eeuwige in jou zoekt:
niets anders dan het betrachten van rechtvaardigheid, liefde voor compassie en een ingetogen gaan met je God.'

Noten
(1) Zie voor meerdere commentaren op de parasja Balak mijn boek
REIZEN DOOR DE TORA , deel 2, Van de Berg naar de Rivier,  Leviticus, Numeri en Deuteronomium Mastix Press, 2016
(2) Bijv. Hosea 4:1-3, Jes. 3:13-15, 5:3-4

Haftara bij de parasja Choekat

Rechte rs 11:1-33


Stream van een korte versie 

Na de dood van Jozua , de opvolger van Mozes, werd het verblijf van de Israëlieten in Kanaän een paar eeuwen lang gekenmerkt door perioden waarin ze onderdrukt en uitgebuit werden door andere volken zoals de Filistijnen, Ammonieten en Midjanieten. De in nood verkerende stammen beseften dan dat ze met de import van Kanaänitische goden als Baäl en Astarte afgedwaald waren van het rechte pad. Ze smeekten de oorspronkelijke en enige God, die hen ooit van de Egyptenaren had bevrijd, om redding uit de benauwenis. Die kwam dan periodiek in de vorm van een rechter, ongeveer te omschrijven als een persoon, die goddelijke bezieling paarde aan militair, politiek en juridisch gezag. Sommigen zijn heel bekend zijn zoals Gideon, Debora, Simson en Samuel en anderen alleen bij naam. De meeste rechters versloegen de vijand en brachten weer een tijd rust tot de volgende crisis van afgodendienst en vijandelijke dreiging zich aandienden.

In de haftara treedt de rechter Jefta (Jiftach) ons tegemoet. Het zijn nu de Ammonieten, die de Israëlieten levensgevaarlijk bedreigen. Ze hebben claimen het gebied ten oosten van de Jordaan, dat Gilead wordt genoemd en bewoond wordt door de stam van Ruben en Gad. Ze hebben het al bezet en dreigen de Jordaan over te steken. Jefta was een bastaard of zelfs de zoon van een hoer ( ben-isja zona ) en was door zijn stiefbroers van huis weggejaagd. Hij had zich ergens in het buitenland gevestigd, in het land Tov en leidde een bende vrijbuiters. De oudsten van Gilead zochten in barre nood hun toevlucht tot de geducht krijgsman, die Jefta was. De gekwetste man was zich zijn traumatiserende uitstoting uit Gilead nog niet vergeten en weigerde aanvankelijk, maar gaf toe toen het leiderschap van heel Gilead hem werd toegezegd.

Legerleider Jefta probeerde het eerst op een vreedzame manier (1) en zond een gezantschap naar de koning van Ammon om uit te leggen waarom het betwiste gebied, Gilead, rechtens aan de Israëlieten toekwam. Nu komen we aan de link tussen de haftara en de parasja Choekat. In die parasja, waarin heel wat geschiedenissen zich afspelen (2) wordt in het laatste stuk verhaald van de eerste militaire succes van de Israëlieten. Nadat ze rond het land Edom en Moab zijn getrokken verslaan ze de vijandige koning  Sichon en zijn Amorieten, en Og, de koning van Basjan en ze nemen de landstreek ten oosten van de Jordaan in bezit, Gilead dus. Dit verhaal is aan Jefta en zijn tijdgenoten blijkbaar nog goed bekend! Het wordt uitgebreid voorgehouden aan de koning van Ammon; er is dus niets van de Ammonieten die verder oostelijk wonen afgenomen. Bovendien, als de Ammonieten recht menen te hebben op Gilead waarom hebben ze dan driehonderd jaar de Israëlieten met rust gelaten?

De koning laat zich niet bepraten en een veldslag wordt onvermijdelijk. Jefta doet een gelofte aan de Eeuwige: als hij de Ammonieten zal overwinnen, zal het eerste levende wezen dat hem bij behouden thuiskomst tegemoetkomt voor de Eeuwige zijn en als brandoffer worden gebracht. De gedreven veldheer boekt een riante overwinning op de Ammonieten. Hier eindigt de haftara. Maar hoe is het met Jiftach's gelofte afgelopen? Tragisch. Hij had er misschien op gerekend dat het eerste levende wezen dat hem bij zijn thuiskomst tegemoet zou komen een ezel, rund of schaap zou zijn. Maar het is niemand anders dan zijn dochter die hem in een vrolijke reidans tegemoet danst. Jiftach scheurt ontsteld en verbijsterd zijn kleren, maar hij zal zijn gelofte inlossen. Het meisje, wier naam wij niet kennen, schikt zich in haar lot, maar bedingt dat zij nog twee maanden uitstel zal krijgen om met haar vriendinnen te treuren over dat zij nooit de vrouw van een man zal zijn.

De midrasj (3) vraagt zich af: waarom ging Jiftach niet naar de hogepriester? Die had hem toch van de gelofte kunnen ontslaan? In sommige gevallen is het immers mogelijk om in een ritueel van onzinnige geloften ontslagen te worden (4). En waarom bekommerde de hogepriester Pinchas (5) zich niet om de nood van Jiftach en zijn dochter en kwam hij niet tussen beiden om de gelofte ongedaan te maken? Het antwoord luidt, dat een prestigestrijd de beide mannen verhinderde te doen wat nodig was om het leven van Jiftachs dochter te redden. Pinchas voelde zich te hoog verheven, 'ik ben immers hogepriester en de zoon van een hogepriester; zou ik mij moeten vernederen om naar een domkop ( am ha-arets ) als Jiftach te gaan?'. En Jiftach voelde zich precies zo hoog verheven, ‘ik ben het hoofd van de stammen van Israel en de chef van de rechterlijke macht, moet ik mij vernederen om naar een gewoon burger te gaan?'. De midrasj knoopt aan het verhaal van Jiftach de uitspraak van Misjlee/Spreuken vast (11:30): ‘ De vrucht van de rechtvaardige is een boom des levens, en  een wijs man vangt  zielen  ( lokeach nesjamot )' .  Misschien mogen we dat nu vertalen als: een wijs man zorgt ervoor dat hij geen domme commitments maakt, zich niet door valse trots laat leiden en daardoor het leven van mensen niet in gevaar brengt. Zo zien we, dat de midrasj een eeuwig probleem van de mensheid aankaart: prestige, hoogmoed, valse trots, arrogantie, noem maar op. Prestigestrijd heeft mensenlevens gekost en dat doet het nog steeds.

noten

(1) Vgl Deut/Devariem 20, bepalingen over oorlog, speciaal vers 10, ‘Voordat u een stad aanvalt, moet u eerst een vredesregeling aanbieden'.
(2) Zie voor meerdere commentaren op Choekat mijn boek
REIZEN DOOR DE TORA , deel 2, Van de Berg naar de Rivier,  Leviticus, Numeri en Deuteronomium Mastix Press, 2016
(3)  Midrasj Tanchuma Buber  Bechukotai 7:1
(4) ‘ Wanneer men zich realiseert, dat het onmogelijk is om een gedane gelofte te vervullen, kan men naar een grote geleerde gaan of naar drie leken om de gelofte te laten opheffen. Men moet dan verklaren dat men op het moment van het afleggen van de gelofte niet volledig de implicaties daarvan realiseerde. Had men zich dat wél gerealiseerd, dan had men deze gelofte nooit afgelegd. Daarom is de gelofte in dwaling geschied en kan hij opgeheven worden' (ontleend aan rabbijn mr. Drs. R. Evers, commentaar Matot-Masee, NIK)
(5) Chronologisch gezien kan het Pinchas niet geweest zijn, het drama speelt zo'n driehonderd jaar later

Haftara bij de parasja Korach

I Samuel 11:14-12:22

In de parasja Korach (Numeri/Bemidbar 16:1–18:32) (1) komen Korach en zijn aanhangers in opstand tegen het leiderschap van de oude leider Mozes en het hogepriesterschap van zijn broer Aharon. In de haftara gaat het om het leiderschap van Samuel (Sjemoeël). Samuel is de laatste rechter in een lange reeks rechters die 400 jaar lang de stammen van Israel hebben gericht. In de passages vòòr deze haftara wil het volk de oude profeet ervan overtuigen, dat alleen met het wereldlijk leiderschap van een koning de Israëlieten een kans maken in de strijd met de Filistijnen en andere naburige volken, zoals de Ammonieten.

Samuel voelt daar niets voor; weet wat je vraagt, zegt hij en besef wat de nadelen van een koning zijn, hoe deze uitgebreid beslag zal doen op zonen, dochters, have en goed, maar het volk houdt voet bij stuk. Samuel (als spreekbuis van de Eeuwige) geeft toe. Zo vindt de profeet met goddelijke leiding de stoere jongeman Saul (Sjaoel), die ook enige tijd later nog eens in een soort lotingsproces wordt aangewezen als de eerste koning van Israël, overigens niet met aller instemming. Saul bewijst zich echter als een succesvol legeraanvoerder tegen de Ammonieten en nu is iedereen overtuigd van zijn kwaliteiten. Samuel besluit zijn terugtreden als politiek en militair leider en het koningschap van Saul nogmaals te bevestigen in een massale bijeenkomst en viering te Gilgal; hier begint de haftara.

Na de feestelijkheden houdt Samuel een toespraak, die begint met een zelfrechtvaardiging; heeft iemand hem kunnen betrappen op onderdrukking, bedrog, wederrechtelijke verrijking of enig andere misdaad? Heb ik ooit iemand zijn ezel afgenomen? vraagt Samuel bijvoorbeeld (2) Het volk erkent dat Samuel het voorbeeld van integriteit is geweest. Dat geeft de profeet carte blanche om het volk nog eens voor te houden hoe het geprofiteerd heeft van de weldaden die de Eeuwige ook zonder een wereldlijke koning hen heeft bewezen, te beginnen met de uittocht uit Egypte. Maar telkens vergaten ze dat, vervielen in het dienen van afgoden en kwamen dan telkens in de macht van hun vijanden, waarop het volk dan spijt kreeg, de Eeuwige om hulp riep, die dan weer een redder in de nood stuurde zoals Gideon, Simson, Jefta en tenslotte Samuel zelf. Als jullie dan per se een koning willen, hier hebben jullie dan je koning, parafraseer ik de oude profeet, die zich in een onoplosbare spagaat voelt bevinden: hij is het totaal oneens met dat nieuwe koningschap en memoreert, dat eigenlijk de Eeuwige hun koning is.
Als klap op de vuurpijl demonstreert Samuel zijn bijzondere verhouding met de Eeuwige door het op zijn verzoek te laten donderen en stortregenen op de te velde staande nieuwe oogst zodat het volk zal inzien dat ‘een groot kwaad de Eeuwige is aangedaan door om een koning te vragen'. Het volk smeekt om redding van de atmosferische uiting van goddelijke woede maar blijft vasthouden aan Sauls koningschap. Samuel zegt dat de Eeuwige het volk desondanks niet in de steek zal laten mits het op het rechte pad blijft. Hijzelf zal zijn functie van profeet blijven vervullen.(3)

Het leiderschap van Mozes en de rechters na hem tot en met Samuel is een leiderschap dat profetie, wetgeving, rechtspreken en beleid in een nog ongedeeld geheel samenhoudt; Martin Buber noemt het theo-politiek leiderschap. Samuel lijkt op Mozes. Evenals Mozes had hij als profeet een lijntje' met de Eeuwige, functioneerde hij als priester, sprak recht en trad op als politiek en militair leider voor de twaalf stammen Israëls. Ook hij oefende theo-politiek leiderschap uit, maar in de passages van en rond deze haftara komt daar een verandering in, die bepalend zal zijn voor de verdere geschiedenis van de Israëlieten.

De stammen vormden aanvankelijk nog een overzichtelijke samenleving waar principes als rechtvaardigheid, gelijkwaardigheid van de stamleden en hulp aan de naaste nog ongedeeld samenvielen met ontzag voor de Eeuwige. Met de instelling van het koningschap leverden de Israëlieten zich met huid en haar uit aan een heerser. Het theo-politiek gezag werd gesplist in een seculier-politieke macht en een priesterstand voor godsdienstig gezag. Israël zal weliswaar als koninkrijk gaan meetellen met de andere rijken van het Midden-Oosten, maar ook vatbaar worden voor de misstanden die inherent zijn aan absolute heerschappij en autoritair geleide staten: immorele en in weelde levende elites, uitbuiting van verarmde massa's, onverantwoorde oorlogen. De clerus van priesters praten de heersers veelal naar de mond en laten het afweten hun taak van morele educatie te vervullen.

Is Israël met Saul en de koningen die nog zullen volgen echt opgeschoten ondanks de uiterlijke bloeiperioden onder koning David en Salomo? Misschien is het koningschap een onvermijdelijke fase geweest voor Israël (of de mensheid) in de geschiedenis. Eeuwen na het koningschap van Saul zal een nieuw soort profeten, eenlingen als Hosea, Amos, Jesaja en Jeremia met hun dringende stemmen herinneren aan de oorspronkelijke boodschap van Sinaï van rechtvaardigheid en omzien naar de naaste. De vraag is of we nu in morele zin erg veel verder zijn gekomen. Ook in deze tijd, waar sterke leiders oplossingen beloven en waar de CEO's van kolossale concerns machtiger zijn dan koningen en presidenten hebben we de dringende stemmen van moderne profeten nodig om de grote problemen van ongelijke verdeling van welvaart, medische voorzieningen en discriminatie tot ons te laten doordringen.

noten
(1) Commentaren op de parasja Korach zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 2 Leviticus, Numeri en Deuteronomium, en op mijn website
(2) en dat rijmt met de vraag van Mozes in de parasja Korach:  ‘Heb ik ooit iemand zijn ezel (Num/Bam 16:15)
(3) Het zou best kunnen, dat de bepalingen over het koningschap in Deuteronomium zijn geïnterpoleerd na minder goede ervaringen met koningen: Deut. 17:14-19 (bijv. mag hij niet teveel paarden en vrouwen hebben)

RC juni 2020

Haftara bij de parasja Sjelach lecha

Jozua 2:1-24

In de parasja Sjelach lecha lezen we hoe na twee jaar zwerftocht door de woestijn de Israëlieten zijn aangeland bij de grens van Kanaän. Vanuit het kamp worden twaalf mannen uitgezonden om het beloofde land incognito te verkennen en de morele en militaire kracht van de bewoners in kaart te brengen. De missie resulteert in een ontmoedigend verslag door tien van de twaalf uitgezondenen, hetgeen weer een grote crisis tot gevolg heeft onder het volk. (1) Pas veertig jaar later is een nieuwe generatie weer aangekomen bij de grens en zendt de opvolger van Mozes en nieuwe leider Jozua (Jehosjoea) vanuit Sjittim ten oosten van de Jordaan twee mannen de rivier de Jordaan over om het beloofde land te verkennen, in dit geval de stad Jericho en omgeving. Daarover gaat de haftara, het begin van het tweede hoofdstuk van het boek Jozua.

In Jericho aangekomen vinden de twee spionnen – de midrasj oppert, dat het Kaleb en Pinchas zijn (2) - een schuilplaats bij de prostitué ( zona ) Rachab (Rachav), die een woning heeft in de stadsmuur. Hoe ze daar gekomen zijn vermeld het verhaal niet. De koning van Jericho heeft er lucht van gekregen en hij sommeerde Rachav de mannen uit te leveren. De slimme vrouw had ze verborgen op het dak onder bundels vlas en zei met overtuiging dat de twee gezochten allang door de poort vertrokken waren, geen idee waarheen. De koning liet een achtervolging in gang zetten richting Jordaan. Daarna liet Rachab de mannen tevoorschijn komen. Ze vertelde, dat de inwoners van Jericho gehoord hadden over de wonderlijke doortocht van de Israëlieten door de Rietzee en over de recente nederlagen van de machtige koningen Sichon en Og ten oosten van de Jordaan, zaken die grote angst hadden veroorzaakt. Rachab zei, dat de God van Israël wel een God moet zijn die macht heeft in de hemel en op aarde. De verovering van de stad was niet meer te vermijden. Ze stelde de twee spionnen voor hen met een koord uit het raam van haar muurwoning te laten zakken naar buiten de stad op voorwaarde dat de Israëlieten haar en haar familie zouden sparen als ze de stad hadden veroverd, wat ongetwijfeld zou gaan gebeuren. De spionnen gingen daarmee akkoord als Rachab haar familie dan op dat moment in haar huis zou hebben verzameld en als teken daarvan het rode koord, waarmee ze nu neergelaten zouden worden, uit het raam zou laten hangen. Zo gebeurde het; de twee mannen hielden zich drie dagen schuil in het bergland en staken toen de Jordaan weer over. Ze meldden zich bij Jozua en ‘ze zeiden hem: “De Eeuwige heeft ons het hele land in handen gegeven, de inwoners zijn doodsbang voor ons.''' (2:24)

Uit het verhaal springt Rachab als een bijzondere vrouw naar voren. Ze besefte dat het volk van Israël onder bescherming stond van een heel bijzondere godheid en voorzag met een bijna profetische blik dat het lot van haar stad bezegeld was. Niet alleen heeft ze gezorgd voor levensbehoud voor haar en de haren. Met het partij kiezen voor de Israëlieten en de hulp aan de spionnen had ze de kans gegrepen om uit haar miserabel leven als hoer te stappen en ommekeer te doen naar een waardiger leven. Bij de regel ‘Ze liet de spionnen langs een touw door het venster naar beneden zakken.' (2:15) noteert de commentator Rasji (11 e eeuw), dat met hetzelfde koord haar minnaars naar boven kwamen om haar te bezoeken. Volgens de middeleeuwse meester zei Rachab: “Meester van de wereld met dit koord heb ik gezondigd, om dit koord (waarmee ik nu de mannen van uw volk redt) vergeef mij”. Het is nooit te laat en voor iedereen en in iedere levenssituatie mogelijk om ommekeer te doen.

Rachav, haar familie en bezittingen werden na de spectaculaire val van de muren van Jericho en bij de meedogenloze verovering van de stad inderdaad gespaard en ze sloot zich als een soort voorloopster van Ruth aan bij de Israëlieten. De midrasj (3) knoopt er nog een romantisch staartje aan, ze zou getrouwd zijn met Jozua en haar afstammeling was de profetes Hulda (Choelda), die aan koning Josia (7 e eeuw BCE) bevestigde, dat de bij de restauratie van de tempel gevonden boekrol inderdaad de woorden van de Eeuwige bevatte.(4)

Noten
(1) Commentaren op de parasja Sjelach lecha zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 2 Leviticus, Numeri en Deuteronomium, en op mijn website
(2) Midrasj Tanchuma Sjelach 1
(3) Talmoed Megilla 14b
(4) Zie 2 Koningen 22:14, men veronderstelt dat de wetsrol een (voorfase van het) boek Deuteronomium was

Haftara bij de parasja Behaälotcha

Zacharia 2:14-4:7

De parasja Behaälotcha (Numeri/Bamidbar 8:1-12:15) (1) begint met een bepaling over het aansteken door Aharon van de lampen van de tempelkandelaar, de menora. Hier ligt het aanrakingspunt met de haftara, die o.m. een visioen beschrijft van de profeet Zacharia (Zecharja), waarin de menora prominent voorkomt.

Zacharia was evenals de profeten Chaggai en Malachi sterk betrokken bij de herbouw van de tempel in Jeruzalem na de terugkeer van een groot deel van de ballingen uit Babylonische gevangenschap. Hij enthousiasmeerde de Joodse leiders om de bouw, die na een veelbelovend begin jaren stil had gelegen wegens de tegenstand van de in Judea achtergebleven bevolking, weer te hervatten. Dat gebeurt dan ook onder leiding van de Zerubbabel (Zeroebavel), de door de Perzen benoemd Joodse gouverneur, en de hogepriester Jozua (Josjoea) ben Jehozadak. De profeet voorziet een voorspoedig verder verloop.

Het (vierde) visioen van Zacharia begint met een beeld van de toekomst, waarin de Eeuwige present is te midden van een hersteld Judea en een herbouwd Jeruzalem met een nieuwe tempel. Vele andere volken aansluiten zich eerbiedig aan. Dan ziet de profeet in zijn visioen de hogepriester Jozua in vuile kleren voor een gerechtshof staan met een fervent beschuldigende aanklager ( satàn ) (2) en een engel die hem vrijpleit van de beschuldigingen (3). Jozua krijgt schone kleren aangetrokken en een schone tulband om het hoofd. Er zal een avdi tsemach – letterlijk: ‘mijn knecht spruit' - worden gezonden, woorden die in de Nieuwe Bijbelvertaling nogal vrij vertaald zijn met ‘mijn dienaar, de telg aan de stam van David'. De Engel zegt verder, dat als Jozua in Gods wegen zal wandelen hij hogepriester te midden van zijn metgezellen zal zijn en blijven. Een steen met zeven ogen op hem gericht zal voor hem neergelegd worden met een gravering daarop, die een vergeving van alle ongerechtigheid uit het verleden zal inluiden. Die steen is een toespeling op de gevelsteen van de nieuwe tempel, de zeven ogen verwijzen naar de zeven lampen van de menora, die ‘de ogen (zijn) van de Eeuwige, die over de hele aarde rondgaan' (zie 4:10). Het visioen besluit met een idyllisch beeld van buren die ooit vredig bij elkaar zullen zitten onder de wijnrank.

In een volgend (vijfde) visioen wordt de profeet het beeld van die gouden tempelkandelaar getoond, de menora met zijn zeven armen en daarop de olielampen, geflankeerd door twee olijfbomen (die de hogepriester Jozua en Zerubbabel symboliseren); de olie druipt uit de olijven via een opvangbakje en een kanaaltje automatisch naar de olielampen van de menora. Wat betekent dat? Vraagt de profetische dromer en de engel die hem dit beeld getoond heeft antwoordt:
Dit is het woord van de Eeuwige tot Zerubbabel:
Niet door kracht en niet door geweld,
maar door Mijn Geest,
zegt de Eeuwige van de legermachten.

Op onze beurt vragen wij weer wat dit betekent. De middeleeuwse commentator Rasji heeft een nuchtere historische verklaring: de herbouw van de tempel door bouwleider Zerubbabel zal verder ‘geolied' verlopen zonder te hoeven vechten tegen allerlei vijanden en de ‘geest Gods' zal rusten op de koning van Perzië, Darius (die inderdaad zijn volle medewerking zal blijken te leveren, zie Ezra 6).

Het beeld van de menora, geflankeerd door twee olijfbomen, wordt gebruikt als meditatieobject, gecombineerd met psalm 16:8: ‘Ik stel mij de Eeuwige voortdurend voor ogen', zeg maar een joodse mantra: Sjiviti Hasjem lenegdi tamied' .Zo wordt die afbeelding ook genoemd: een ‘Sjiviti', hij hangt in vele synagoges en wordt nog steeds gebruikt als inspiratie voor meditatie en meditatief tekenen en schilderen

‘Niet door kracht en niet door geweld, maar door Mijn Geest'. Het is een adagium, dat gezien de enorme problemen van nu extra actualiteit krijgt. Ik denk bijvoorbeeld aan de nu weer bloot komende rassenongelijkheid, de schrijnende verschillen tussen de rijke elite en de arme massa's en de ongelijke kansen op medische hulp, die in de coronacrisis extra (gaan) spelen. De toevlucht tot gewelddadige actie ligt al te vaak op de loer. Uit Zacharia's adagium is inspiratie te putten voor het idee, dat met geloof, enthousiasme en intelligentie grote heilzame oplossingen ook zonder dwang en geweld tot stand kunnen worden gebracht

Noten
(1) Commentaren op de parasja Behaälotcha zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 2 Leviticus, Numeri en Deuteronomium, en op mijn website
(2) Het is hier dat het woord ‘satan' voor de eerste keer in de bijbel voorkomt. In de Joodse geschriften en de midrasj is hij niet de christelijke duivel, maar meer een funktionaris aan het hof van de Eeuwige, een aanklager, een soort officier van justitie, vgl ook het boek Job.
(3) Vele priesters onder de uit ballingschap teruggekeerde Joden werden gemakzuchtig en verwaarloosden hun educatieve taak, vgl Malachi hfst 2. Josjoea hoorde hier kennelijk niet toe.


RC juni 2020

De haftara bij de parasja Naso

Rechters 13:2-25

In de parasja Naso ( Numeri/Bamidbar 4:21–7:89)  staan onder de vele onderwerpen, die te maken hebben met de inwijding van de misjkan (tabernakel) en het aanstaande vertrek van de Iraelieten na het tweejarig verblijf in het kampement bij de berg Sinai nog een aantal andere bepalingen. (1) Een daarvan heeft betrekking op de gelofte een tijd lang nazier te zijn. De nazireeër doet de gelofte geen alcohol of welk druivenproduct ook tot zich te nemen; ook zal hij zijn hoofdhaar niet afscheren en niet in de nabijheid van een dode komen. Ze wijden zich (hun leven of een deel ervan) aan God. De haftara gaat over de meest bekende nazier uit de Tanach, Samson (Sjimsjon) en wel over zijn geboorte.

Het geboorteverhaal van de held vertoont een bekend beeld (literair gezien een ‘topos'), dat we vaak zien bij de geboorte van iconische figuren: de onvruchtbare vrouw krijgt onverwacht toch door een engel een kind aangekondigd, zie Sara en Isaac, Chana en Samuel, Maria en Jezus. Een engel verschijnt op het veld aan de vrouw van Manoach (2) en kondigt de tot dan ongewenst kinderloze vrouw de geboorte van een zoon aan, die geen wijn, sterke drank on onrein voedsel tot zich zal mogen nemen, zijn haar niet mag afscheren, kortom die een ‘nazireeër zal zijn voor God' en ‘die een begin zal maken met de verlossing van Israël van de Filistijnen'. Het uitzonderlijke van het nazireeërschap van Samson was, dat hij in de buik van zijn moeder al ertoe was voorbestemd, hoewel de gelofte normaal gesproken een bewuste besluit eiste van een volwassen man.(3)

De vrouw brengt verheugt haar man de tijding ‘en vertelde hem dat er een Godsman bij haar was geweest. “Hij zag er bijzonder ontzagwekkend uit”, zei ze, “het leek wel een engel van God”'. Manoach bad en vroeg om de man Gods nogmaals te laten verschijnen en waarachtig, hij kwam weer bij de vrouw die Manoach er snel bij haalde. De engel herhaalde zijn aankondiging en zijn instructies en Manoach nodigde hem uit om een geitenbokje voor hem klaar te maken, maar de engel sloeg dat af en stelde voor het als offer aan de Eeuwige te brengen. Dat deed Manoach en tot hun verbijstering steeg de engel in de vlammen op ten hemel. De geschrokken man viel op zijn knieën, bang als hij was te sterven nu ze een goddelijke verschijning hadden gezien, maar vrouwen hebben vaak een dieper zicht op de gebeurtenissen, zijn echtgenote zei: ‘Als God ons had willen doden, had hij vast ons offer niet aanvaard en ons niet laten zien wat we nu gezien hebben. En dan had hij ons daarnet zeker niet zulke beloften gedaan.'

In de tijd van de Rechters vormden de stammen een los verband van voornamelijk wederzijdse militaire bijstand in noodgevallen. En dat gebeurde nogal eens, als Ammonieten, Midjanieten, Filistijnen en andere buurvolken hen weer eens in het nauw hadden gebracht. Dan herinnerden ze zich die bijzondere ene God van Mozes, die ooit hen uit de handen van de Egyptenaren had gered aan en wiens tabernakel nog stond in Sjilo. Die God werd, hoewel al als enig en onzichtbaar aangemerkt, toch sterk gepercipieerd met de trekken van een soldateske stamgod, die dan steeds weer, al dan niet middels een engel, een redder uit het volk aanwees, de zogenoemde Rechters. Het waren allen aanvoerders in de strijd die (een deel van) de stammen verenigden en de tegenstanders al dan niet met meer of minder strategie versloegen. Zo gingen Otniël, Debora en Barak, Gideon, Jefta (Jiftach) en anderen Samson voor. Met Samson was het een ander geval; met de lichamelijke kracht van één krijgsheld zou Israël van zijn Filistijnse onderdrukkers verlost gaan worden. Als we over zijn hele leven lezen zien we een man voor ons oprijzen vol hartstocht, ongeduld, lichtgeraaktheid, geweld en ontvlambaar voor vrouwen. Juist op hem rustte de last van het nazireeërschap, waar onthouding van wereldse lusten de gelofte is. Dat ook zijn moeder al tijdens de zwangerschap zich hield aan de regels van de nazier kon niet verhinderen, dat de sterke man toch uiteindelijk zou bezwijken aan de verleidingen. We zien hem worstelen om zijn erotische en agressieve aandriften tevergeefs in de hand te houden. Zijn avonturen spelen zich allen af rond vrouwen en de frustraties, die hij aan hen opdeed vormden zowel de aanleiding tot heldendaden als oorzaak van zijn ondergang.

Noten

(1) Commentaren op de parasja Nasozijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 2 Leviticus, Numeri en Deuteronomium, en op mijn website
(2) De Talmoed levert over dat haar naam Tzelelponit was (Bava Batra 91a, waar ik een aantal andere moedernamen worden genoemd, die in de Tanach niet worden vermeld)
(3) Sjimsjon was nazireeër van de baarmoeder tot het graf. Bijbelwetenschappers dateren het optekenen van de passages over de nazir in Bamidbar/Numeri later dan de verhalen van Sjimsjon; die optekening zou dan de bedoeling hebben gehad om deze wat duistere mystieke gelofte van afgezonderdheid van de samenleving aan grenzen te binden. Vandaar dat hij is ingekleed als een gelofte die een tijdelijke aard heeft en die met de benodigde plechtigheid kan worden beëindigd.

RC mei 2020

De haftara bij Sjawoeot

Jeremia 31:29-36.

Donderdagavond is het feest van Sjavoeot ofwel het Wekenfeest begonnen. Oorspronkelijke een viering van de eerste graanoogst is het ook het feest geworden van de schenking van de Tora bij de heilige berg Sinaï, als het ware de spirituele oogst van de bevrijding uit de Egyptische onderdrukking. Gelezen wordt uit de Tora over de Tien Uitspraken (1) en over de instelling van Sjavoeot (2) De haftara bij het Wekenfeest is Jeremia (Jirmejahoe) 31:29-36, althans volgens de liturgische kalender van Het Verbond voor Progressief Jodendom in Nederland. (3)

De tekst uit het boek Jeremia is een messiaanse profetie over het herstel van Israël en Juda.

31:29. Dan zal men niet meer zeggen: “Als de ouders onrijpe druiven eten, krijgen de kinderen stroeve tanden,” 30. maar zal wie zondigt om zijn eigen zonden sterven. Wanneer iemand onrijpe druiven eet, zullen zijn eigen tanden stroef worden .

Deze woorden lijken een correctie op de onbillijk aandoende uitspraak in de Tora dat de zonden der vaderen worden verhaald op de kinderen tot het derde en vierde geslacht. (4) Jeremia wil duidelijk maken, dat ieder mens alleen voor zijn eigen daden rekenschap zal hoeven af te leggen. In de Tora staat dat min of meer overigens ook al: De vaders zullen niet gedood worden voor hun kinderen en de kinderen zullen niet gedood worden voor de vaders; eenieder zal om zijn eigen zonde gedood worden.(5) (6)

In het volgende stukje doet de profeet als spreekbuis voor de goddelijke stem een aantal prikkelende voorzeggingen over een geheel nieuw verbond, dat blijkbaar het verbond van Sinai zal vervangen, het verbond, waarvan de sluiting deze dagen van Sjavoeot is herdacht en gevierd.

31:31. De dag zal komen – spreekt de Eeuwige – dat ik met het volk van Israël en het volk van Juda een nieuw verbond sluit, 32. een ander verbond dan ik met hun voorouders sloot toen ik hen bij de hand nam om hen uit Egypte weg te leiden. Zij hebben dat verbond verbroken, hoewel ze mij toebehoorden – spreekt de Eeuwige.

Nu is in Tora en Tanach het verbond van Sinaï meermalen opnieuw gesloten, de eerste keer door Mozes zelf vlak voor zijn dood. (7) Het betrof steeds duidelijk een opnieuw gemaakt commitment aan het oude verbond. Maar de term nieuw verbond – briet chadasja – wordt in Tanach alleen op deze plaats gebruikt, met de expliciete vermelding, dat het een ander verbond zal zijn dan het verbond van Sinaï. Wat voor verbond dan?

Het is volgens mij niet vruchtbaar een definitief antwoord op deze vragen af te kondigen. Beter is de openheid die deze vragen ademen te behouden en geen deuren te sluiten. Dat is wel gedaan in het christendom. Zo heeft de apostel Paulus naarstig gezocht naar passages bij de profeten die als voorspellingen konden worden opgevat van zijn leer, dat met de kruisdood van Jezus het oude verbond van Sinai was afgeschaft en een nieuw verbond voor de hele mensheid in werking was getreden, waarin geloof in Jezus als messias voldoende was voor verlossing. In de ‘briet chadasja' van Jeremia vond hij bij uitstek een rechtvaardiging. Hij (of een nauw met hem verbonden leerling) citeert letterlijk de betreffende passages in de Brief aan de Hebreeen (Heb. 8:8 10:16 ev). Hij legt uit, dat met de woorden van de profeet niet minder dan het nieuwe verbond rond Jezus Christus werd bedoeld. Messiaanse Joden noemen dan ook het zg Nieuwe Testament de ‘briet chadasja'. Door vele christelijke theologen is, vooral gelukkig vooral in het verleden, de opvatting verdedigd, dat het zogenoemde nieuwe verbond superieur was aan het oude verbond en dit geheel overbodig maakte (het zogenoemde supersessionisme of subsidiariteitsprincipe: de kerk neemt de plaats in van Israël). Dat heeft gezorgd voor veel ellende waarover ik hier niet hoef uit te weiden.

Maar de tekst van Jeremia gaat verder:

31:33 . Maar dit is het verbond dat ik in de toekomst met Israël zal sluiten – spreekt de Eeuwige: Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en hem in hun hart schrijven. Dan zal ik hun God zijn en zij mijn volk. 34 Men zal elkaar niet meer hoeven te onderwijzen met de woorden: “Leer de Eeuwige kennen,” want iedereen, van groot tot klein, kent mij dan al – spreekt de Eeuwige. Ik zal hun zonden vergeven en nooit meer denken aan wat ze hebben misdaan .(8)

Voor de Christenen gelden de mitswot en leefregels (halachot) sinds Paulus allang niet meer. Zal dat dan volgens de profeet in die messiaanse tijd ook niet voor de Joden opgaan? (9) Hoeven ze dan niet meer in boeken geschreven te zijn en hoeven ze niet meer bestudeerd te worden, omdat ze in hoofd en hart al bekend zijn? Is de Eeuwige kennen hetzelfde als het a priori al vertrouwd zijn met de regels en de mitswot? Maar zonder enige opvoeding of onderwijs is dat toch moeilijk denkbaar. Of valt dat kennen van de Eeuwige geheel samen met een bij ieder mens al van nature ingedaald automatisch weten en doen van wat het goede is? Komen we uiteindelijk uit op een spectaculaire spirituele transformatie, een mutatie van geest en handelen van de (Joodse) mens naar een nu nog lang niet gerealiseerd hoog peil? Of is er niet zozeer sprake van een plotselinge al dan niet vanuit de godheid komende mutatie maar eerder van een heel geleidelijk proces, dat nu al in ons innerlijk kan beginnen of zelfs al begonnen is? Zoals we ons ontwikkelen in wetenschappelijk en technologisch opzicht, zo kunnen we ook langzaam vooruitgaan in moreel en spiritueel bewustzijn, zoals een bergbeklimmer die bijna onmerkbaar traag omhoogklautert naar de top – een meter winst tegen achtennegentig cm terugval – om daarin op den duur een zodanig niveau bereiken, dat de mitswot (en in het algemeen normen en regels van fatsoen, geboden van gerechtigheid en omzien naar anderen) ons niet meer hoeven te worden voorgehouden en opgelegd.

noten

( 1)Exodus/Sjemot 19:1- 20 - 20:14 – 23
(2) Deuteronomium/Devariem 16:9-12
(3 Overal elders zie ik als haftara Ezechiël 1:1-28-en 3:12 over zijn bekende visioen van de troonwagen. Plaut geeft voor de eerste dag Jesaja 42:1-12 (G Plaut: The Torah, a modern commentary)
(4)Numeri /Bamidbar18:20; Exodus/Sjemot 34:6-7
(5)Deuteronomium/Devariem 24:16
(6) Vgl ook Ezechiël 18:20: ‘Iemand die zondigt zal sterven, maar een zoon hoeft niet te boeten voor de schuld van zijn vader, en een vader hoeft niet te boeten voor de schuld van zijn zoon; wie rechtvaardig is wordt als een rechtvaardige behandeld, en een slecht mens wordt voor zijn slechte daden gestraft'.
(7) Vernieuwing van het Verbond door Mozes vlak voor zijn dood zie Deut/Dev 29:1,9), door Jozua vlak voor zijn dood (Joz 24:25, door de hogepriester Jojada (jehojada) bij het aantreden van koning Joas (Jehoaz) (2 Kon 11:17), door koning Josia (Jehosjia), toen het wetboek in de tempel werd gevonden (2 Kon 23) en onder Ezra, toen het door hem hernieuwde wetboek aan het volk werd voorgelezen (Nehemia 9)
(8) Vgl ook Ezechiel 32:19: Ik zal hun één hart geven en een nieuwe geest in uw binnenste geven. Ik zal het hart van steen uit hun vlees wegdoen en hun een hart van vlees geven, 20. zodat zij in Mijn verordeningen gaan en Mijn bepalingen in acht nemen en die houden. Dan zullen zij Mij een volk zijn, en zal Ík hun een God zijn.
(9) De Joodse traditie is enorm uiteenlopend wat betreft de vraag: gelden Tora en mitswot nog in de messiaanse tijd. De mainstream zegt ja (zie bijv The Jewish Encyclopedia onder Covenant ). Een interessante discussie vond plaats tussen Rabbijn Nathan Cardozo en Yehudah DovBer Zirkind . Daarin wordt ook de uitspraak in de Talmoed vermeld van Rav Josef, die zei: mitzvot beteilot le-atid lavo, in de toekomst zullen de mitswot zijn afgeschaft.(Talmoed Nidda 61b) Hij zei dit in een discussie over niet-kosjere kleding ( kilayiem , verboden combinaties, i.c. een linnen kleed, waarin ook wollen draden voorkomen). Zo'n kleed mag je niet aan een niet-Jood verkopen en ook niet gebruiken als zadelkleed, maar wel als doodskleed, om een dode in te wikkelen. Dus dan zijn de mitswot in de toekomst afgeschaft, zei Rav Josef. Waarom? Want dan is het dus toegestaan dat na de opstanding van de doden in de komende wereld de opgestane zich gekleed aantreft in een niet-kosjer kleed. Een typische talmoedische redenering, die ons toch niet veel verder brengt.

RC mei 2020

Haftara bij de parasja Bamidbar

I Samuël 20:18-42 (Sjabbat Machar Chodesj )

Gewone Jaren Hosea 2:1 - 2:22 (1)

Dit jaar valt de sjabbat op de dag voor de eerste dag van de nieuwe maand (Rosj Chodesj), het is Sjabbat Machar Chodesj (letterlijk: sjabbat morgen nieuwe maand) en dan wordt niet de reguliere haftara gelezen maar I Samuël 20:18-42, het prachtige verhaal over de grootste mannenvriendschap in de hele Tanach.

Al bij hun eerste kennismaking was het raak. Toen de jonge David na het verslaan van de reus Goliat bij koning Saul (Sjaoel) en diens zoon Jonatan (Jehonatan) kwam, het hoofd van de Filistijn nog in de hand, ‘werd de ziel van Jonatan verbonden met de ziel van David en Jonatan hield van David als van zichzelf ‘(1 Sam 18:1). David werd opgenomen in het gevolg van de koning en bleek een rijzende ster te zijn in allerlei militaire ondernemingen tegen de Filistijnen. Naarmate de populariteit van de jonge legeraanvoerder bij het volk steeg vatte een groot wantrouwen bij de koning post: David was vast van plan hem van de troon te stoten. Toen de ook muzikaal begaafde David de melancholieke koning met harpspel in een betere stemming trachtte te brengen wierp de koning plotseling een speer naar de muzikant, die deze maar net kon ontwijken; een boze geest was in de koning gevaren. Nu zouden we zeggen, een ongeneeslijke paranoia kwam over hem.

Dat was het begin van een reeks pogingen van Saul om David te doden, hoewel de man daartoe geen aanleiding gaf, zoals zijn vriend Jonatan aan zijn vader Saul trachtte uit te leggen. Dat leidde ertoe dat David zich schuil moest houden op een plek buiten de stad. Hij vroeg de hulp van Jonatan om uit te zoeken of de koning het werkelijk op zijn leven had voorzien. De prins zegde zijn medewerking toe.

Hier beging de haftara met vers 18, waarin - zie het verband - de nieuwe maan wordt vermeld: ‘Daarna zei Jonathan tegen hem: Morgen is het nieuwemaan ( machar chodesj ); dan zul je gemist worden, want je zetel zal leeg zijn'. Op de eerste dag van de nieuwe maand zat de koning immers altijd met zijn staf aan een feestmaal aan. Rondom dit gegeven werd een plan gesmeed. David was er deze nieuwemaansdag dus niet bij. Op de tweede dag van het nieuwemaansfeest merkte de koning dat David alweer afwezig was en vroeg een verklaring. Jonatan zei volgens plan: David was op familiebezoek in Betlehem. De vrienden hadden afgesproken: als de koning dit zou accepteren was er niets aan de hand, als hij razend zou worden zou het duidelijk zijn: David was ten dode opgeschreven. Het laatste was het geval: de koning kreeg een woedeaanval, viel uit tegen Jonatan en beval David onmiddellijk op te sporen. Jonatan ging de volgende dag de stad uit en schoot drie pijlen af op een rots in de buurt van Davids schuilplaats. Als er geen gevaar voor David zou blijken te zijn zou hij naar de schildknaap die de pijlen moest oprapen roepen: dichterbij! Was Davids leven in gevaar dan zou hij roepen: verder weg! Dat laatste deed hij dus nu Sauls voornemen duidelijk was: David moest vluchten voor zijn leven. Toen de schildknaap was weggestuurd kwam David tevoorschijn, hevig geëmotioneerd. (20:41) ‘Hij wierp zich met het gezicht ter aarde. Hij boog zich driemaal, zij kusten elkaar, en huilden met elkaar, totdat David zich vermande'.
Zo namen ze afscheid van elkaar, zworen elkaar nog eenmaal trouw en hebben elkaar nooit meer gezien.(2)

David heeft daarna jarenlang een leven geleid als een niets en niemand ontziende roverhoofdman van een bende getrouwen met wie hij vele plundertochten ondernam. Af en toe zette Saul de jacht op zijn vermeende concurrent weer voort, maar kreeg hem nooit te pakken. Jonatan bleef zijn vader trouw. Jaren later verloor Saul een grote slag tegen de Filistijnen, waarbij hij sneuvelde. Ook Jonatan kwam daarbij om het leven.
Toen David daarvan hoorde hief hij een klaagzang aan over Saul, de koning die hij altijd ‘als gezalfde door de Eeuwige' altijd heeft willen respecteren en ondanks vele kansen daartoe nooit heeft willen doden.
Maar het diepste verdriet betrof Jonatan (2 Sam 1,25):
Jonatan ligt gesneuveld op de heuvels. Het verdriet verstikt me, Jonatan, je was mijn broeder, en mijn beste vriend. Jouw liefde was mij dierbaar, meer dan die van vrouwen.

De vriendschap tussen David en Jonathan oversteeg de gewone vriendschap, die toch meestal berust op gedeelde belangen, lotgenootschap, aantrekkingskracht of sympathie. Jonathan had geen enkel voordeel van David, integendeel als kroonprins had hij eerder van David voor zijn positie te vrezen. Het was een zielsverwantschap die boven alle belangen uitsteeg en die je zelden aantreft. Hij deed mij denken aan de vriendschap van Michel de Montaigne (1533-1592) voor Etienne de La Boétie, ‘een vriendschap die zo volmaakt en totaal was, dat je iets dergelijks in de literatuur beslist niet gauw zult tegenkomen en waarvan onder onze tijdgenoten al helemaal geen spoor valt te bekennen. Om een dergelijke vriendschap op te bouwen moeten zoveel gunstige omstandigheden samenwerken, dat het al veel is, als zoiets eens in de drie eeuwen voorkomt', zegt hij in zijn bekende essay ‘Over vriendschap'.(3) De erudiete Montaigne dist een aantal voorbeelden uit de klassieke oudheid op, maar verwonderlijk is dat hij de liefde van David en Jonathan onvermeld laat.

noten

(1) De parasja Bamidbar gaat voornamelijk over de volkstelling die Mozes houdt alvorens op te breken en verder de woestijn in te trekken. De eerste woorden van de reguliere haftara – in dit geval Hosea 2:1 - 2:22 – bij de parasja sluiten daar mooi bij aan (2:1): Maar eens zullen de kinderen van Israël talrijk zijn als zandkorrels aan de zee, die niet te meten en niet te tellen zijn. En waar tegen hen gezegd is: “Jullie zijn mijn volk niet meer,” zullen ze weer kinderen van de levende God worden genoemd'. De verzen gaan verder met de metafoor van de ontrouwe vrouw, die Israel is.
Commentaren op de parasja Bamidbar zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 2 Leviticus, Numeri en Deuteronomium, en op mijn website
(2) Aldus zegt de Herziene Statenvertaling. ‘Ze kusten elkaar terwijl hun de tranen over de wangen liepen, tot Jonatan zich vermande', zegt de Nieuwe Bijbelvertaling. Dat vermannen en wie zich vermant is een problematische vertaling. Het Hebreeuws zegt: ad Dawied higdiel . Het is dus David, die ‘higdiel', wat elders wordt vertaald met dat David Jonatan in huilen overtrof. Zie ook de Engelse vertaling op sefaria.org en Strongs Hebrew op biblehub.com. De Oude Statenvertaling zegt: tot dat het David gantsch veel maeckte.
(3) Michel de Montaigne, Over vriendschap, vertaling F. de Graaff, in de Revisor,
jaargang 18, p. 90 ev
. Zie ook dit citaat uit het essay: ‘Onze zielen zijn zo eensgezind samen hun weg gegaan en hebben elkaar met zoveel innige genegenheid bezien en elkaar met dezelfde gevoelens tot in het diepst van hun innerlijk doorschouwd, dat ik hem niet alleen even goed ken als mijzelf, maar, waar het mijzelf betreft, nog eerder op hem dan op mijzelf afga'.

RC 2020

Haftara bij de parasjot Behar-Bechoekotai

Jeremia16:19-17:14

De parasja Bechoekotai (Leviticus/Wajikra 25:1-27:34) begint met de zegen en de vloek: als de geboden worden nagekomen zal het goed gaan, maar als jullie niet naar mij luisteren en jullie al deze voorschriften niet doen zal een lange reeks rampen volgen. Ballingschap is een daarvan: ‘En jullie zal ik onder vreemde volken verstrooien; je zult moeten vluchten voor het getrokken zwaard. Je land zal een woestenij zijn en je steden zullen in puin liggen'. (1) Jeremia (Hebreeuws: Jirmejahoe), de tweede van de drie zogenoemde grote latere profeten, profeteerde tijdens de regering van de laatste koningen van Juda (7 e eeuw BCE), vaak met levensgevaar, tegen de wetteloosheid en verval van zeden, verwaarlozing van armen en afgodendienst; hij voorzag dit rampzalig gebeuren - de verwoesting van de stad en de wegvoering in ballingschap van talloze Judeeërs. - . Hij maakte het look persoonlijk mee en vluchtte naar Egypte waar hij tot zijn dood actief bleef profeteren.

De haftara uit het boek Jeremia getuigt van een grillige afwisseling in thema's. Wat aansluit op de parasja zijn de waarschuwingen van ramp en ondergang, zoals
(17:3) ‘Jullie die de stad verlaten en de bergen zoeken, je rijkdom, schatten en offerhoogten laat ik plunderen, om de zonden die jullie overal hebben begaan. Het land dat ik je schonk, zul je moeten verlaten, ik maak je de slaaf van je vijanden in een onbekend land. Want mijn toorn slaat uit als een vuur en zal altijd blijven woeden'.

Maar ook stelt de profeet immorele praktijken aan de kaak, bijv. in 17:11.: zoals een patrijs die de leg van een ander uitbroedt is hij die onterechte rijkdom heeft vergaard

Daartussendoor komen belijdenissen van en oproepen tot godsvertrouwen, die de profeet tussen alle beelden van komend onheil en scherpe confronterende vertogen steeds uitspreekt.
Zo begint het haftara gedeelte met (16:19). ‘O Eeuwige, mijn kracht en mijn burcht, mijn toevlucht in tijden van nood. Van de einden der aarde komen alle volken naar u toe. Ze zullen zeggen: “De goden van onze voorouders blijken niets dan bedrog”'.
Voorbij aan alle komende catastrofes voorziet de profeet in verre verten uiteindelijk een grote mondiale wending ten goede. Herkenbaar in zoverre ook wij nu nog steeds in de grootste ellende onszelf en de ander willen bemoedigen met een ‘ooit wordt het beter' en ‘alles komt goed'. Maar wie zei ooit: het kenmerk van de masjieach (messias) is, dat hij altijd en voor eeuwig komende is? (2)

Het thema vertrouwen houdt de profeet herhaaldelijk bezig. Wie alleen op de eigen kracht van mensen vertrouwt en niet op de Eeuwige is als een dorre struik in de woestijn, maar wie vertrouwt op de Eeuwige is als een boom geplant aan water.
Een markant vers pleit voor de erkenning, dat we onszelf en onze aandriften eigenlijk amper kennen. (17:9) ‘ Niets is zo onbetrouwbaar als het hart, onverbeterlijk is het, wie zal het kennen? Ik, de Eeuwige, ben het die het hart doorgrondt, die nieren toetst, die ieder naar zijn levenswandel beloont, aan ieder geeft wat hij verdient'.
Dat verdienen moeten we denk ik niet zien als een materiele beloning of een plekje in de hemel maar als een gerust en vreedzaam gemoed aan het eind van het leven.

Ik beluister in deze oude woorden een aanmoediging om de grenzen van de menselijke maakbaarheid te erkennen, een reminder de beperktheid van onze zelfkennis te aanvaarden en een aansporing om open te staan voor de mogelijkheid van groei in de kwaliteiten van geest en ziel.
Wie voldoende innerlijke grond heeft waarop hij of zij kan staan kan de moed hebben om zijn of haar onvolmaaktheid onder ogen te zien.(3)
Dan heeft de smeekbede van vers 17:14 waarmee de haftara besluit een bijzondere kracht:

‘Genees mij, Eeuwige, en ik zal genezen worden,
verlos mij, en ik zal verlost worden,
want U bent mijn lofzang'.

Dit vers is opgenomen in de achtste zegenspreuk van de doordeweekse versie van het dagelijks gebed (de Amida ofwel het Achttiengebed)

noten
(1) Commentaren op de parasja Behar en Bechoekotai zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 2 Leviticus, Numeri en Deuteronomium, en op mijn website
(2) Ik meen dat de filosoof Jacques Derrida hier uitgebreid over heeft geschreven.
Ik vond het volgende citaat: Voor Derrida alsook voor Levinas komt er een fundamentele transformatie van de menselijke conditie nooit. De messias is niets anders dan de plek of niet plek waarvandaan voortdurende profetische kritiek komt en voortdurend gevecht tegen ‘sociaal onrecht'. Hij is altijd en voor eeuwig komende.(uit ed. Asher en Gad Horowitz, Difficilult Justice, Commentaries on Levinas and politics)
(3) Ik bedoel met ‘eigen onvolmaaktheid' dus niet het ontbreken van eigenwaarde, dat het zelfgevoel ondermijnt maar een reële inschatting van de eigen plek op de levensweg

Haftara bij de parasja Emor

Ezechiël 44: 15-31

Ezechiël (Jechezkel) profeteerde aan de rivier de Chebar in Mesopotamië als balling door de geest bevangen doem en retributie voor Jeruzalem, Israël en de omringende landen in het toenmalig Midden-Oosten. In het derde deel van het boek breken echter vergezichten door over de opstanding en het herstel van Israël in een verre toekomst van messiaanse allure. Beroemd is het visioen over de dode botten die zich weer voegen tot levende lichamen.

In het laatste deel, de hoofdstukken 40-48 heeft de profeet een gedetailleerd vergezicht over de toekomstige tempel in Jeruzalem inclusief alle bijbehorende heilige attributen.

Ezechiel, zelf uit een priestergeslacht, moet ontsteld zijn geweest door het verval van de geestelijke stand rond de tempel in de tijd van de koningen van Juda. Zijn passie is als het ware om ooit terug in Jeruzalem opnieuw te beginnen met een splinternieuwe tempel en een gezuiverde priesterstand. Bijna als een tweede Mozes krijgt hij in visioenen de details voor die tempel doorgegeven samen met de rituelen en de regels voor de priesters ( kohaniem ). De haftara, de verzen 44: 15-31, handelt over de priesters van de nieuwe tempel en resoneert daarmee op het eerste deel van de parasja Emor (Leviticus/Wajikra 21:1-24:23) waarin Mozes voorschriften geeft over hoe de priesters hun heiligheid voor de cultische diensten dienen te bewaren. Het gaat bijv. over welke huwelijken zijn toegestaan, over hun kleding en uiterlijk, over het aanraakverbod van doden, over wie wel en wie niet mag eten van de offergaven.(1) Ezechiël doet dat in de haftara nog eens dunnetjes over.

Alleen de afstammelingen van Zadok ( Tsadok ), de hogepriester tijdens de koningen David en Salomo, de enigen die nog enige wetsgetrouwheid hebben betracht, komen in aanmerking. Ook Ezechiël die een goed kenner was van de heilige geschriften heeft het over de kleding van de priesters(linnen) binnen het heiligdom, kapsel (niet kaal, netjes gekapt), gedrag (geen wijn drinken), huwelijk (maagden, geen weduwen of gescheiden vrouwen). Ze zullen ook een onderwijstaak hebben en geschillen beslechten in overeenstemming met de regels van Tora. Contact met dode lichamen is taboe, uitgezonderd die van enkele naaste familieleden. Van alle soorten verplichte en vrijwillige offers en gaven mogen ze eten en ook hebben ze recht op de eerstelingen van de oogst en het vee en ook van het eerste deeg ( challa , dat is de eerste betekenis). Onroerend bezit mogen de priesters niet hebben, want
‘Ik ben hun erfelijk eigendom. U mag hun in Israël geen bezit geven: Ik ben hun erfelijk bezit.'
Niet ritueel geslachte dode dieren of vogels mogen de priesters niet eten.

De voorschriften van Ezechiël wijken in details af van wat de Tora voorschrijft en laten nogal wat weg. Niet veel later zullen de overgeleverde teksten die zijn collega-priester en geleerde Ezra heeft samengesmeed tot wat wij nu de Tora noemen richting gevend zijn voor de tweede tempel.

Tot de verwoesting van de tweede tempel in 70 CE hebben priesters grote invloed gehad in het religieuze en politieke leven. Met name de hogepriesters in Jeruzalem hadden een politieke macht die niet veel onderdeed voor die van een koning en soms viel de functie soms samen. Priesters namen in aantal in de loop der tijd tot duizenden toe en woonden overal in Judea; je kan spreken van een priesterstand met aanzienlijke sociale status. Volgens een rooster hadden ze een paar dagen per jaar dienst in de tempel. Op den duur ontstond er een aristocratische elite van in luxe levende hogepriesterlijke families. Van werkelijk religieus leiderschap kon nauwelijks meer gesproken worden. In de eerste eeuw BCE werden hogepriesters zelfs benoemd door de Romeinse gouverneur. Tot de zeloten tijdens de opstand tegen de Romeinen een aantal over de kling joegen en uit hun midden een hogepriester benoemden, Pinchas ben Samuel, een eenvoudige metselaar en familie van de beroemde geleerde Hillel. Dat was de laatste hogepriester in de geschiedenis. De clerus is altijd vatbaar geweest voor corruptie en collaboratie.

Vanaf het begin van de religieuze geschiedenis zien we de priesterlijke stand steeds meer verweven met politieke macht. Tegelijk zien we tegenbewegingen opkomen, die trachten de authentieke spirituele een morele essentie van het Jodendom tegen hen veilig te stellen. Eerst zijn dat de profeten, waarvan wij er vele al de revue hebben laten passeren. Na de terugkeer uit de Babylonische ballingschap komt er geleidelijk een nieuwe groepering op van deskundigen in de leer, die de Tora weer als leidraad voor de praktijk van het leven in een nieuw licht gaan uitleggen, de farizeeën, de ‘liberalen' van toen. Na de verwoesting van Jeruzalem gingen zij over in de geleerden van de Talmoed en legden de basis voor wat wij nu het rabbijnse Jodendom noemen. Rabbijnen zijn geen geestelijken, maar leraren.

Toch zijn de priesters niet verdwenen. In talloze families is de afstamming van priesters van generatie op generatie overgeleverd, wat tot uiting kan komen in de naam Cohen, Cohn, Cahen, Katz en vele andere varianten. Ze worden in de dienst als eerste voor de Toralezing opgeroepen en mogen (althans in de orthodoxie) de priesterzegen uitspreken; ook het contact met een dode is voor hen taboe en op begraafplaatsen zijn speciale voorzieningen getroffen om hun aanwezigheid mogelijk te maken.

Noten
(1) Commentaren op de parasja Emor zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website .
(2) Een uitgebreid overzicht van de geschiedenis van het priesterdom vond ik in de Jewish Encyclopedia Vol 13 ed 1972 p.1082 ev

Haftara bij de parasjot Acharee Mot-Kedosjiem

Amos 9 :7-15

De parasjot Acharee Mot-Kedosjiem (Leviticus/Wajikra 16:1–20:27 ) van deze week gaan resp. over de grote verzoendag, priesterlijke reinheid en (in hoofdstuk 19) belangrijke morele voorschriften over goede en rechtvaardige omgang tussen mensen.
De haftara bij deze parasjot bestaat uit de laatste acht verzen van hoofdstuk 9 van het boek Amos. Amos, de eerste van de zogenoemde late profeten die hun woorden op schrift hebben gesteld (of laten stellen), was een klokkenluider van zijn tijd - het woelige Midden-Oosten in de 8 e eeuw BCE. Hij stelde de kloof tussen arm en rijk, uitbuiting, corruptie en schijnheiligheid van zijn wereld, het toen tamelijk welvarende noordelijke rijk Israël, aan de kaak en kreeg daaromtrent een aantal visioenen.
De haftara is het sluitstuk van zijn profetieën.
Nadat in de eerste helft van hoofdstuk 9 Amos nog eens in een vergezicht veel destructie en ellende voor Israël heeft gezien nemen zijn woorden een wending:
7 Bent U niet als de Cusjieten
voor Mij, Israëlieten?
spreekt de Eeuwige
Heb Ik Israël niet weggeleid
uit het land ?Egypte,
de Filistijnen uit Kaftor
en de Syriërs uit Kir?
Hier ligt waarschijnlijk een link met de parasja Kedosjiem. De woorden uit dit vers geven een tegengewicht tegen de hoogmoed die de Israëlieten zouden kunnen ontlenen aan een passage zoals die in Leviticus/Wajikra 20:26: U moet ?heilig? voor Mij zijn, want Ik, de Eeuwige, ben ?heilig. Ik heb u van de volken afgezonderd om van Mij te zijn . De Israëlieten moesten niet denken dat ze zo bijzonder onder de volken zijn. De Cushieten (Ethiopiërs) lijken door de profeet at random gekozen als volk, waar God ook naar omziet, al heeft Rasji een verklaring met een beroep op Jeremia (Jirmeja): zoals de donkere kleur van de huid van de Ethiopiërs aan hen vastkleeft, zo kleven ook Israëls zonden hardnekkig aan hen vast. God heeft de Israëlieten weliswaar geholpen om uit Egypte te vertrekken, maar ze zijn niet de enigen; hij heeft ook de Filistijnen uit Kaftor (Kreta) geholpen om Gaza en omstreken te bezetten en wat betreft de Syriërs (Arameeërs): Amos profeteerde eerder, dat ze naar Kir zullen worden weggevoerd, maar hij voorziet kennelijk (Rasji's uitleg volgend) dat ze weer uit Kir worden teruggebracht. Toch heeft de Eeuwige deze volken niet (Lev. 20:26) ‘ afgezonderd om van Mij te zijn . Dat geeft echter dus geen zekerheid, dat goddelijke bijstand in nood in alle omstandigheden is gegarandeerd. Integendeel, juist die speciale opdracht om een heilig volk te zijn door de toevertrouwde voorschriften van de Tora te volgen maken het niet makkelijker. Het is als een klas met leerlingen. De onderwijzer of onderwijzeres houdt van alle leerlingen, maar eentje krijgt extra bijles van meester of juf; als hij of zijn er een potje van maakt is de mislukking des te groter.

Amos voorziet echter ook een uiteindelijke goede afloop. Hiermee zet hij het paradigma voor de latere profeten: eerst komt de berisping, dan de rampen voor het ongehoorzame volk, dan een vorm van ommekeer ( tesjoeva ) en een visioen voor herstel van tenminste een overblijfsel van het volk in een voorspoedig en welvarend land.
Het lijkt wel of hij het heeft over het Israël, dat in de vorige eeuw tot nieuwe bloei kwam:

9:14-15 Zij zullen de verwoeste steden herbouwen en bewonen,
zij zullen wijngaarden planten en de
? wijn ? ervan drinken,
zij zullen tuinen aanleggen en de vrucht ervan eten.
15 Ik zal hen in hun land planten,
en zij zullen nooit meer weggerukt worden uit hun land,
dat Ik aan hen gegeven heb, zegt de Eeuwige, uw God.

Hoe zou hij reageren op het Israël van nu – en breder, op de wereld van nu?

RC 2020

naschrift

1. In de tijd van Amos waren er nog geen ‘Joden', hoewel je die term vaak in commentaren op teksten daterend van voor de ballingschap tegenkomt. Er waren bewoners van het noordelijke koninkrijk Israël (in bijbelteksten ook wel Jozef en Efraïm genoemd). De tien stammen die het rijk vormden zijn door de Assyriërs weggevoerd en uiteengevallen. We komen hen in de geschiedenis niet meer tegen behalve op duistere websites waarop mensen beweren af te stammen van de verloren stammen. Daarnaast had je de bewoners van het koninkrijk Juda (Judeeërs), bestaande uit de stam Juda waarin de stam van Simeon (Sjimon) was opgegaan en de stam Benjamin. Joden ontstonden in de ballingschap, toen de Judeeërs en de Benjaminieten samenbleven in Babylonie en een groot deel na de ballingschap naar Judea terugkeerde. We moeten ook de stam Levi deels meetellen, dus de met hen mee verbannen Levieten en priesters.

2. Het is velen opgevallen, dat als beloning van getrouwheid aan de voorschriften van de Tora bijv. in Deuteronomium en bij de profeten altijd alleen materiele zaken worden genoemd: welvaart, goede oogsten, tijdige regens, volle akkers, rijke wijngaarden, veel kinderen en overwicht op mogelijke vijanden. Waarom worden nooit spirituele beloningen beschreven, zoals wijsheid, verlichtheid, en – voor het rabbijnse Jodendom een item van belang - een leven na de dood (olam ha-ba)? Dat zijn toch de belangrijker zaken waar het om gaat. Rabbijnen hebben die vraag vaak gesteld. Veel te kort samengevat: je leest bijvoorbeeld over de opvatting, dat het voor de Tora zo vanzelfsprekend was, dat de ziel van de goede mens voortleeft na de dood, dat het niet nodig was dit expliciet te vermelden.
Maimonides stelt (Hilchot Tesjoeva 9:1) dat al die materiele zegeningen niet het doel zijn, maar het middel. Alleen in goede materiele omstandigheden heb je de tijd en de rust om Tora te studeren, wijsheid te vergaren, je te ontwikkelen en je verzekerd te weten van een plek in de komende wereld. Al in deze wereld (olam haz è) kan je een voorproef van de nabijheid van de Eeuwige ervaren. Zie de samenvatting van de rabbijnse discussie bij Nechama Leibowitz .

3. Twee opmerkingen: de Tora richt zich in de regel tot het collectief, is minder gefocust op het indidividu, dat nog niet zo als bepalende entiteit uit het collectief springt als in de individualistische moderniteit. Het welzijn en de (spirituele) ontwikkeling van het individu is ingebed in het collectieve proces.
Ten tweede is een paradigma van een straffende en belonende goddelijke autoriteit, heel onbevredigend geworden en niet meer houdbaar. Over hoe het wel werkt, laten we daar vol nieuwsgierigheid naar zoeken, over twijfelen, over antwoorden en dan weer open zijn voor nieuwe twijfel en nieuwe antwoorden. Want één ding is duidelijk: wij zijn maar een heel klein onderdeel van de schepping en de schepping is oneindig veel groter, ruimer, complexer dan wij zelfs met onze moderne wetenschap kunnen bevroeden. Laat ik Emmanuel Levinas parafraseren (uit een interview met France Guwy). Hij vat hier heel pregnant samen, waar het op aankomt: Het beroep dat mijn medemens op mij doet spreekt tot mij als een inbreuk op mijn natuurlijke neiging om alles om mij heen uitsluitend te zien, te duiden en te organiseren in het licht van mijn eigen lust of belang. Die potentiële goedheid, die in de mens geraakt wordt door (het gelaat zoals Levinas zegt van) de ander is eerder de weg naar het goddelijke dan het omgekeerde: dat hij tot het goede komt, uitgaande van een God. Ik zou zeggen, dat deze potentiele - Levinas zegt zelfs aangeboren – goedheid van de mens resoneert in de Tora, althans zeker in het ethische deel van de voorschriften, zoals die zijn neergelegd in bijv. hoofdstuk 19 van de parasja Kedosjiem

Haftara bij de parasjot Tazria-Metsora

Jesaja 66:10-23

De parasja Tazria (Wajikra/Leviticus 12-14) handelt over de reinigingshandelingen die de vrouw na de geboorte van haar kind moet verrichten; vervolgens gaat het hoofdstuk verder grotendeels over de huidziekte tsaraät , vermoedelijk een vorm van melaatsheid. Het is aan de priester om de diagnose te stellen en de verschillende reinigingshandelingen te verrichten. In de volgende parsje Metsora (Wajikra/Leviticus 14-16) volgen vergelijkbare reinigingsprocedures voor de aantasting van muren, gebouwen en kleden met tsaraät en voor onregelmatige vloeiingen uit de mannelijke en vrouwelijke geslachtsorganen.(1)

Het is logisch, dat dan een parallel met melaatsheid wordt gezocht in het boek Neviïem (Profeten) en zo komen we als haftara bij het mooie verhaal in 2 Koningen 4:42-5:19 over de genezing door de profeet Elisja van Naäman, de Aramese generaal, die leed aan melaatsheid ( metsora ). Maar nu hebben we deze week een andere haftara, Jesaja 66:10-23. Als een sjabbat valt vlak na of op het begin van een nieuwe maand (Rosj Chodesj) wordt er een andere dan de reguliere haftara gekozen. Dat is nu het geval. De maand Niesan is afgelopen en nu begint de maand Ijar

De verzen van deze haftara vormen het sluitstuk van het boek Jesaja. Ze zijn vermoedelijk geschreven onder de naam Jesaja door een man die eeuwen later leefde dan de Jesaja van het eerste deel van het boek. Hij moet het einde van de Babylonische ballingschap hebben zien aankomen of heeft hem zelfs meegemaakt.

Bij monde van deze Jesaja propageert de godheid en maker van alles nog eenmaal zijn grootheid. De hemelen zijn zijn troon en de aarde zijn voetenbank. Een tempel heeft hij niet nodig en de rituele offers van hypocrieten en kwaaddoeners verafschuwt hij, maar wel ziet hij om naar de arme die berouw heeft en naar Zijn woord luistert. Maar de spotters en zij die voor het kwaad kezen zullen hun trekken thuis krijgen (2)

Maar dan verandert de toon en komt de profeet met een letterlijk beeld van verlossing. Zoals een vrouw zwanger is en de geboorte van het kind aanstaande, zo zal Israël uit de ballingschap geboren worden in een snelle bevalling, een geboorte zonder weeën. Het is met dit ongebruikelijke vrouwelijke beeld van een moeder, dat de Eeuwige zich hier als een vroedvrouw ontpopt. En niet alleen wedergeboren wordt Israel, het zal ook bloeien en welvaren en goddelijke bescherming geniete tegen de vijanden die tegen Israel zullen optrekken.

De tekst krijgt nu steeds meer eschatologische trekken. Er wordt in vlammende bewoordingen gerept van een eindstrijd te vuur en te zwaard en een eindoordeel over kwaaddoeners en rechtvaardigen. De rabbijnen (zoals Rasji) zien parallellen met Ezechiël hfst 38, waarin de profeet een visioen heeft over hoe de gezamenlijke volken onder leiding van Gog van Magog tegen Israël zullen optrekken en het onderspit zullen delven, getroffen door een vreselijke natuurrampen en ziekten.
Na deze strijd ziet Jesaja in een groots vergezicht de terugkeer van de Joden uit alle delen van de wereld (een kiboets galoejot ) zich voltrekken. Diep onder de indruk van de macht van de Eeuwige zullen de volkeren de bij hen wonende Joden terugbrengen (66:20) ‘op paarden en op wagens, met huifkarren, op muildieren en op snelle  ? kamelen, naar Mijn ? heilige ? berg ? toe, naar  ? Jeruzalem, zegt de Eeuwige, zoals de Israëlieten het ? graanoffer ? in ? rein ? ? vaatwerk ? naar het ? huis ? van de Eeuwige brengen.'

Het boek eindigt met het visioen van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde (vers 22) waarop elke ? nieuwe maan ? ((3) en elke ? sabbat ? alles wat leeft opnieuw naar Jeruzalem zal komen ‘om zich voor mij neer te buigen – zegt de Eeuwige', aldus de profetie van Jesaja'. Het is een beeld, waarin alle naties zich zullen verenigen rond een (symbolisch) Jeruzalem. Het is wellicht een wat judeocentrisch beeld van de eindtijd, maar het idee dat alle naties in één groot spiritueel basisverbond (met allerlei verscheidenheid in uitwerking) verbonden zijn, spreekt dat niet aan?

De visoenen van eindstrijd en eindoordeel in Ezechiël, Jesaja (en ook Daniel) klinken nog na in het Tweede Testament waar Johannes in het boek Openbaringen op Ezecheliaanse wijze eerst de catastrofale veldslag tussen de goeden en de kwaden in Armageddon (4) heeft beschreven en daarna de eindstrijd met de satanische legers van Gog en Magog. In de christelijke traditie heeft de apocalyptische literatuur grote invloed gehad en nog steeds, vooral in meer sektarische en evangelicale kringen, waarin het op handen zijnde Armageddon wordt geassocieerd met de acceptatie door alle Joden van Christus als messias.

Ik denk, dat we apocalyptische visioenen moeten toetsen aan een nuchtere kennis van de mens. Deels komen de fantasierijke beelden van een verenigd Joods volk en een verenigd en gezuiverd mensdom voort uit een authentiek verlangen in de diepten van de ziel naar een wereld van rechtvaardigheid en vrede, waarin het kwaad is bedwongen. Deels komen de beelden van genadeloze afrekening met bliksemend vuur, flitsende zwaarden en vreselijke ziekten voort uit bronnen van angst, ressentiment, overmatig zondebesef en onzekerheid, vooral in tijden van onderdrukking en rampen. Die bronnen zijn maar al te menselijk, een echte leidraad voor ons leven bieden deze horrorbeelden niet; ze vinden tegenwoordig een betere uitweg in goede romans en in de volkscultuur van spannende films.

De afgelopen week hebben we een dieptepunt in de Joodse geschiedenis herdacht, de Sjoa (Jom Ha-sjoa we-hagevoera). In de komende week herdenken we een hoogtepunt, Onafhankelijksdag (Jom ha-Atsmaoet). De sjabbat wordt ook wel Sjabbat Tekoema genoemd (sjabbat van de stichting) en dan wordt in sommige synagogen ook Deuteronomium/Devariem 8:1-10 gelezen, waarin Israël op het hart wordt gedrukt ook in betere tijden God en zijn geboden niet te vergeten en waar als haftara Zacharia/Zecharja 8 :1-19 wordt gelezen, waarin een profetisch en messianistisch beeld van een hersteld en vredig Jeruzalem wordt geschetst.

noten
(1) Commentaren op de parasjot Tazria en Metora zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website .
(2) Dit is mijn parafrase van het onduidelijke Hebreeuws, dat meerdere uiteenlopende rabbijnse uitleggingen heeft opgeleverd
(3) Die nieuwe maan is waarschijnlijk de link met Rosj Chodesj
(4) Grieks-Romeinse verbastering van har Megiddo, de heuvel van de stad Megiddo, waar vroeger vele veldslagen zijn uitgevochten

Haftara bij de parasja Sjemini

2 Samuel 6:1-19

In de parasja Sjemini (Leviticus/Wajikra 9:1 - 12:1) brengen Nadav en Avihoe, de twee oudste zonen van Aharon, tijdens de plechtige inwijding van de tabernakel impulsief en in extase een reukoffer met ‘vreemd vuur' ( eesj zara ), een vurige daad waarom de Eeuwige niet gevraagd had. De twee overenthousiaste zonen worden door een vuur uit de hemel verteerd en komen om tot schrik en ontsteltenis van de menigte. Wat heeft de Eeuwige aan hun zo toegewijd gebracht reukoffer niet behaagd? Wat hebben ze verkeerd gedaan?

De plotselinge dood van Nadav en Avihoe vindt een parallel in de haftara uit het tweede boek Samuel. Daar speelt zich een vergelijkbaar incident af. De nog jonge koning David wilde na een succesvolle veldtocht tegen de Filistijnen de heilige ark terughalen van de plek waar hij na zijn verblijf in Filistijnenland was terecht gekomen (1). Twintig jaar had hij gestaan bij Avinadab in het dorp Kirjat Jeariem. De ark werd opgeladen op een splinternieuwe wagen met een os ervoor en begeleid door de twee zonen van Avinadab, Uzza en Achio. Vergezeld door een dansende David en een leger van 30.000 man en veel muziek ging de ark op weg naar Jeruzalem. Op een bepaald moment struikelde de os. Blijkbaar dreigde de wagen te kantelen. De man Uzza strekte zijn hand en greep de ark vast uit om hem voor vallen te behoeden. We citeren vers 7: Toen ontbrandde de toorn van de Eeuwige tegen Uzza, en God strafte hem daar om deze onbedachtzaamheid, en hij stierf daar bij de ?ark? van God .'

Dat roept vragen op en wekt verontwaardiging over deze onbillijk lijkende goddelijke sancties. Ook David werd aanvankelijk kwaad over de gewelddaad tegen Uzza (vers 8). In het geval van Nadav en Avihoe zijn er nog wel nog wel een aantal verklaringen te construeren. In theïstische termen uitgedrukt: God houdt niet zo van fanaten die in extatische vergetelheid de zorgvuldige regels omtrent benadering van het heilige overtreden. (3)
In het geval van Uzza ligt het moeilijker. Hij wilde de ark voor vallen behoeden. Wat heeft deze arme trouwe dienaar nu verkeerd gedaan? Ook de rabbijnen van de Talmoed hebben zich het hoofd gebroken over de vraag wat de onbedachtzaamheid – in het Hebreeuws sjal (4) - van Uzza was. (5) Rabbi Jochanan (3 e eeuw  CE ) zegt, het was onachtzaamheid, omdat de goede man was vergeten, dat de ark zichzelf draagt. Want ga maar na het boek Jozua: het volk betrad het beloofde land en stak droogvoets lopend de Jordaan over. Toen sloten de wateren zich weer en droeg de ark die nog aan de ene kant stond zichzelf en de priesters vliegend over het water naar de overzijde, zo was Jochanans uitleg (6). Een andere geleerde, Rava (4e neeuw), legt de schuld bij David zelf. De koning had het vervoer van de ark te licht opgevat; hij had uit de Tora moeten weten, dat de heilige ark niet in een wagen mag worden vervoerd maar door de levieten moet worden gedragen (7) en nu is dit zijn straf.

Nu weten wij tegenwoordig beter dat een correlatie tussen twee gebeurtenissen in tijd niet altijd een causale relatie hoeft te betekenen (post hoc ergo propter hoc). Uzza's aanraken van de ark en zijn dood vlak daarna kan toeval zijn geweest. Misschien had hij een hartafwijking en werd de schrik hem fataal. Door de aanwezigen en late verklaarders werd het als een negatief wonder (straf) ervaren. Een begrijpelijke reactie. De plotselinge en ontijdige dood van een verdienstelijk mens dringt ons tot wanhopige vragen naar het waarom, toen en nu. Ieder antwoord lijkt beter dan het bitter besef, dat het louter toeval is. Maar misschien is het een vorm van (al dan niet religieuze vaak moeizaam verworven) levenskunst het toeval te laten zijn voor wat het is en onze boosheid, wanhoop, verbijstering erover te aanvaarden in een vorm van overgave, die zich dan pas kan onthullen als betekenis.

Koning David was aanvankelijke boos, maar daarna werd hij bevreesd. Hij liet de ark drie maanden lang staan bij een man genaamd Oved-Edom, die opeens met allemaal weldaden werd gezegend. Toen pas waagde de koning een nieuwe etappe en nam het vervoer van de ark met zijn onberekenbare effecten weer op. Nu werd de ark inderdaad gedragen door levieten. Na iedere zes stappen werd er een stier en een koe geofferd (dat moet hele kudden hebben gekost). Hij bracht de ark niet naar zijn oorspronkelijke tabernakel in Sjilo, maar plaatste hem in een tent in Jeruzalem. Daar vatte hij het plan op om een tempel te bouwen, hetgeen pas door zijn zoon Salomo zou worden verwezenlijkt. (7)

De ark van het verbond heeft vele eeuwen in de tempel gestaan in het heilige der heiligen. In het begin van de periode van de Babylonische ballingschap is hij verdwenen, opgelost in de mist van de geschiedenis. Verschillende legenden zijn van oudsher in omloop. Ligt hij begraven in de tempelberg of verscholen diep in een grot aan de Dode Zee? Rust hij in de kerk van de heilige Maria in het Ethiopische Aksum? Of in Rome, in de Aartsbasiliek van Sint-Jan van Lateranen? Daar zou hij gelegen kunnen hebben in de rijke fantasie van schrijver Harry Mulisch in zijn ‘Ontdekking van de Hemel', een boek met een pessimistische ondertoon, waarin aan het slot de letters van de Tien Geboden de aarde hebben verlaten. In de hedendaagse volksmythologie is de ark en zijn stenen tafelen niet verdwenen en nog steeds een bron van inspiratie voor literatuur en malle maar spannende films als Raiders of the lost Ark. De geest van de tien geboden tracht in allerlei moderne vormen in onze (westerse) cultuur te overleven. Hij heeft onze moraliteit diepgaand beïnvloed ondanks altijd werkzame tegenkrachten van amorele ideologieën.

Noten
(1) Hoe hij daar terecht is gekomen wordt beschreven in 1 Samuel 6
(2) Zie over verklaringen van Chazal (de Oude Wijzen) o.a. Wajikra Rabba 20: 8 en 9 en het commentaar op mijn website en in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA deel 2, p. 44
(3) In het Hebreeuws komt het woord sjal, dat is vertaald met onbedachtzaamheid, onachtzaamheid, vergrijp of indiscretie maar één keer voor in Tanach, nl op deze plaats (tps://biblehub.com/hebrew/79)
(4) Uit de uitgebreide rabbijnse discussie in he Talmoed tractaat Sota 35a
(5) Zie Jozua 4:18 (in combinatie met vers 11); de Hebreeuwse tekst maakt deze geforceerde uitleg met enige moeite mogelijk. De Talmoed kent nog niet de latere preutsheid in taal en gedachten: een andere uitlegger R. Elazar meent, dat Uzza in het aanzicht van de ark zijn kleed heeft opgetild en zijn behoefte heeft gedaan…
(6) Numeri/Bamidbar 7:9
(7) De overgang van tent (tabernakel) naar tempel is een evolutie met twee gezichten. Het is een ontwikkeling van eenvoud naar complexiteit, van onschuld naar sophistication, van innerlijkheid naar uiterlijkheid .

Pesach overdenking 2020

Pesach is het feest waarin de bevrijding meer dan drieduizend jaar geleden van de Israëlieten uit Egyptische onderdrukking wordt herdacht. De afstammelingen van Jacob, de Israelieten, ooit in Egypte aangeland op de vlucht voor hongersnood, waren in de loop van ruim vierhonderd jaar uitgegroeid tot een groot volk, maar gaandeweg tot slavernij gebracht en steeds wreder door de Farao onderdrukt; onder brandende zon moesten de slaven zwoegen tot de uitputting toe, tranen van wanhoop werden vergoten. Maar de tien plagen brengen de Farao uiteindelijk tot hun vrijlating van de slaven.

Ons land en de wereld ondergaan nu een grote plaag, van een tot nu toe onbekend virus. De hele wereld is in zekere zin als het bijbelse Egypte. Egypte, vertaald in het Hebreeuws, is Mietsrajiem . Er zit het woord 'tsar' in, dat betekent ‘nauw'. Het woord is een dualis, een tweevoud van ‘meetsar', benauwenis, zee-engte. Eigenlijk betekent Egypte ‘twee benauwenissen'. De wereld lijdt ook aan twee benauwenissen. Letterlijk lijden een groot aantal mensen aan de adembenauwenis van de door een virus aangetaste longen en wij voelen de angst om de ziekte te krijgen; van overheidswege daartoe dringend verzocht sluiten we ons op in een onzichtbare cel van anderhalve meter afstand.
De tweede benauwenis is de angst van heel veel mensen voor een economische crisis in wording en de onzekerheid over hoe we het materieel gaan redden komt op ons af.
We leren weer het verlangen naar bevrijding uit benauwdheid kennen. We hopen met de dag meer onze cel te mogen verlaten zodat we weer vrijuit kunnen ademen, onbekommerd naar buiten kunnen, onze geliefden weer in de armen kunnen sluiten. We staan te springen om onze dagelijkse activiteiten om brood op de plank te krijgen weer op te vatten of zonder zorgen te kunnen uitoefenen.
We verlangen naar de vrijheid van voor de Coronaplaag.
Maar waren we toen eigenlijk wel vrij?
De Hebreeuwse slaven waren duidelijk niet vrij. Ze waren gevangen in een hiërarchisch systeem en als slaven werden ze opgejaagd in een genadeloze productierace van bouwstenen voor steden en paleizen van de farao. Ze kregen slaag en veel te weinig te eten en hun kinderen werden hen afgenomen en gedood. Zo erg is het met ons in het grootste deel van de wereld niet. Wel zijn ook wij meer onmerkbaar in een productie- en consumptiesysteem gevangen, het kapitalisme. In ons woont zowel een slavendrijver als een slaaf. Bij de een is het meer de slavendrijver, die de overhand heeft, bij de ander is het meer de slaaf. Ieder draagt heel Egypte in zich. We worden door elkaar in het systeem gehouden, een systeem waarin we keihard moeten werken om te consumeren en keihard moeten consumeren om aan het werk te kunnen blijven.

We worden niet fysiek gemarteld en komen niet om van de honger. Integendeel. We worden verleid tot productie en consumptie van een overvloed aan producten die we meestal zorgeloos consumeren, goedkope etenswaren, ontelbare gadgets, verre exotische reizen. We worden constant aangespoord om steeds nieuwe dingen en diensten te kopen, zodat de economie op gang kan blijven en winsten gegarandeerd blijven. De meesten van ons althans in Europa voelen zich best senang omgeven als we zijn door een staat en een gezondheidszorg die ons in de regel opvangt bij tegenslag.

De corona heeft een spaak gestoken in het steeds voortdraaiende wiel van deze vicieuze cirkel. Het heeft ons voor het blok gezet, zet ons tot denken aan. Onze onzichtbare cel van 3 meter breed en 3 meter lang dwingt ons tot reflectie op dieper niveau over onze plek in het leven en over onze relatie met medemens en maatschappij. De discussie over wat er mis ging en hoe het beter moet gaan worden zijn al begonnen. De plagen van de bijbel doen denken aan de huidige verstoringen van het ecologisch evenwicht. Denk bv aan de milieuvervuiling of het massaal ophokken en doorfokken van dieren. Het ongelimiteerde reizen en wereldwijd handelen werkt globale verspreiding van virussen en bacteriën in de hand.

De Israëlieten, de slaven van toen, is het gelukt was om te ontkomen aan de farao en zijn leger. Toen ze na de doortocht door de rietzee in de weidse leegte van de woestijn beland waren, lachte een eindeloze openheid van mogelijkheden hen toe. Ze konden nu als vrije mensen en nieuw samenleving gaan vormen. Ook onze wereld wordt nu mijns inziens een kans geboden om het leven en de samenleving op een andere manier vorm te gaan geven

RC april 2020

Haftara bij de parasja Tsav

Malachi 3:4-24

Deze sjabbat is het de sjabbat ha-gadol, de grote sjabbat. Zo wordt de laatste sjabbat voor Pesach genoemd. Waarom is niet duidelijk, misschien wegens het noemen van de ‘grote en ontzagwekkende dag' (des oordeels) aan het slot van Malachi 3:4-24, de verzen die in vrijwel alle liturgische tradities dan als haftara worden gelezen, ook als een andere parasja dan de parasja Tsav (1) die nu aan de orde is valt op deze sjabbat. De link met Tsav (Leviticus /Wajikra 6: 1-8:36), waarin de tempeloffers, die in de parasja Wajikra al werden beschreven, nog eens opnieuw worden doorgenomen, is dan ook mager; alleen het vernieuwde graanoffer wordt in het begin van het haftara-gedeelte genoemd.

Malachi - ‘mijn engel', vermoedelijk een pseudoniem - was de laatste profeet van de zogenoemde twaalf kleine profeten. Hij leefde in de tijd toen de tweede tempel was opgebouwd in het weer opnieuw door Joden bewoonde Jeruzalem. Het boek is de laatste profetische donderpreek die in Judea over de mensen worden uitgestort. Kennelijk zag hij alweer nieuwe rituele en morele missstanden ontstaan; de offerdienst werd verwaarloosd, de priesters gaven geen goede uitleg, de mannen bleven niet trouw aan hun vrouwen.
In het nu aan de orde zijnde hoofdstuk drie verschijnt een nieuwe gestalte in Malachi's vergezicht: mijn bode (er staat letterlijk: malachi van malach , bode, afgezant, engel), die de weg zal bereiden voor de komst van de Almachtige persoonlijk. Deze bode of afgezant zal met name de in het slop geraakte tempeldienst en haar lakse levieten zuiveren ‘als iemand die zilver smelt en het zuivert' . In het christendom denkt men, dat met de bode de Johannes uit het Tweede Testament wordt bedoeld. Waarschijnlijker is dat dit verwijst naar de komst van Elia, die in vers 23 wordt aangekondigd. Als dan die zuivering heeft plaatsgevonden, dan zal ‘ het ?graanoffer? van Juda en ?Jeruzalem voor de Eeuwige aangenaam zijn ' als vanouds, zoals staat in vers 4, het begin van onze haftara. Daarna zal ook de Eeuwige persoonlijk komen voor wat niet anders dan een angst inboezemende dag des oordeels genoemd kan worden. Wie moeten vooral dan hun hart vasthouden?
3:5 (NBV ) Tovenaars en echtbrekers, mensen die ?meineed? plegen en mensen die hun dagloners uitbuiten, en allen die ?weduwen? en wezen? onderdrukken en ?vreemdelingen? geen plaats gunnen. Want geen van allen hebben zij ?ontzag? voor mij – zegt de Eeuwige van de hemelse machten .

Als iemand ontzag voor de Eeuwige, godvrezendheid (godsvrucht met een archaisch woord) had kon je erop aan, dat hij of zij betrouwbaar, eerlijk, gastvrij, was. (2) Een waarachtig godvrezend mens geeft zijn tienden (ontduikt geen belastingen), blijft bi zijn vrouw, verkoopt geen leugens, is geen kwaadspreker, geen oplichter, ziet om naar zijn behoeftige medemens en bij hem of haar ben je veilig als gast. God was (of is voor wie wil geloven) de absolute autoriteit die de mensen nodig hadden (en vaak nog hebben) om dit gedrag over een hele gemeenschap ingang te doen vinden ten einde een leefbare samenleving mogelijk te maken. De hem toegedichte almacht hield (en houdt voor sommigen nog steeds) in, dat hij ‘goddeloos' gedrag (op den duur) zou bestraffen en godvrezend (vroom) gedrag (op den duur) zou belonen. Voor de meer mystiek angehauchte is ontzag voor de Eeuwige losgemaakt van straf en beloning en verwijst naar ervaring van eigen nietigheid tegenover de schepper van de kosmos en schenker van levend bewustzijn.
Toch is het maar al te begrijpelijk, dat ook in de tijd van Makachi de twijfel van de vromen aan de steeds maar uitblijvende beloning voor hun goed gedrag toesloeg:
NBV 3:14 (…) ‘ Wat heeft het voor nut om God te dienen, wat hebben we eraan dat we zijn voorschriften in acht nemen en ons in een boetekleed hullen voor de Eeuwige van de hemelse machten? We moeten de hoogmoedigen wel gelukkig prijzen, want wie zich goddeloos gedraagt gaat het voor de wind, en wie God beproeft komt er goed vanaf!'
Dit gevoel van blijkbare grote willekeur in de verdeling van wel en wee, geluk en ongeluk, is van alle tijden.

Het paradigma van beloning voor ‘goed' gedrag (goede oogst, welvaart) en straf voor ‘slecht' gedrag (ziekte nederlaag, ballingschap, ondergang) is toch veel te simpel, meestal onwaar en zelfs gevaarlijk. Zo is het onzin – in veel extreem religieuze kringen wordt misschien zo gedacht - de Corona crisis te zien als een straf voor de hoogmoedige mensheid. Maar de crisis is wel een signaal. Als met veel opoffering van mensenlevens, ten koste van een hoge economische en psychische prijs en met grenzeloze inzet van geweldige medische hulpverleners en wetenschappers het virus hopelijk is ingedamd kan de crisis mede begrepen worden als een wake up call om ons te bezinnen op onze eigen levenswijze en op onze hectische, kapitalistische en consumentistische samenleving. Neem bijvoorbeeld onze uitbuiting van dieren, waar immers vele soorten virusbesmettingen vandaan komen. Velen van ons hebben nu al de tijd om thuis met reflectie te beginnen. Nieuwe inzichten en voornemens kunnen uit deze crisis voortkomen Of gaan we als dit achter de rug is onze gedwongen retraite met zijn ontberingen zo snel mogelijk vergeten om ons weer over te geven aan consumptieve uitspattingen, waanzinnige events en festivals en te gekke exotische reizen?.

De laatste woorden van Malachi zijn ook de laatste woorden van het boek Neviïem, zoals de geschriften van Jozua tot en met Malachi worden genoemd. Die woorden vormen ook een laatste wake-up call
3:22 Houd je aan het onderricht van ?M o zes, mijn dienaar, aan wie ik op de ?H o reb? regels en wetten heb gegeven die gelden voor heel  I sraël.  23 Voordat de ?dag van de Eeuwige? aanbreekt, die groot is en ontzagwekkend, stuur ik jullie de ?profeet? ?El i a,
Niet meer zou de Eeuwige rechtstreeks via de menselijke mond spreken met de mensen, tenminste volgens de opvatting in het mainstream rabbijnse Jodendom. Met Malachi kwam aan het profetendom een einde. Vanaf toen was het aan de Joden (mensen) zelf om de Tora en zijn geboden te bewaken, uit te leggen en de toepassing aan te passen aan nieuwe omstandigheden; niet lang daarna deden de rabbijnen hun intrede, rabbijnen die geen profeten waren, geen priesters, maar leraren.
Maar nog eenmaal zal er een profeet komen – zo voorziet Malachi - die die messiaanse dag zal voorbereiden: Elia (3). Voor hem wordt tijdens de seidermaaltijd nog altijd de deur opengedaan voor het geval hij dan mocht komen. Ik wens allen te midden van de geldende beperkingen een Pesach kosjer we-sameach en een gezegend Pasen en blijf gezond!

Noten
(1) Commentaren op de parasja Tsav zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 2, Leviticus, Numeri en Deuteronomium, en op mijn website
(2) Zie bijv Genesis 20:11 Hier verklaart Abraham aan Avimelech, dat hij bang was, dat er in het huis van de laatste geen vreze Gods zou zijn, reden waarom hij heeft gezegd, dat zijn vrouw Sara zijn zuster was. “ Er is vast geen vreze Gods in deze plaats, daarom zullen zij mij omwille van mijn vrouw doden”.
(3) Zie mijn artikel over Elia op mijn website
Over de nabijbelse Elia is een interessant stuk https://www.uscj.org.il/commentaries/haftarah-parshat-tzav-shabbat-hagadol-2/

Haftara bij de parasja Wajikra

Jesaja 43:21-44:23

We leven momenteel in een uitzonderlijke periode. Onder invloed van de corona crisis zijn we aan huis gebonden. Straten zijn verlaten. Ouderen als het ware gevangen in hun appartement. Zij die tot de vitale beroepen behoren werken zich een slag in de rondte om levens te redden. Vele mensen uit het MKB maken zich grote zorgen. Kerk- en sjoeldiensten zijn opgeschort. Eigenlijk zijn we min of meer ballingen in eigen land. Het bespreken van een haftara die betrekking heeft op een situatie van 2500 jaar geleden lijkt opeens een futiele zaak. Maar in het beeld van ballingschap ligt misschien een link met de haftara van deze week.

Het gaat om dat deel van Jesaja (Jesjajahoe), dat vermoedelijk is geschreven door een tweede Jesaja (zg deutero-Jesaja) die twee eeuwen later leefde dan de eerste Jesaja. Hij verbleef in ballingschap in Babylonië, het grote rijk dat toen al wankelde onder de aanstormende Perzen en Meden. De Joden konden in Babylon hun normale rituelen in de tempel niet verrichten. Het is niet zeker in hoeverre de Babylonische regering de Joden vrijliet in andere aspecten van hun godsdienstoefening. (1) Tegelijk waren die 70 jaren ballingschap een kweekbed voor vernieuwing. Geleerden herinnerden zich de oude verhalen, herlazen oude geschriften, bespraken ze en redigeerden ze tot een bruikbaar boek. Een van hen was Ezra, die de hand zou gaan hebben in de totstandbrenging van een gezaghebbende versie van die geschriften, ongeveer wat wij nu kennen als de Tora. Intussen verlangden de Joden hevig naar normalisatie van hun situatie, dat wil zeggen om terug naar huis, naar Judea, te gaan en hun normale leven weer op te pakken, het land te gaan bewerken en hun stad en tempel weer op te bouwen.

Jesaja voorzag de val van de machthebbers die hen verbannen hield en voorvoelde dat een massale terugkeer van de joodse ballingen naar huis op komst was. Zo'n tweede exodus bezingt hij in de verzen die voorafgaan aan het gedeelte dat is gekozen voor de haftara (het zou ook een haftara kunnen zijn, gezien het binnenkort aanstaande Pesach).
De haftara begint met verzen die betrekking hebben op het nalaten van de tempeloffers – en hier ligt waarschijnlijk het verband met de parasja Wajikra (Leviticus/Wajikra 1:1 – 5:26) die ook gaat over de verschillende offers, die in de tabernakel verricht moeten worden. (2) Zo staat er bijv in de haftara

43:23: U hebt Mij niet uw ​brandoffers​ gebracht van kleinvee
en met uw slachtoffers hebt u Mij niet geëerd.
Ik heb u Mij niet laten dienen met het ​graanoffer,
en Ik heb u niet vermoeid met ​wierook.

Ik denk, dat het hier niet een verwijt betreft. Immers in de ballingschap was er geen tempel voorhanden, waar offers konden worden gebracht. In dit vers gaat het meer om een constatering. Sowieso was al de God van de ‘eerste Jesaja' geen enthousiast voorstander van offers.  Dat maakt dan logisch dat er staat in vers 43:25

Ik, Ik (Anochi, Anochi) ben het Die uw ? overtredingen ? uitwist omwille van Mijzelf, (dwz niet om jullie verdiensten) en aan uw ? zonden ? denk Ik niet .

Je zou dit kunnen opvatten als een divine dispensatie, opschorting van het normale strakke regiem van rituelen, iets waartoe een toestand van ballingschap aanleiding geeft. Het gaat immers niet om de rituelen en de offers. (3) Waar gaat het dan om?

1:16 Houd op met kwaad doen,
17leer goed te doen,
zoek het recht!
Help de verdrukte,
doe de wees recht,
bepleit de rechtszaak van de ​weduwe

Waarhebben de Joden dan hun ballingschap aan verdiend? Een raadselachtig vers geeft antwoord>
43:27 Uw eerste vader heeft gezondigd,
en uw uitleggers zijn tegen Mij in opstand gekomen.

Wie is die eerste vader? Wie zijn de uitleggers? Volgens Abraham Ibn Ezra (12e eeuw) is Jerobeam bedoeld, de koning van het noordelijk rijk Israël die twee gouden kalveren ter verering installeerde (zie 1 Koningen 12:28). De uitleggers zijn de priesters en Levieten (en misschien de valse profeten), die om de koning naar de mond te praten de wet van Mozes verdraaiden en verkeerd uitlegden. Ook toen waren nepnieuws, halve waarheden, structurele desinformatie en pertinente leugens bijkomende virussen die fataal konden uitpakken.

In hoofdstuk 44 slaat de profeet een heel andere toon aan. Nu klinkt weer het verlangen naar en de verwachting van een tijd van heil en verlossing door zoals in 44:3
Want Ik zal water gieten op het dorstige
en stromen op het droge.
Ik zal Mijn Geest op uw nageslacht gieten
en Mijn ​zegen​ op uw nakomelingen

Noten
(1) De profeet Jeremia bepleitte aanpassing aan de situatie waarin ballingen zich bevinden in zijn brief aan hen Jer 29:7: Zoek de ​vrede​ voor de stad waarheen Ik u in ballingschap heb gevoerd. ​Bid​ ervoor tot de Eeuwige, want in haar ​vrede​ zult u ​vrede​ hebben.
(1) Commentaren op de parasja Wajikra zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 2, Leviticus, Numeri en Deuteronomium, en op mijn website
(2) Sowieso was de God van de ‘eerste Jesaja’ al geen enthousiast voorstander van offers.
Jesja !:11 Waartoe dienen voor Mij uw vele ​offers?
zegt de Eeuwige
Ik heb genoeg van de ​brandoffers​ van rammen
en het vet van gemest vee;
en in het ​bloed​ van jonge stieren, lammeren of bokken
vind Ik geen vreugde.

RC 2020 

.De haftara bij de parasja Wajekheel-Pekoedee

1 Koningen 7:51-8:21 Ezechiel 45:16-46:18   Ezra 7: 1-28

De twee vrij korte parasjot Wajakheel(Sjemot/Exodus 35:1-38:20) en Pekoedee (Sjemot/Exodus 38:21-40:38) – de laatste twee van het boek Sjemot/Exodus – worden, zoals ook nu, gecombineerd in het gewone Joodse kalenderjaar; in een Joods schrikkeljaar met zijn ingevoegde maand komen ze apart aan de orde.
De parasja Wajekheel beschrijft hoe de uitgebreide instructies in de vorige parasjot voor de bouw en inrichting van de tabernakel nu eendrachtig door het volk worden uitgevoerd. In de parasja Pekoedee wordt in detail rekenschap afgelegd van de gebruikte materialen en worden regels voor de inwijding gegeven. Mozes (Mosjee) richt de tabernakel op en in.
Een opmerkelijk actueel detail(40:30-32): Vervolgens plaatste hij het wasvat tussen de ? tent ? van ontmoeting en het ? altaar, en hij deed er water in om te wassen. Mozes, ? Aäron ? en zijn zonen wasten daarmee hun handen en hun ? voeten. Telkens wanneer zij de ? tent ? van ontmoeting binnengingen en het ? altaar ? naderden, wasten zij zich, zoals de Eeuwige ? Mozes ? geboden had.
Het wassen gebeurde om de geest te zuiveren en niet bewust om ziektekiemen, laat staan om virussen als Corona ver te houden, maar dit zal toch een onvermoed prettig bijverschijnsel zijn geweest, zoals dat ook later het geval is geweest toen het wassen van de handen na het opstaan en voor en na het eten ook een niet priesterlijke mitswe werd (1); daardoor was dit hygiënisch gebruik  in het jodendom veel meer verbreid was dan in omringende culturen. (2) Misschien moeten we het ook maar gaan doen voor het betreden en verlaten van de synagoge.(3)
Toen het teken van goddelijke aanwezigheid, de tabernakel, de kroon op het werk, voltooid was (40:34) overdekte de wolk de ? tent ? van ontmoeting, en de heerlijkheid van de Eeuwige vervulde de ? tabernakel.
De eerste fase van de uittocht was afgesloten. De voortzetting van de woestijntocht zal pas weer in het boek Bemidbar/Numeri hervat worden

Dit karakter van markante afsluiting en een nieuw begin treffen we ook aan in de verschillende haftarot, die aan deze sjabbat zijn toegevoegd. De reguliere haftara bij Wajakheel-Pekoedee is   1 Koningen 7:51 - 8:21 (bij de sefardiem sef 1 Konningen 7:40 - 7:50). Al eerder in de haftara bij de parasja Teroema kwamen we koning Salomo (Sjelomo) tegen als voorbereider en bouwer van de tempel. In dit deel van het boek 1 Koningen is de tempel klaar, een gebeurtenis die rijmt met de voltooiing van de tabernakel. We lezen hoe de heilige ark vanuit de davidsburcht triomfantelijk en gepaard met veel offers naar het nieuwe gebouw wordt gebracht en geplaatst in de binnenste kamer, het heilige der heiligen, waar reuzengrote cherubs hun vleigels boven de ark spreiden. (8:10) En het gebeurde, toen de ? priesters ? uit het ? heiligdom ? gingen, dat de wolk het ? huis ? van de Eeuwige vervulde ; bijna letterlijk overeenkomend met Ex/Sjem 40:34.

Niet zelden – zoals nu -  valt deze sjabbat vlak voor het begin van de maand Niesan, de maand waarin Pesach valt. Dan wordt hij sjabbat hachodesj (nl Niesan) genoemd en leest men een andere haftara, Ezechiël 45:16 - 46:18 . In dit stuk vervolgt de profeet zijn visioen over een toekomstige tempel met het voorschrijven van wat er volgens hem allemaal aan offers van dieren en meel moeten worden gebracht op sjabbat en de andere feestdagen. Het is de taak van de vorst (nasi) om te zorgen voor de enorme massa dieren, die in Ezechiëls visie op het altaar het leven zullen moeten laten. Ook het Pesachfeest wordt genoemd, en dat rijmt met het tijdstip van deze sjabbat, waar Pesach in de kalender in zicht komt; de schoonmaak van keuken, huis en servies (kasjeren) en de inkoop van kosjere wijn en matses komt op gang etc. Men leze 45:21: In de eerste maand (dwz Niesan, in de oude telling de eerste maand van het jaar), op de veertiende dag van de maand, zal voor u Pesach zijn, een feest van zeven dagen: men moet dan ongezuurde broden eten .

In liberale kringen heeft men toch nog een ander stuk als haftara gekozen: Ezra 7: 1-28 , misschien omdat het wat dichterbij onze belevingswereld ligt dan de atavistische slachting van groot- en kleinvee in Ezechiël. Ook in deze haftara wordt een belangrijk omslagpunt beschreven: de komst van Ezra uit Babel naar Jeruzalem, Ezra, de man die de wet zal hernieuwen.
In het gelijknamige boek Ezra wordt de terugkeer van de ballingen beschreven, een terugkeer die eigenlijk in twee (sommigen zeggen drie) golven (aliyot) ging. De eerste vond na het goedgunstig decreet van de Perzische koning Cyrus plaats en stond onder leiding van o.a. Zerubbabel. Een enorme karavaan van 50.000 personen (incl. vrouwen, kinderen, slaven, vee) bereikten omstreeks 530 BCE Judea en Jeruzalem. In de ruïnes van Jeruzalem begon de herbouw van de tempel, die na vele tegenslagen en onder stimulering van de profeten Zacharia (Zecharja) en Chaggai plaats vond. De tweede migratiegolf vond vele decennia later plaats (plm 460 BCE) onder leiding van Ezra. Hier begint de haftara, in hoofdstuk 7. Ezra was een ‘ vaardig ? schriftgeleerde, bedreven in de wet van ? Mozes, die de Eeuwige, de God van Israël, gegeven heeft' , zoals herhaaldelijk wordt benadrukt. Hij kwam met de opdracht om, zoals de toenmalige Perzische koning Artaxerxes II het in zijn epistel formuleerde, ‘ onderzoek te doen in Judea en in ? Jeruzalem ? naar de wet van uw God, waarover u beschikt' . Ezra bracht door de koning geschonken zilver en goud voor de tempel mee en had grote bevoegdheden om financiële en andere medewerking te vragen. Hij werd vergezeld door 5000 medereizigers waaronder vele Levieten. Ezra houdt zich vooral bezig met het streven een einde te maken aan de vermenging die had plaats gevonden tussen Joden en Samaritanen, dwz de destijds door de Assyriërs geïmporteerde volken. De vele gemengd gehuwde mannen, waaronder zelfs priesters, moesten hun niet-Joodse vrouwen wegsturen. Maar de belangrijkste verrichting van Ezra staat niet in het boek Ezra, maar in het boek Nehemia (Nechemja).
Nehemia, een hoge hofdignitaris aan het Perzische hof, kwam zo'n 15 jaar na Ezra in Jeruzalem aan met een onbekend aantal mee terugkerende ballingen, mogelijk een derde immigratiegolf. Op dringend verzoek hadt hij van de Perzische koning toestemming gekregen tijdelijk in Jeruzalem te verblijven met de volmacht om de muren van Jeruzalem te herbouwen en om aan een aantal ontstane sociale misstanden onder de Joden een eind te maken. In hoofdstuk 8 van het boek Nehemia speelt Ezra's finest hour zich af als hij op een hoog spreekgestoelte op een plein midden in Jeruzalem voor het voltallig verzamelde Judese volk voorleest uit de wet van Mozes. Het is de verdienste van Ezra geweest, dat hij de versnipperde, in vergetelheid verglijdende kennis heeft opgerakeld, verzameld en gebundeld tot één samenhangend geschrift. Met enig recht wordt dan ook aangenomen, dat Ezra, soms een tweede Mozes genoemd, de redacteur is geweest van de Tora, zoals wij die kennen. Als zodanig betekende zijn terugkeer naar Jeruzalem een kardinaal wendingspunt in de geschiedenis van het Jodendom.

Noten
(1) Zie Kitsoer Sjoelchan Aroech par. 40
(2) De hygienische voorschriften van de Joden konden hun ook noodlottig worden. Tijdens de pestepidemie in de 14 e eeuw vielen opvallend minder slachtoffers onder de Joden, wat hen verdacht maakte naast het nepnieuws, dat zij de bronnen vergiftigden. Gruwelijke pogroms in Frankrijk en het Rijnland waren het gevolg en veroorzaakten een grote vlucht naar het Oosten van Europa. Hopelijk gaan we niet het nepnieuws vernemen, dat de Joden (of Israël) het corona virus hebben veroorzaakt.
(3) Commentaren op de parasjot Wajakheel en Pekoedee zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website .

Haftara bij de parasja Ki tisa

1 Koningen 18:20–39
Sjabbat Para: Ezechiël 36:16-36

Deze sjabbat lezen we de parasja Ki tisa. Daarin springt het bekende verhaal over het gouden kalf naar voren; toen Mozes (Mosjee) in zijn missie op de berg van God lang wegbleef gaf een invloedrijke minderheid gretig toe aan het oude verlangen naar de vertrouwde totems van dierenbeelden, i.c. het gouden stierkalf, een misstap waar Mozes veel moeite voor moest doen om verzoening voor te krijgen. (1) Van de eeuwenlange strijd tussen de nieuwe religie van de beeldloze godheid met zijn morele geboden en de plaatselijke amorele natuur- en vruchtbaarheidsgoden getuigen de boeken van de profeten. De haftara die bij de parasja Ki Tisa hoort beschrijft een van de hoogtepunten in dit proces.
De hoofdrol is voor de profeet Elia (Elijahoe), die tijdens de regering van koning Achab (Achav, 870-851) opereerde. Tijdens diens regering was de verering van Baäl en Astarte enorm toegenomen, mede onder invloed van Achabs echtgenote Izebel, die tientallen profeten van de Eeuwige – Elia was dus niet de enige, wellicht waren het zijn leerlingen – rabiaat liet vervolgen. Ook Elia was een mikpunt van koninklijke haat en had zich schuilgehouden, omdat hij Achabs afvalligheid aan de kaak had gesteld en jaren van droogte had voorspeld. Na drie jaar kreeg Elia de goddelijke oproep om voor de koning te verschijnen, een riskante daad, die goed afliep want de koning ging in op Elia's voorstel om een soort religieuze wedstrijd te organiseren op de berg Karmel. Het ging erom welke godheid een merkbare reactie zou geven op het offer van een stier, maar geen van beide partijen mocht zelf vuur maken. Het volk verzamelde zich om het gebeuren te aanschouwen. De vierhonderden vijftig Baälpriesters offerden een stier en onder honende woorden van Elia dansten ze als extatische sjamanen om hun altaar, maar geen reactie van Baäl. Toen kwam Elia's beurt. Hij bouwde van twaalf stenen (vertegenwoordigend de twaalf stammen) een altaar voor de Eeuwige, slachtte zijn stier, goot zelfs water op het dier en om het altaar en een riep de Eeuwige op om een antwoord te geven. Dat kwam in de vorm van een vuur uit de hemel, dat het ?brandoffer, het hout, de stenen en het stof verteerde. (18 39 ) Toen heel het volk dat zag, wierpen zij zich met hun gezicht ter aarde en zeiden: De Eeuwige is God, de Eeuwige is God! (en dat roepen we ook nu nog aan het eind van Jom Kipoer).
We kijken nog even verder dan het haftara gedeelte en lezen dan, dat Elia de vierhonderdenvijftig Baälpriesters (die in de tekst overigens ook profeten, neviïem , worden genoemd) persoonlijk bij de Kisjon beek heeft afgeslacht (jisjchatam ), een Herculische daad van verbijsterende wreedheid.
Daarna klom ?(18:42:) Elia ? naar de top van de Karmel, boog zich voorover ter aarde. Vervolgens legde hij zijn gezicht tussen zijn knieën.
Wat deed hij daar? Treurde hij om zijn bloedige fanatisme? Er staat niet dat hij bad om vergeving. Waarschijnlijk is, dat nu het werkelijk gebed plaats vond om regen en nadat hij zijn knecht herhaaldelijk op de uitkijk zond bespeurde deze de zevende keer het wolkje, dat zou uitlopen op een zegen gevende regen. Tot zover de haftara Ki tisa.

Deze sjabbat is de derde sjabbat van de vijf sjabbatot, die Pesach vooraf schaduwen. Hij valt na het feest van Poeriem en wordt sjabbat Para (koe) genoemd omdat op deze dag de passages uit Numeri/Bamidbar (19:1-22) in herinnering worden gebracht die betrekking hebben op de besprenkeling met een speciaal reinigingswater, dat is vermengd met de as van een geofferde rode koe; de zuivering met dit speciale water zou moeten worden toegepast op mensen en dingen die met een dode in aanraking zijn geweest. Het ritueel wordt al lang niet meer toegepast, maar het idee van zuivering in de aanloop naar Pesach spreekt nog steeds aan. De daarbij behorende haftara wordt gehaald uit hoofdstuk 36 van Ezechiël (Jechezkel), de profeet die aan de rivieren van Babel zijn medeballngen confronteerde met hun misstappen en afdwalingen, maar ook troost gevende perspectieven bood op herstel van land en welvaart.
Ook in hoofdstuk 36 zien we dit patroon terug; tot nu toe bracht het volk niet veel van zijn missie terecht, wrijft de profeet zijn gehoor in. De ook hier door Ezechiël voorspelde restauratie van het Joodse volk zal de Eeuwige dan ook niet zozeer bewerkstelligen omdat het volk dit zou verdienen, maar om zijn goede naam te redden (22,23), een motivatie waar ook Mozes in de parasja Ki tisa  bij de Eeuwige op inspeelde.

Een verband tussen de haftara en het ritueel van de rode koe moet ook gezocht worden in het vers 36:25, waar eveneens sprake is van besprenkeling met reinigend water:   Ik zal ?rein? water op u sprenkelen en u zult ?rein? worden. Van al uw onreinheden en van al uw afgoden zal Ik u ?reinigen. 26 Dan zal Ik u een nieuw ?hart? geven en een nieuwe geest in uw binnenste geven. Ik zal het ?hart? van steen uit uw lichaam wegnemen en u een ?hart? van vlees geven . 
De rabbijnen leggen in hun verklaring van het stenen hart vooral de nadruk op de verleiding van de (seksuele) lusten en ons onverbeterlijk moreel tekortschieten. Het nieuwe hart, het hart van vlees, is vol ontzag voor de Eeuwige en zijn liefde. (2)

Wat is mijn persoonlijke vertaling van ‘een hart van steen', respectievelijk ‘een nieuw hart', ‘een hart van vlees'? Loodzwaar is het hart van steen, het zit dicht, het zit vol met ballast van het verleden, het laat zich niet meer raken door verlangen en liefde. Een nieuw hart is weliswaar kwetsbaar (‘van vlees', menselijk) maar tegelijk licht, laat zich raken door de liefde, is open naar de wereld en heeft mededogen met de medemens. Voor een nieuw hart hoeven we niet tot de messiaanse tijd te wachten zoals sommige rabbijnen wel menen. Ook nu kan je eraan werken. Iedere dag het begin is van de rest van je leven stond op een affiche in mijn hippe studentenkamer. Je kan in principe de lei van gister schoonvegen en de nieuwe dag met een nieuw hart tegemoet treden, met verwondering, open naar nieuwe mogelijkheden. Aan het einde van de dag is het hart vaak zwaar geworden van ons onvolmaakt streven en bieden we het aan de nacht aan ter vernieuwing voor de volgende morgen.

Noten
(1) Commentaren op de parasja Teroema zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website .
(2) Een commentator uit de 19 e eeuw Malbim zegt ongeveer: een nieuw hart is alleen maar geneigd naar het goede en de beelden die in de nieuwe geest oprijzen zullen alleen maar goed zijn. Tot nu toe was het voor het hart dat vooral door taäwa (lust, begeerte) werd beheerst moeilijk om moreel te handelen ( moesar ) en kritiek ( tochacha ) te accepteren, nog moeilijker dan het is om in een steen te graveren.


Haftara bij de parasja Tetsawee

Ezechiël 43:10-27        I Samuel 15:2-34       

In de sidra Tetsawee (Exodus/Sjemot 27:20 - 30:11) wordt uitgebreid aandacht besteed aan de kleding van de priesters, en met name aan de uitdossing van de hogepriester (Aharon). Aan het slot volgen nog enkele voorschriften over de offerdienst en wordt een de opdracht gegeven om een reukofferaltaar te maken volgens de daar gegeven omschrijving. (1) Op dit laatste deel van de parasja sluit de reguliere haftara aan, een gedeelte uit hoofdstuk 43 uit het boek van de profeet Ezechiël (Jechezkel), die als balling in de zesde eeuw BCE in Babylonie woonde en daar de ballingen confronteerden met hun misdragingen in het verleden, maar ook troostte met visioenen van een grootse toekomst. Een van de bekendste visoenen is die over de nieuwe tempel die ooit op de heilige berg zal verrijzen; de profeet krijgt een beschrijving door met afmetingen en al, die de hoofdstukken 40-48 beslaan. Het haftara gedeelte beschrijft het nieuwe offeraltaar met de vier hoorns en de daarbij te offeren dierenoffers ter inwijding van de tempel, zeven dagen lang, net zoals in de parasja Tetsavee wordt verordend en later in Leviticus (Wajikra) ook wordt uitgevoerd.

De sjabbat van Tetsawee is de tweede sjabbat van de vijf sjabbatot, die Pesach vooraf schaduwen. De sjabbat valt voor feest van Poeriem en wordt sjabbat Zachor (herinner!) genoemd omdat op deze dag uit Deuteronomium/Devariem 25:17-19 wordt gelezen waarin de slinkse aanval wordt gememoreerd van het volk van Amalek op de Israëlitische woestijnreizigers en het gebod wordt gegeven om dit nooit te vergeten. In liberale kringen wordt dan ook de voorkeur gegeven om als haftara te lezen over de veldtocht van koning Saul (Sjaoel) tegen de Amalekieten in I Samuel 15:2-34. Bedenk daarbij dat de bad guy uit het boek Ester, het boek dat op Poeriem wordt gelezen, niemand minder is dan Haman, een afstammeling van de koning Agag van Amalek uit deze haftara. (2)

In de haftara lezen we hoe de oude richter Samuel (Sjmoeëel) het gebod uit Deuteronomium inderdaad niet heeft vergeten. Hij beval Saul nietsontziend te werk te gaan:
15: 3 Ga nu heen, en versla Amalek, en sla alles wat hij heeft met de ban. Spaar hem niet, maar dood hen van man tot vrouw, van kind tot zuigeling, van rund tot schaap, en van kameel tot ezel  , aldus sprak de profeet met de autoriteit van een groot-ayatollah tot de koning.
Saul volvoerde de opdracht succesvol, maar toch net niet helemaal en net niet helemaal is helemaal niet in de ogen van de onverbiddelijke opdrachtgever. Het beste van het vee werd niet gedood; de koning en zijn leger namen het mee. Alle mannen, vrouwen en kinderen sloeg Saul met het zwaard, maar één man niet: de koning van de Amalekieten, Agag, die voerde hij met zich mee naar huis. Dit tot beweerd ongenoegen van de Eeuwige en tot ontsteltenis van zijn middelaar Samuel, die hierdoor diep geschokt was, de hele nacht wakker lag en riep tot de Eeuwige. De volgende ochtend legde hij woedend de koning zijn nalatigheid inzake de opdracht voor. Saul probeert zich er nog uit te redden. Het vee was immers bestemd tot dankoffer aan de Eeuwige. Het zou kunnen, maar het klinkt toch een beetje als een uitvlucht. Daarna geeft hij toe: ik was bang voor de aandrang van de soldaten, die kennelijk buit wilden. Dat is goed voorstelbaar want vaak is de buit ook de betaling van de soldaten. De koning vraagt Samuel vergeving, maar de oude profeet blijft onvermurwbaar. Het koningschap wordt hem ontnomen en de Eeuwige komt nooit op zijn besluiten terug, zo zegt de profeet.
Dan komt het geval Agag aan de orde, de koning van Amalek, wiens leven is gespaard, als trofee van de overwinning of uit een spoor van compassie, dat is de vraag. De bejaarde richter beveelt de man voor hem te leiden, die nog denkt dat zijn leven zal worden gespaard, en houwt hem zonder pardon in vieren.

Als we uit de huid van Samuels tijd kruipen, wat kan het ons als bijbelstuk nu leren?  Vanuit het referentiekader van de zogenoemde moderniteit, noemen wij de opdracht aan koning Saul zonder meer een opdracht tot genocide. Niet zozeer de ongehoorzaamheid van de koning aan God, c.q. de profeet is dan het kwaad, maar de gehoorzame uitvoering van die opdracht om een volk van de aardbodem weg te vagen. Laat er geen misverstand over bestaan: ik zie de Tora en de Tanach als goddelijk geïnspireerd maar door menselijke geest ontvangen en door menselijke hand geschreven. Er is in de geschriften een progressie waar te nemen in de mate van verlichting waarin de divine inzichten zijn ervaren, waargenomen, opgetekend en geïnterpreteerd.
Van een partijdige stammengod, die gunstig gestemd moet worden met dierenoffers en die wanneer hij niet stipt gehoorzaamd wordt straft met plagen en nederlagen zien we een ontwikkeling naar een schenker van inzichten in universele waarden van gerechtigheid en compassie, gepaard aan een oproep aan de mensen die te realiseren. Een liberale opinion leader als John Rayner zegt het zo:  Wanneer je jezelf eenmaal bevrijd hebt van dogmatische vooronderstellingen, kan niets ter wereld je er ooit weer van overtuigen dat de God van rechtvaardigheid en barmhartigheid, zoals hij in veel delen van Tenach naar voren komt opdracht gaf op de genocide op de Amalekieten . (3)

Noten
(1) Commentaren op de allerlei aspecten van de parasja Tetsawee zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website .
(2) Lees het boek Ester in een versie voor jongeren op mijn website
(3) John D. Rayner, Halacha, een progressief Joods perspectief, Stichtng Sja'ar, 2003, p 11, 12
Toch is het goed om ook een poging tot een  verdedigend woord tbv Samuel op te voeren:
Al wie zich vergevingsgezind toont ten opzichte van de wreedaard zal tenslotte wreed worden tegen de vergevingsgezinden, aldus R. Elazar in Tanchuma Metzora , maw mildheid tov de wredaards zal uiteindelijk op jezelf terugslaan, omdat je uiteindelijk wel wreed zal moeten worden tegen de aanvankelijk toegestane uitwassen. Had Hitler gespaard moeten worden?  zie http://www.uscj.org.il/commentaries/parashat-tetsavveh/

Vrolijk Poeriem Chag Poeriem sameach !

Haftara bij de parasja Teroema

 I Koningen 5:26-6:13 (1)

In de parasja Teroema  (Exodus/Sjemot  25 - 27:20 ) krijgt Mosjee de opdracht om aan het volk te zeggen, dat het gaven moet geven, allerlei kostbaarheden, ieder zoals zijn hart hem ingeeft. Van deze gaven zal een heiligdom gemaakt worden; verder wordt in deze parasja beschreven hoe de te vervaardigen heilige arke ( ha-aron ha-kodesj) , de rituele objecten en verder de tent der samenkomsten, de  misjkan , eruit moeten zien.(2)
De parallel bij de profeten ( Neviïem ) is snel gevonden: de bouw van de tempel van Salomo, in feite een gigantische versie in steen van de misjkan (tabernakel). De pasjiot van Teroema tot en met Pekoedee, dus tot het einde van het boek Exodus zijn – met uitzondering van de geschiedenis met het gouden kalf - een model voor de hoofdstukken 5 tot in hoofdstuk 8 in 1 Koningen.

Na alle oorlogen die koning David had gevoerd was er vrede en welvaart neergedaald over Israël. Salomo werd al spoedig wereldberoemd in het Midden-Oosten om zijn macht en om zijn wijsheid, die ook zijn kennis omvatte over flora en fauna (HSV 4:32, NBV 5:12).  Nu was de tijd gekomen om het verlangen te realiseren van vader David: de bouw van een tempel, een beet ha-mikdasj . Tot nu was de eredienst gelokaliseerd gebleven bij de oude tabernakel op de offerhoogte van Gibeon, waar ook de heilige ark stond.(3) Gelukkig was de grote vriend van David, Chiram, de koning van het Libanese Sidon, bereid ook diens zoon Salomo te helpen met cederhout en de ambachtelijke kunst van bronsbewerking.
Een machtig leger van arbeiders werd – vrijwillig, dat is de vraag – opgetrommeld en te werk gesteld:
NBV 5: 27 Uit heel  I sraël liet ?S a lomo? mensen komen om ?herendienst? te verrichten, wel dertigduizend man.  28 Die stuurde hij in ploegen naar de L i banon, tienduizend man per maand: één maand werkten ze in de L i banon (om bomen te kappen en te sjouwen) en twee maanden thuis. Adon i ram was opzichter van de ?herendienst.  29 Verder had ?S a lomo? zeventigduizend sjouwers en tachtigduizend steenhouwers aan het werk in de bergen,  30 nog afgezien van de drieëndertighonderd opzichters die met de leiding over het werkvolk.

Zo begon het werk aan de tempel, dat vier jaar duurde. Net zoals in Exodus/Sjemot wordt In detail beschreven, hoe het bouwwerk eruit ging zien: het heilige der heilige, het heilige, de binnenhof en alle daarbij behorende attributen zoals de lampenstandaarden, de tafels der toonbroden, het wierookaltaar, het wasbekken (‘de zee') en het offeraltaar. Er zijn mooie reconstructies gemaakt op basis van de gegevens uit de boeken Koningen en Kronieken, die een indruk geven van de pracht en praal van de tempel, waarbij ook opvallen de reuzengrote cherubs die de ark in het heilige der heilige flankeren.(3) De parasja eindigt met een hernieuwde belofte van de Eeuwige:
6 11: Toen sprak de Eeuwige tot ?S a lomo:  12 ‘Jij bouwt nu dit ?huis. Welnu, als jij je aan mijn voorschriften houdt, mijn rechtsregels volgt en mijn geboden strikt naleeft, zal ik nakomen wat ik je vader ?D a vid? met betrekking tot jou heb beloofd.  13 Ik zal te midden van de Israël ie ten komen. 
Een uitspraak die doet denken aan de belofte aan de smekende Mozes (Mosjee) gedaan om te midden van de Israëlieten mee te gaan op hun trektocht (Ex/Sjem 33).

Na het haftaragedeelte volgen tot in hoofdstuk 7 en 8 nog veel meer details over het gebouw en het interieur. Dan staat er: 8 10: : En het gebeurde, toen de ?priesters? uit het ?heiligdom? gingen, dat de wolk het ?huis? van de Eeuwige vervulde. 11 Vanwege de wolk konden de ?priesters? niet blijven staan om dienst te doen, want de heerlijkheid van de Eeuwige had het ?huis? van de Eeuwige vervuld.
We vinden een voorafspiegeling in Exodus/Sjemot  (of is er sprake van een naspiegeling): Als de tabernakel eindelijk klaar is daalt de wolk van de Eeuwige op de tent en vult hem met Zijn aanwezigheid ( kawod ): 40:34: Toen overdekte de wolk de ?tent? van ontmoeting, en de heerlijkheid van de Eeuwige vervulde de ?tabernakel, 35 zodat ?Mozes? de ?tent? van ontmoeting niet kon binnengaan, omdat de wolk daarop bleef en de heerlijkheid van de Eeuwige de ?tabernakel? vervulde.

Al onder de lange regering van de machtige Salomo begon de afvalligheid van de geboden, die nog zo vaak het koningschap en de natie Israël zouden gaan ondermijnen, een proces van verval dat een speciaal beroep deed ontstaan, althans er een nieuwe invulling aan gaf: de profeet, die als opponerende eenling het heersende en corrupte regime aanklaagt.

In de Joodse mystiek kan de tempel gezien worden als vol symbolische betekenissen, bijvoorbeeld als een schema van de staat van existentieel bewust zijn. De voorhof is dan de sfeer van ons dagelijks bewustzijn, met zijn beslommeringen van alle dag, van de grotere en kleinere interacties met de omgevende wereld, met zijn zorgen en zijn vreugden, zijn eindeloos gepieker en zijn creatieve invallen. In de voorruimte van de tent begint de inkeer, het diepere schouwen, het is de plaats van gebed en meditatie, waarbij de focus op het licht van de menora, de rijkdom van het brood en de geurige adem van het gouden reukaltaar kan helpen. Dan is de stap in de ruimte van het heilige der heilige soms gegund, het oord van een blij vermoeden, van alomvattende vergeving, van het verticaal reikend contact met de bron van het bestaan, welke naam je er ook wel of niet aan wil geven. (4)

Noten
(1) In de HSV is de telling iets anders: HSV 5:12 -6:13
(2) Commentaren op de parasja Teroema zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website .
(3) Overigens werden er na Salomo na zijn dood, bij de scheuring van zijn rijk in tweeën, door koning Jerobeam (Jerovam) van het noordelijk rijk twee gouden kalveren opgericht, een in Beet-El en een in Dan. 1 Koningen 12:26-30
(4) Een mooie dynamische reconstructie: https://youtu.be/oiF-wObznds
(5) Een duiding van de tempel in de sfeer van de kabbalistische sefirot is te vinden in Malachi De Clercq, De Sophia en Sjechina traditie in de joodse mystiek  Een onderzoek naar het vrouwelijke aspect van de kabbalistische Godheid, p. 45 ev  https://lib.ugent.be/fulltxt/RUG01/002/479/131/RUG01-002479131_2018_0001_AC.pdf

Haftara bij de parasja Misjpatiem

2 Koningen 12:1-17

De parasja Misjpatiem (Sjemot/Exodus 21:1–24:18) wordt wel ‘het boek van het verbond' genoemd. Immers het grootste deel van de parasja bestaat uit allerlei belangrijke regels, deels een uitwerking van de Tien Woorden, hetgeen uitmondt in de sluiting van het Verbond (het eerste van vele, die door Tora en Tenach heen telkens opnieuw worden gesloten).

De reguliere haftara is Jeremia ( Jirmejahoe ) 34:8 -22; 33:25-26 . Ook daar is sprake van een nieuw verbond van koning Zedekia ( Tsidjkijahoe ) van Juda met de Eeuwige, waarin met name de in Misjpatiem verordonneerde vrijlating van Israëlitische slaven na zeven jaar dienst - een bepaling die geheel niet meer n acht werd genomen - weer wordt ingesteld. Echter na een tijdje kwam men er weer op terug en werden de vrijgelatenen weer tot slaaf gemaakt, een schandelijke woordbreuk, die Jeremia brengt tot het voorzeggen van de definitieve ondergang van de koning en het koninkrijk Juda. Aan de haftara is nog een woord van troost toegevoegd uit hfst 33: Want Ik zal een omkeer brengen in hun gevangenschap en Mij over hen ontfermen.

In de liberale cyclus is echter een andere haftara gekozen; want de sjabbat, waarop Misjpatiem wordt gelezen kent een aanvullende lezing uit Exodus/Sjemot, de eerste van de vier aanvullende lezingen, die worden gedaan op de vier sjabbatot in de aanloop naar Pesach. Het is Sjemot/Exodus 30:11-16, het begin van de parasja Tisa, het stukje over de volkstelling die gepaard gaat met de heffing van een halve sjekel per volwassen persoon. Vandaar de naam Sjabbat Sjekaliem.
30:14   Ieder die meegeteld wordt, iedereen van twintig jaar of ouder, moet deze heffing voor de Eeuwige betalen. (…)  Het losgeld dat je van de Israëlieten in ontvangst neemt, moet gebruikt worden voor de dienst in de ontmoetingstent.

De daarbij horende haftara bevat een verhaal dat ook gaat over inzameling van heffingen uit 2 Koningen 12 ev. De zevenjarige Joas ( Jehoasj , eind 8 ste eeuw BCE) werd koning gesteund door hogepriester Jojada ( Jehojada ). Hij was nauwelijks ontkomen aan de pogingen van de verdorven regentes van Juda,  Athalia, de moeder van de vorige koning Achazia, het huis van David uit te roeien. Als baby was hij ondergedoken geweest op de zolder van de tempel. Met hem begon weer een betere wind te waaien. De nieuwe koning gaf de priesters toestemming heffingen en donaties aan sjekels ( sjekaliem ) ten behoeve van de tempel te innen mits ze daaruit ook de herstelwerkzaamheden aan het heilige gebouw zouden betalen. Na enige tijd (23 jaar!) bleken zij dat helemaal niet gedaan te hebben en de tempel bleef bouwvallig. Misschien bleef er te veel aan de strijkstok hangen. Toen n am de ?priester? Jojada, de mentor van de koning, een revolutionaire maatregel, hij nam een kist (12:9) boorde een ?gat? in het deksel ervan en zette die naast het altaar, aan de rechterkant als men het ?huis? van de Eeuwige binnenkomt; en de ?priesters? die de deurwacht hadden, deden daar al het ?geld? in dat in het ?huis? van de Eeuwige gebracht werd .'
Periodiek werd het geld door de Jojada en de schrijver des konings geteld en gegeven aan aannemers die het uitbetaald aan de timmerlieden en aan de bouwlieden die aan het ?huis? van de Eeuwige werkten. Zo werd de continuïteit in het onderhoud van de tempel gegarandeerd. Het is misschien wel de manifestatie van het eerste fonds in de geschiedenis.

Haftara bij de parasja Besjalach

Rechters 4:4-24 Het verhaal van Debora

De parasja Besjalach (Sjemot/Exodus 13:16-18) (1) beschrijft hoe het Egyptische leger de uit het land wegtrekkende Israëlieten die net aan de macht van de farao zijn ontsnapt achtervolgt tot het vertwijfelde volk aan de Rietzee staat. De zee splijt voor hen en geeft hen doortocht, maar sluit zich boven de Egyptische soldaten, die verdrinken. Mozes heft een loflied aan over dit wonder. Zijn zuster Mirjam zingt en danst met de vrouwen een reidans.
De haftara vertelt in het boek Rechters ( Sjoftiem ) een vergelijkbaar verhaal over een wonderlijke overwinning onder leiding van de rechter en profetes Debora (Devora) en legeraanvoerder Barak op de overheersende Kanaänieten. Hoewel niet tot de haftara gerekend hoort de lofzang van Debora en Barak over deze overwinning (hfst 5) er als poëtische afsluiting eigenlijk wel bij.

In de tijd van de Rechters ( sjoftiem ) was het land Kanaän maar gedeeltelijk in handen van de stammen van Israël. Soms kregen andere volken tijdelijk de overhand over de stammen Israëls. Een periode van onderdrukking wordt in deze verhalen meestal ingeleid een mededeling in de trant van Rechters 3:7 (bij eerste rechter Otniël): En de Israëlieten deden wat slecht was in de ogen van de Eeuwige, en zij vergaten de Eeuwige, hun God (en gingen andere afgoden dienen). Diens toorn uitte zich dan gewoonlijk door onderdrukking toe te laten door andere Kanaänitische volken of naburige naties. In hun wanhoop wendden de Israëlieten zich dan weer tot hun verwaarloosde Ene god om te smeken om uitredding.  Na enige tijd stond er een dapper en rechtvaardig man op om leiding te nemen in de strijd en de Israëlieten weer voor jaren rust en veiligheid te bezorgen. Dit patroon zou zich eindeloos herhalen tot en met de laatste koning van Juda.
In het boek Rechters traden over een aantal eeuwen twaalf rechters op. Debora was de vierde, de vrouw van Lapidot  - iesja lapidot , hetgeen ook wel geduid wordt als ‘vrouw van vuur' ( lapid = fakkel). Het moet een fascinerende vrouw zijn geweest, een van de zeven tot profetes gerekende vrouwen in Tanach (2). De verteller van dit verhaal heeft geen enkel probleem met het vrouw zijn van de leider en profetes van de Israëlieten, wier naam behalve ‘bij' ook ‘'spreekster' betekent.
Rechters 4 5: Zij woonde onder de palmboom van ? Debora, tussen Rama en Bethel, in het bergland van Efraïm, en de Israëlieten gingen voor de ? rechtspraak ? naar haar toe. (3)
In die tijd maakte koning Jabin ( Javin ) van Hazor ( Chatsor ) de dienst uit in Kanaän. Hij had een sterk leger van 900 ijzeren strijdwagens onder bevel van generaal Sisera. Twintig jaar lang onderdrukte hij de Israëlieten, zodat ze niet durfden reizen en zich opsloten in hun dorpen. Ze riepen weer tot de Eeuwige om verlossing.
Debora moet in vervoering hebben gezien hoe Sisera en zijn leger verslagen konden worden en liet de legerleider Barak bij zich komen en verzekerde hem dat hij de overwinning bij de berg Tabor voor hem zou zijn. Barak wilde alleen optrekken als Debora mee zou gaan, hetgeen ze toestemde met de woorden dat er voor u geen ? eer ?  te behalen (zal) zijn, want de Eeuwige zal Sisera overleveren in de hand van een vrouw .
Daarmee bedoelde ze niet zichzelf zoals later zal blijken. Barak daalde met tienduizend man van de stammen Zebulon ( Zevoeloen ) en Naftali de berg Tabor af en overviel de strijdwagens van Sisera in het dal van de beek Kisjon, waar de wielen – waarschijnlijk mede door een wolkbreuk – in de modder raakten. Het leger van Sisera raakte in verwarring en werd verpletterend verslagen. Barak achtervolgde de generaal, die te voet vluchtte en onderweg zich verschool – en hier komt de tweede vrouw in het spel – de tent van Jaël, de vrouw van een naar Sisera aannam bevriend stamhoofd. Maar Jaël had andere plannen. Ze sloeg de van uitputting in slaap gevallen gast een pin door de slaap en offreerde de voorbijkomede achtervolger Barak het dode hoofd van zijn vijand.

Debora zingt na de overwinning samen met Barak (4) een lofdicht, een poëtisch verslag, het lied van Debora, dat hen uit het hart op lijkt te wellen. Het wordt door de filosoof en religiewetenschapper Martin Buber en andere bijbeldeskundigen gerekend tot een van de oudste teksten van Tanach. De woorden juichen in ruige metaforen de blijdschap uit over de herwonnen vrijheid. Ze getuigen van een geloof in een god, die geen afgod meer is, maar die als onzichtbare maar levende presentie omziet naar het volk en de krachten van de natuur voor hen inzet, als dat volk zich tot hem wendt. Het is een eenvoudig oergeloof, waar we als verlichte rationele mensen soms jaloers op kunnen zijn. Martin Bubers omschrijving drukt hun godsbeleven goed uit: ‘“Een 'monotheïstische idee” is hier niet geconcipieerd en niet uitgesproken, maar de facto, in de feitelijkheid van het geloofde leven, bestaat er voor de mens van dit lied slechts de éne God en kan er alleen deze éne bestaan. Dat deze God in het onweer naderbij komt, in een onweerswolk vanuit het zuiden (5:4) die losbreekt over het wagenpark van de vijand, betekent niet dat hij, zoals de Hadad van de Syriërs, 'een weer-god', maar dat hij de God óók van het weer is, zoals hij niet, als de Assur van de Assyriërs, 'een krijgsgod' is, maar alleen óók oorlog voert, zijn vijanden bestrijdt en ze overwint. Hij, 'die op de donkere wolk rijdt', (…) is geen regengod, maar de God, die het óók laat regenen. En hij komt niet, zoals men pleegt te zeggen, van de Horeb ( Chorev , andere naam voor de berg Sinaï, RC), waar hij zou wonen, daarvan is hier helemaal geen sprake, maar hij komt met het komende onweer en treedt vanuit het duister naar voren, om de scharen van zijn volk te leiden in de strijd.' (5)

Noten
(1) Verschillende commentaren op Besjalach zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website .
(2) De zeven profetessen zijn Sara, Mirjam, Debora, Channa, Avigaïl, Chulda en Ester
(3) De ‘palmboom van Debora' ( tomer Devora ) is ook de titel van een boek van Mozes Cordovero (16 e eeuw) over de navolging van de attributen van de Eeuwige, een populair boek bij moesarniks en kabbalisten, in het Nederlands verkrijgbaar bij Pardes: Dadelpalmboom van Debora (vertaling: drs. Henk J. Huyser)
(4) Debora, een vrouw als een fakkelvuur (lapid) en Barak, hetgeen ‘bliksem' betekent: een vurig duo dus!
(5) Martin Buber heeft de geloofsessentie van het Jodendom van Tanach onderzocht in zijn boek ‘Het geloof der profeten', Servire, 1972, mijn citaat is uit hfst 1, de geschiedzang van Debora, p.15 ev

Haftara bij de parasja Bo

Jeremia 46:13-28

Jeremia (Hebreeuws: Jirmejahoe) is de tweede van de drie zogenoemde grote latere profeten. Als jongeman tijdens de regering van koning Josia (Josjijahoe, 7 e eeuw BCE) werd hij geroepen in het koninkrijk van Juda te profeteren tegen wetteloosheid en zedeloosheid, verwaarlozing van armen en afgodendienst die gepaard ging met afschuwelijke misstanden zoals kinderoffers. Hij bleef dat doen met een aandoenlijke vasthoudendheid tot zijn dood ondanks dat zijn boodschap zelden gehoor vond. Hij voorzag de val van Jeruzalem, de verwoesting van de stad en de wegvoering in ballingschap van talloze Judeeërs naar Babel. Hij was het archetype van de profeet die in eigen stad niet geliefd was. Hij had iets van een combinatie van klokkenluider, boeteprediker en politiek commentator met fijne intuïtie voor wat aanstaande was. Bespot werd hij, weggehoond en meerdere keren hij gevangengezet zoals door de laatste koning van Juda, Zedekia (Tsidkijahoe), met wie hij vele aanvaringen had. Na de verwoesting van Jeruzalem door de koning van Babel, Nebukadnetsar (Nevoechadnetsar), kwam hij terecht in Egypte waar vele Judeeërs heen waren gevlucht. Ook daar zette de veelbeproefde profeet zijn profetieën voort.  Vermoedelijk heeft hij daar de passages, die nu de haftara van de parasja Bo (Exodus/Sjemot 10:1–13:16) (1) vormen, geschreven, verzen die voor Egypte en zijn farao nederlagen in de oorlog en verwoesting in schrille beelden beschrijven, zoals in onderstaand fragment

46 22 Egypte ? kruipt sissend terug als een slang, (2 )
nu de legers ertegen oprukken.
Met bijlen gewapend komen de houthakkers aan.
23 Ze vellen de bossen die ondoordringbaar leken
– godsspraak van de Eeuwige.
Talrijker zijn ze dan de sprinkhanen,
ze zijn niet te tellen.
24 Zo wordt ? Egypte ? vernederd,
overweldigd door een volk uit het noorden.'

De parallel tussen de Parasja Bo en deze passages uit Jeremia is duidelijk: Evenals in de tijd van de plagen in het boek Exodus/Sjemot zullen de farao, Egypte en zijn afgoden het zwaar te verduren hebben. De hoogmoed van de zich god wanende farao mag niet ongestraft blijven. Ook de Judeeërs in Egypte die niet naar Jeremia wilden luisteren delen in dit lot.  De retributie komt vanuit het noorden, in de vorm van de soldaten van Nebukadnetsar. Die zullen als de spreekwoordelijke sprinkhanen Egypte verwoesten. In alles ziet de profeet de hand van de Eeuwige en hij noemt in die anti-Egyptische operatie de koning van Babel een instrument van de Eeuwige, letterlijk ‘een knecht van God'.


Ditmaal een korte theologische excursie (of een poging daartoe).
Profeten zoals Jeremia begrepen de wereld en haar geschiedenis zoals dar veel in Tora en Tenach gebeurt in een strak model van de goddelijke voorzienigheid, die de mens gebruikt als pionnen in zijn plan. Het paradigma van een superregisseur die beschikt, beschermt, beloont en bestraft – zo figureert Hij ook in de gezangen van de eredienst – lijkt mij in deze moderne tijden toch te simpel. Twintigste-eeuwse filosofie heeft God met zijn voorzienigheid helemaal afgeschaft en ziet de menselijke positie als eenzaam in de kosmos en opgezadeld met de opdracht het beste ervan te maken. Hij moet zijn eigen leven ontwerpen en enige vooraf gegeven zin is in de schepping niet ingebouwd. Wanhopig, moedig en opstandig neemt hij zijn eigen lot in handen à la Albert Camus in zijn ‘mythe van Sisuphus'.

Een half leven lang heeft deze visie mij wel verleidelijk geleken, maar toch, nu probeer ik een stapje verder te gaan. Het joods gedachtegoed kent de paradox, dat mij (tot op zekere hoogte) een vrije wil is gegeven, maar dat er daarnaast en vooral ver boven mij of onder mij, meestal buiten zicht, sprake is van een oneindige dragende presentie. Die presentie is dynamisch. Op het niveau van ons mensen kunnen we soms opvangen als een stem die ons coacht in een bepaalde richting, een stem die de wil opwekt om de dwingende regie van primaire emoties en instincten te boven te komen en om ons te ontwikkelen in de richting van een leven in eerlijkheid, respect voor de ander, solidariteit met verdrukten, een stem die het verlangen wekt om dat te doen met oorspronkelijkheid en creativiteit. Misschien is voorzienigheid niets meer dan dat in het voortschrijden door de woestijn van de tijd het streven in de mensheid om dat verlangen naar het goede te realiseren net iets de overhand blijkt te hebben over de neiging tot toegeven aan en morele onverschilligheid tegenover het kwade. Die paradox lees ik in de Spreuken der Vaderen, waar rabbi Akiva zegt: ‘Alles is voorzien en de vrije wil is gegeven'. (2)

noten

(1) Verschillende commentaren op Bo zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website .
(3) Volgens mij een toespeling op de grote slag bij Karchemish aan de Eufraat (605 BCE), waarbij de legers van farao Necho II een grote nederlaag leden en door de koning van Babel werden verdreven uit Palestina en Syrië, dat onder Egyptisch gezag had gestaan.
(2) Talmoed Pirkee Avot 3:15

Haftara bij de parasja Wa'era

Ezechiël 28:25-29:21

Ezechiël (Hebreeuws  Jechezkel ) is de derde van de drie ‘grote' profeten naast Jesaja en Jeremia. Als jonge man werd de priesterzoon als balling weggevoerd uit Jeruzalem naar Babel waar hij bivakkeerde bij de rivier de Kebar (6 e eeuw BCE). Daar profeteerde hij door de geest bevangen over de ondergang van Jeruzalem en Israël, maar ook over hun toekomstige verrijzenis. Ook de ineenstorting van de omringende landen in het toenmalig Midden-Oosten komt uitgebreid aan bod.
In deze haftara bij de parasja Wa'era (1) profeteert Ezechiël vooral over het lot van Egypte en zijn farao, vermoedelijk mede ingegeven, omdat Egypte de ondergang van Juda niet heeft voorkomen, zie bijv Ezechiel 29:6 (2). De parallel met Wa'era is duidelijk; Mosjee waarschuwt daarin de farao telkens om zijn koppigheid en hooghartigheid te laten varen en de Israëlieten vrij te laten; Mosjee's woorden en de door hem opgeroepen catastrofes die deels de levensader van Egypte, de Nijl, treffen doen de zich god wanende farao het hoofd niet buigen voor de hogere wil van de God van Mozes.

Vele eeuwen later is Egypte nog steeds een grootmacht in de toenmalige wereld van het Midden-Oosten, naast het Babylonische rijk van Nebukadnetsar. Het heeft wel iets weg van onze wereld met Amerika en Rusland (of is het nu China?) als centrale politieke machten.
De hoogmoed van de farao is in Ezechiëls tijd niet afgenomen:

29:3 ‘ Zie, Ik zál u, ? farao,
koning ? van ? Egypte,
groot ? zeemonster,
dat in het midden van zijn rivieren ligt,
dat gezegd heeft: Mijn ? Nijl ? is van mij
en ik heb die zelf voor mij gemaakt!'

Ezechiël voorspelt voor Egypte een reeks van rampen, die iets weg hebben van de plagen uit Exodus. Het lijkt wel of hij over de Egyptenaren een soort contra-narratief vertelt van het Israëlitisch lot van verstrooiing en herinzameling der ballingen. Want de Eeuwige – zo gaat de profeet verder – ;

(29:12 ev) ‘ van het land ? Egypte ? een woestenij maken te midden van verwoeste landen, en zijn steden zullen een woestenij zijn te midden van verwoeste steden, veertig jaar lang. Dan zal Ik de ? Egyptenaren ? verspreiden onder de heidenvolken en Ik zal hen over de landen verstrooien.
Merk op, dat de profeet hier ook een verstrooiing van de Egyptenaren voorspelt, zoals dat ook al in Deuteronomium is gedaan voor de Israëlieten (Deut 28:63,64). Maar ook de Egyptenaren zullen ooit weer verzameld worden, zo zegt de God volgens Ezechiël (29:13):
  ‘ Na verloop van veertig jaar zal Ik de ? Egyptenaren ? bijeenbrengen uit de volken waaronder zij verspreid zijn. 14 Ik zal een omkeer brengen in de gevangenschap van de ? Egyptenaren ? en hen terugbrengen naar het land Pathros ( andere naam voor het zuiden van Egypte, RC ), naar het land van hun oorsprong. '
Maar de rol van het ooit zo machtige rijk op het wereldtoneel is dan uitgespeeld.
‘Daar zullen zij dan een onbeduidend koninkrijk zijn. Het zal onbeduidender zijn dan de andere koninkrijken en het zal zich niet meer boven de heidenvolken verheffen. Ik zal hen namelijk zo klein maken dat zij niet over de heidenvolken kunnen heersen.'

Inderdaad hebben de Egyptenaren als imperium nooit meer een rol van betekenis gespeeld. Nebukadnetsar plunderde Egypte en daarna kwamen al snel de Perzen, de Grieken, de Romeinen, de Arabieren, de Turken en tenslotte was het lange tijd een vazalstaat van het westen.

Als we nog even verder lezen voorbij de verzen van deze haftara blijkt het leed van de farao volgens de profeet nog lang niet geleden. Nog lange hoofdstukken gaan over het strafgericht over hem en zijn Egypte. In zogenoemde klaagliederen over de Farao en Egypte (hfst 32) geeft Ezechiël een lange beschrijving hoe de farao en alle andere heersers en helden die aan de profeet uit de geschiedenis van zijn Midden-Oosten bekend zijn in het dodenrijk zijn afgedaald en naast elkaar de eeuwige rust genieten. De schrijver had een sterk gevoel voor de vergankelijkheid van de macht. Het doet denken aan
‘Opgaan, blinken, en verzinken, is het lot van ieder dag (…) Of de kronen luister tonen, volken, staten, bloeiend staan, langer stonde duurt hun ronde, maar hun avond spoedt toch aan', zoals een Hollands dichter zong in de tijd van Napoleon. (3) Vele rijken, al dan niet onder keizers, zonnekoningen en dictatoren, zijn opgekomen, hebben gebloeid en zijn verzonken. Ook van Europa wordt wel gezegd, dat het in die derde periode van verzinken verkeert. En spoedt de avond van Amerika – op het toppunt van economische bloei – onder zijn huidige president niet aan?

noten

(1)29:6 En al de inwoners van ? Egypte ? zullen weten dat Ik de Eeuwige ben, omdat zij voor het ? huis ? van Israël een rietstaf geweest zijn. 7 Toen zij u bij uw hand grepen, knakte u. De middeleeuwse commentator Rasji: ‘vaak vertrouwden de Israëlieten op hen in de dagen van de Assyrische koning Sanherib en in de dagen van Nebukadnetsar, maar het haalde niets uit zoals een rietstengel, die zacht is en geen steun geeft aan wie op hem leunt.' Zie ook Jeremia 46
Koning Josia (Josjijahoe) stond de farao Necho II in de weg toen de laatste optrok tegen de Babyloniers. Het Egyptische leger versloeg de Judeeërs in 609 BCE bij Megiddo, waarbij Josia sneuvelde. Vijf jaar later werd het Egyptische leger verpletterend verslagen bij Karchemisj aan de Eufraat. Dat betekende het einde van de Egyptische dominantie.
(2) Verschillende commentaren op Wa'era zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website .
(3) Willem Bilderdijk in ‘Afscheid'

Haftara bij de parasja Sjemot         © Rob Cassuto

Jesaja 27:6-28:13, 29:22-23.

Veel bijbelwetenschappers zijn het erover eens, dat het bijbelboek Jesaja (Jesjajahoe) is geschreven door minstens twee personen. Men onderscheidt een eerste Jesaja en een tweede Jesaja, die dan deutero(tweede)- Jesaja wordt genoemd. Tot hoofdstuk veertig spreekt de eerste Jesaja, die leefde in de turbulente achtste eeuw, vanaf hoofdstuk veertig is een tweede Jesaja aan het woord die waarschijnlijk leefde in de babylonische ballingschap in de zesde eeuw.
De Jesaja van deze haftara profeteert tegen de misstanden in het noordelijk rijk Israël – meestal aangeduid met Efrajim - , dat in Jesaja's tijd na de val van de hoofdstad Samaria (Sjomron) en de deportatie van de inwoners naar Assyrie al verdwenen was. Maar ook het zuidelijke koninkrijk Juda dat nog even zal bestaan krijgt ervan langs.
De jammer over ellende, verwoesting en verbanning wordt afgewisseld met profetieën van herstel, verlossing van Israël en grote nieuwe bloei. Wat betreft de parallel met de parasja Sjemot: het boek Genesis eindigde met het settelen van Jacob met zijn huishouding in Egypte, de parasja Sjemot - de eerste parasja van het boek Exodus/Sjemot - treft de afstammelingen van Jacob aan in grote ellende en beschrijft de eerste stappen die worden gezet door Mosjee op de weg naar verlossing die leidt naar de uiteindelijke bestemming van het land Israël.(1)

De haftara begint in majeur:

27 6 In de dagen die komen, zal ? Jakob ? wortel schieten,
Israël zal bloeien en groeien
en zij zullen het wereldoppervlak met vruchten vervullen.

Rasji ziet in zijn middeleeuws standaardcommentaar in deze niet geheel heldere Hebreeuwse tekst overigens geen toekomende tijd, maar een verleden tijd; hij meent een toespeling te lezen op Jacobs komst naar Egypte en de uitgroei van zijn nakomelingen tot een vruchtbaar volk.
Dan komen wat mistige passages van tegenslag en ontbering, bv over een stad die is gestraft en die nu leeg en verlaten is, vermoedelijk de stad Samaria (staande voor het noordelijk rijk Israël), die na een lange belegering in 721 BCE viel. Maar ooit komt er een betere dag:

27 12 Op die dag zal het gebeuren
dat de Eeuwige de aren zal uitkloppen
vanaf de rivier tot aan de Beek van ? Egypte;
en ú, Israëlieten, zult worden opgeraapt,
één voor één.

Het beeld van het dorsen van graan wordt hier gebruikt. Eerst worden de aren geklopt en dan worden de korrels opgeraapt en verzameld. Zo zullen de ballingen worden verzameld, vanaf de rivier (dwz de Eufraat) en vanaf de rivier de Nijl, zeg maar vanaf de vier hoeken van de aarde, wat genoemd wordt de kibboets galoejot , inzameling der ballingen. Dat beeld wordt nog sterker aangezet in het volgende vers.

13 Op die dag zal het gebeuren
dat op een grote bazuin geblazen zal worden
Dan zullen zij komen die verloren waren in het land van ? Assyrië,
die verdreven waren naar het land ? Egypte.
En zij zullen zich voor de Eeuwige neerbuigen
op de ? heilige ? berg ? in ? Jeruzalem.

De grote bazuin ( sjofar gadol ) is in eschatologische uitleg de bazuin van de messiaanse tijd, die de komst van alle ballingen naar Jeruzalem met een geweldig geluid zal aankondigen.
Natuurlijk is dit in het Jodendom als een letterlijk te nemen profetie over een politieke toekomst opgevat. En gedeeltelijk lijkt het uitgekomen. Tegenwoordig woont de helft van de Joodse wereldbevolking in het wonderlijk herrezen Israël, dat nu een bonte en diverse verzameling Joden (en Arabieren) huisvest maar tevens ook een potentiele thuishaven blijft bieden voor de Joden in de diaspora.

Toch doen we er beter aam de voorzegging van Jesaja niet politiek maar meer allegorisch op te vatten als een visioen over een grote spirituele ommekeer van alle Joden (cq alle mensen), ‘ één voor één' , zegt de tekst en dat betekent volgens de rabbijnen: onverschillig of we orthodoxe, liberale of seculiere Joden zijn. Die terugkeer uit Egypte en Assyrië uit het vers kan je ook symbolisch uitleggen. Egypte is in het Hebreeuws mitsrajiem wat ook te vertalen is als ‘nauwten', ‘benauwenis', een plaats van psychische en materiele onderdrukking, waar de ziel verkwijnt. Assyrië is in het Hebreeuws asjoer , dat verwant is met osjer , rijkdom en luxe, een plaats van overdaad, waar de ziel wordt vergeten.(2) Terugkeer uit Egypte en Assyrië naar Jeruzalem is terugkeer uit respectievelijk slopende repressie en verblindende luxe naar een plek waar de ziel zich kan  manifesteren in zijn ware gedaante van dankbaarheid en liefde, mag ik dat ‘neerbuigen op de ?heilige? berg? in ?Jeruzalem' zo duiden? Die terugkeer hoeft niet massaal te zijn en je hoeft niet te wachten tot de messiaanse tijd. Iedere moment van persoonlijke terugkeer naar die plek brengt de messiaanse tijd juist een heel klein beetje meer nabij.

De haftara gaat verder met een beeldende beschrijving van hoe volk en priesters in het noordelijk en zuidelijk rijk in hun beschonken staat de boodschap van Jesaja niet begrijpen; priesters en (valse) profeten ‘ zwalken bij het uitleggen van het ? visioen, zij struikelen tijdens hun gerechtelijke uitspraak. Ja, alle tafels zitten vol walgelijk braaksel, geen plek is schoon.'
?De haftara besluit echter met een hoopvolle noot, zie de verzen 22 en 23 uit hoofdstuk 29,

Noten

(1) Verschillende commentaren op Sjemot zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website .
(2) Deze uitleg is een vrije bewerking van mij van een weergave van een uitleg door de Lubawitscher rebbe

Haftara bij de parasja Wajechi

1 Koningen 1-12

In de parasja Wajechi  (Beresjiet/Genesis 47:28-50:26) wordt beschreven hoe aartsvader Jacob op zijn sterfbed zijn elf zonen toespreekt in een vorm die soms het karakter van zegening heeft en dan weer meer op een orakel lijkt. (1) De haftara bij deze parasja is uit het eerste boek Koningen en beschrijft hoe een ander icoon uit Tanach, koning David, op zijn sterfbed zijn zoon en opvolger Salomo (Sjelomo) toesprak. De vader moedigde hem aan op om sterk en een man te zijn en in Gods wegen te wandelen. Maar dat was niet alles.

Er was nog wat ‘unfinished business' in 's konings leven. De hoogbejaarde David, keek terug op een veelbewogen leven met hoogtepunten maar ook diepe dalen.  Oorlogen had hij met succes gevoerd en opstanden had hij overleefd. Hij was geen heilige geweest, maar had zijn best gedaan rechtvaardig en lankmoedig te zijn. Op kardinale momenten was hij bereid geweest fouten toe te geven en boete te doen. Weliswaar was hij nu verzadigd van dagen, rijkdom en ?eer zoals Kronieken (1:28,28) het uitdrukt, maar een aantal zaken stonden zijn gemoedsrust in de weg, zaken die te maken hadden met de grootste crisis in zijn koningschap rond de opstand van zijn geliefde zoon Absalom. Gedachten aan een aantal personen die daar een rol in hadden gespeeld maakten, dat hij niet in vrede kon gaan. In verband daarmee lag er nog een taak voor Salomo weggelegd.

In de eerste plaats was daar Joab (Joav), de trouwe legeraanvoerder van David sinds zijn jonge jaren. Joab had een aantal keren op eigen houtje bloed doen vloeien. Abner (Avner), de generaal van Davids voorganger, mentor en later vervolger koning Saul was destijds naar David overgelopen en door de laatste als zijn legeraanvoerder in genade aangenomen. Dat was niet naar de zin van Joab, die hem verraderlijk neerstak. De ontstelde koning reageerde toen aldus met een welbespraakte vervloeking (Sam 2:3,29); ‘Laat de ?bloedschuld op het hoofd van ?Joab? blijven en op heel zijn ?familie, en laat er in het ?huis? van ?Joab? nooit iemand ontbreken die een ?vloeiing? heeft, melaats is, die op een stok leunt, door het ?zwaard? valt of gebrek aan brood heeft.' Maar Joab bleef wel als generaal gehandhaafd, zelfs ook nadat hij later nog een militaire concurrent uit de weg had geruimd, Amasa, die tijdens de opstand van Davids zoon Absalom diens generaal was geweest, maar door de koning weer in genade was aangenomen, ook weer tot ongenoegen van Joab.
Wat in de passages van deze haftara niet is vermeld is, dat Joab de opstandige Absalom toen die aan het eind van de door hem verloren slag hulpeloos met hoofd en haar in de takken van een boom bungelde hem met pijlen doorboorde en hem door zijn lijfwacht liet afmaken, ondanks dat David gesmeekt had zijn lievelingszoon te sparen. De wanhoop van de vader klinkt nog door alle eeuwen heen als we lezen hoe hij bij het doodsbericht van zijn zoon roept (2 Sam 18:33) ‘Mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom! Och, was ík maar in jouw plaats gestorven, Absalom, mijn zoon, mijn zoon!' Ik kan mijn niet indenken dat David hier niet ook aan heeft gedacht.
Dat Joab zijn positie steeds heeft kunnen blijven houden heeft hij waarschijnlijk te danken aan zijn onverbiddelijke loyaliteit aan de koning en zijn aan zijn militaire gaven. Maar nu geeft de koning een hint aan Salomo om Joab alsnog de prijs voor zijn eigenmachtig optreden te laten betalen, door ‘zijn grijze haar niet in ?vrede? in het ?graf? (te laten) neerdalen'.

Toen David op de vlucht was voor Absalom, die zich tijdens zijn opstand even koning mocht wanen in Jeruzalem, bivakkeerde hij met zijn manschappen in het stadje Machana'iem ten oosten van de Jordaan. Daar werd het leger royaal gesteund door de familie Barzillaï met  (2 Sam 17:28): bedden, schalen, ?aardewerk, tarwe, gerst, ?meel, geroosterd koren, bonen, linzen – ook geroosterd –  honing, boter, kleinvee en kazen van koeienmelk'. Dat heeft David nooit vergeten. Barzillaï zelf sloeg als hoogbejaarde de beloning af. Maar zijn zonen reisden met de koning mee terug naar Jeruzalem en werden daar door hem levenslang onderhouden. David draagt nu op zijn sterfbed aan Salomo op goed voor Barzillaï's nakomelingen te blijven zorgen.

Toen David op de vlucht voor zijn opstandige zoon Absalom was naar Machana'iem werd hij onderweg uitgescholden door Simeï, de zoon van Gera, een aanhanger van Davids voorganger koning Saul. Al vloekend en stenen gooiend begeleidde hij een tijd lang het voortvluchtige gezelschap. (2 Sam 15:16). Op de terugweg naar Jeruzalem na de overwinning op Absalom en zijn leger kwam Simeï de triomferende koning tegemoet en smeekte David om hem zijn vervloekingen en verwensingen van destijds te vergeven. David heeft toen gezworen hem niet te doden ondanks de aansporing van zijn generaals om dit wel te doen en hij liet hem vrijuit gaan, vermoedelijk ook om de vele aanhangers van koning Saul niet van zich te vervreemden. Vergeten heeft David dit voorval niet. Salomo is niet aan de eed om Simeï niet te doden gebonden, heeft David bedacht, dus draagt hij zijn zoon op Simeï alsnog te laten boeten.

Salomo bracht de verzoeken van zijn vader ten uitvoer en wie wil weten hoe dat in zijn werk ging leze de rest van dit tweede hoofdstuk van het boek 1 Koningen.

Noot
(1) Verschillende commentaren op Wajechi – met name op de ‘orakels' van Jacob -   zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website .

Haftara bij de parasja Wajigasj

Ezechiel 37:15–28

Ezechiël (Hebreeuws Jechezkel )  is de derde van de drie ‘grote' profeten naast Jesaja en Jeremia. Als jonge man werd de priesterzoon als balling weggevoerd uit Jeruzalem naar de ‘rivers of Babylon'. Daar profeteerde hij door de geest bevangen doem en retributie voor Jeruzalem, Israël en de omringende landen in het toenmalig Midden-Oosten. In het derde deel van het boek breken echter vergezichten door over de opstanding en het herstel van Israël in een verre toekomst van messiaanse allure. Ezechiëls profetieën kwamen tot hem in de vorm van een reeks wonderlijke visoenen die later grote invloed zouden hebben op meer mystieke richtingen in het Jodendom.

De haftara bij de parasja Wajigasj (Beresjiet/Genesis 44:18 - 47:27) (1) komt uit dat derde deel. Ezechiel voorziet, dat ooit de twaalf stammen van Israël weer herenigd zullen worden. We brengen in herinnering dat na de regering van koning Salomo de Israëlieten werden verdeeld in twee koninkrijken; het merendeel, tien stammen, vormden het noordelijke rijk Israel onder koning Jerobeam ( Jeravam ) en een zuidelijk deel, het koninkrijk Juda (waartoe ook de stam Benjamin hoorde) onder koning Rehabeam ( Rechavam ) uit de davidische dynastie.(2)  In de 8 ste eeuw BCE waren de tien stammen die het noordelijke rijk Israël hadden gevormd, door de Assyriërs gedeporteerd naar verre streken, waar ze opgingen in de volken aldaar. De stammen Juda en Benjamin van het zuidelijke koninkrijk Juda hadden leefden nu in ballingschap in Babylonië, waar ze niet opgingen in de Babylonische bevolking maar bij elkaar bleven.
Bevangen door de geest krijgt Ezechiël van de Eeuwige de opdracht om door middel van een rituele handeling deze droom van toekomstige eenheid van alle stammen te illustreren. Hij moet twee stukken hout in de hand nemen. Het ene stuk hout symboliseert (de stam van) Juda (en Benjamin), het andere stuk hout symboliseert de andere tien stammen van het noordelijke rijk Israël. In de tekst wordt het noordelijke rijk aangeduid met Jozef, omdat de koningen van het noordelijke rijk Israël kwamen uit de stam van Efraïm, de zoon van Jozef.  Ezechiël moet dan in aanwezigheid van zijn medeballingen de twee stukken hout in de hand nemen en ze als het ware tot één stuk hout maken. Hij moet dan uitleggen, dat de Eeuwige (37:21 ev)

het stuk hout van ? Jozef ? (…) bij het stuk hout van Juda voegen, en Ik zal ze tot één stuk hout maken. Ze zullen in Mijn hand één worden. (…)  Zo zegt de Eeuwige: Zie, Ik ga de Israëlieten nemen uit de heidenvolken waarheen zij gegaan zijn. Ik zal hen van rondom bijeenbrengen en hen naar hun land brengen. Ik zal hen tot één volk maken in het land, op de bergen van Israël. Zij zullen allen één ? Koning ? als ? koning ? hebben. Zij zullen niet langer als twee volken zijn, en niet langer nog in twee koninkrijken verdeeld zijn .

Er zal weer één koning zijn, uit de dynastie van David en

Ik (de Eeuwige) zal met hen (de Israëlieten) een ? verbond ? van ? vrede ? sluiten. Het zal een eeuwig ? verbond ? met hen zijn.

Nu komt de link met de haftara in zicht. Ezechiëls droom van vereniging van het volk van Juda met het volk van Jozef (dus de tien verloren stammen) weerspiegelt de vereniging van de broeders met hun verloren gewaande broer Jozef, het thema van de parasja Wajigasj. De hoofdpersonen daar zijn Jozef, die onderkoning van Egypte is geworden en Juda, die het leiderschap over zijn broeders heeft genomen in het proces van verzoening, wanneer hij het opneemt voor zijn broertje Benjamin en zijn oude vader Jacob.

De geschiedenis heeft later een heel gedeeltelijke, grillige en schoksgewijze realisatie van Ezechiëls visioen te zien gegeven. Er is inderdaad een tweede tempel gekomen en er is zelfs een kleine tweehonderd jaar een koninkrijk Israël onder de dynastie der Makkabeeën geweest. Daarna kwamen de Romeinse overheersing en vervolgens een millennia lange ballingschap (galoet), die sinds kort na de ongeëvenaarde catastrofe van de sjoa enigszins ingelost lijkt met de democratische staat Israël; daar zijn we blij en verheugd over. Maar een ‘verbond van vrede' lijkt daar bepaald nog niet aangebroken. Wel heeft ontegenzeggelijk het Jodendom als volk, religie en gedachtegoed de eeuwen getrotseerd en een onuitwisbaar stempel gedrukt op het denken en de ethiek van de (westerse) mensheid.

De tien stammen zijn ondanks Ezechiels bezwerende handeling met de twee stukken hout niet teruggekeerd en zullen dat waarschijnlijk nooit meer doen; ze zijn 2800 jaar geleden in andere volken opgegaan.(3)

Toch mogen we misschien deze boodschap destilleren of her-vertalen uit Ezechiëls metaforen: de tien verloren stammen zijn opgegaan in niet-Joodse groepen en staan nu symbool voor alle andere volken, Juda staat voor het Jodendom. Zo mogen ook in een messiaanse toekomst de Joden en alle andere volkeren verenigd worden in een verbond van vrede ( briet sjalom ), dat wil zeggen: mogen zij ooit in vrede met en naast elkaar samenleven.

Noten
(1) Verschillende commentaren op Wajigasj zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website .
(2) Opmerkelijk is dat de splitsing in twee rijken zijn oorsprong vond in een belastingconflict. Het volk vroeg om verlichting van de zware lasten die koning Salomo had opgelegd. De jonge koning Rehabeam sloeg het advies van zijn raad van oudsten om naar het volk te luisteren in de wind en volgde de raad van de zijn gevolg van fanatieke jonge mannen, die juist op extra verzwaring aandrongen: ‘1 Koningen 12 11 Welnu, mijn vader heeft een zwaar ? juk ? op u geladen, maar ik zal aan uw ? juk ?  nog meer toevoegen. Mijn vader heeft u met gesels gehoorzaamheid bijgebracht, maar ík zal u met schorpioenen gehoorzaamheid bijbrengen' .
Aldus sprak Rehabeam en tien stammen van de Israëlieten stelden toen de ex-opstandeling Jerobeam als koning aan. Alleen Juda en Benjamin bleven Rehabeam trouw. Een in overmoed genomen onverstandig besluit inzake een belastingconflict maakte, dat alleen de stammen Juda en Benjamin de voorouders van de latere Joden zouden worden!
(3) Ook de visionair Johannes uit het nieuwe testament zag in zijn Openbaringen de twaalf stammen in de eindtijd herenigd: zie hfst 7. In de talmoedische discussie wie er in de komende wereld zal komen sluit Rabbi Akiva uit, dat de tien stammen ooit zullen terugkeren ( Talmoed sanhedrin 110b ). Wie op internet ‘ten lost tribes of Israel' intypt komt een bonte verzameling groepen tegen die op een of andere manier zich beroepen

Haftara bij de parasja Mikeets

Zacharia 2:14-4:7

Heel gebruikelijk is het om op sjabbat Chanoeka het beroemde verhaal over het ‘salomonsoordeel' te lezen, 1 Koningen 3:5 – 28, dat begint met: In Gibeon verscheen de Eeuwige 's nachts aan ? Salomo ? in een ? droom, en God zei: Vraag wat Ik u geven zal . Salomo vraagt om wijsheid en die wordt hem geschonken en ook nog de rijkdom en het lange leven, dat de meeste mensen zouden hebben gevraagd. Salomo kan al snel zijn wijsheid in praktijk brengen als twee vrouwen voor hem verschijnen met een baby. De ene vrouw beschuldigt de andere vrouw de baby stiekem ‘s nachts van haar gestolen te hebben, toen haar eigen kind dood bleek te zijn. De andere vrouw ontkent bij hoog en bij laag. Salomo beveelt het kind doormidden te klieven, ieder van de vrouwen de helft te geven en laat een zwaard halen. De eerste vrouw schreeuwt, niet doen, laat het kind maar bij de andere vrouw, zodat het in leven blijft. Salomo weet nu, dat zij de echte moeder is. Alom wordt de wijsheid van de koning geroemd.
Het verband met de parasja Mikeets ligt vooral in de zojuist geciteerde eerste regel van de haftara;  koning Salomo droomt, en dat doet de farao, de Egyptische koning, ook, maar daar houdt de overeenkomst op. In Mikeets droomt de farao de droom over de zeven vette en zeven magere koeien, de zeven volle en de zeven lege aren, de droom die Jozef, zelf ook een begaafd dromer en droomuitlegger, zoals eerder gebleken, verklaart. (1)

Er wordt ook wel een ander stuk uit de profeten als haftara gelezen – en dat geeft ook de indeling van de liberalen aan – Zacharia (Zecharja) 2: 14-4:7. Zacharia was evenals de profeten Chaggai en Malachi sterk betrokken bij de herbouw van de tempel in Jeruzalem na de terugkeer van een groot deel van de ballingen uit Babylonische gevangenschap. Hij enthousiasmeerde de Joodse leiders om de bouw na aanvankelijke tegenslagen weer te hervatten. Dat gebeurt dan ook onder leiding van de Zerubbabel (Zeroebavel) en de hogepriester Jozua (Josjoea), zoals ook in het boek Ezra (6:14) is beschreven: En de ? oudsten ? van de ? Joden ? bouwden en maakten goede vorderingen onder de ? profetie ? van Hagga ï , de ? profeet, en Zacharia, de zoon van Iddo. Ze bouwden en voltooiden het overeenkomstig het bevel van de God van Israël en overeenkomstig het bevel van Kores (Cyrus) en ? Darius ? en Arthachsasta (Artaxerxes), de ? koning ? van Perzi ë . En dit huis werd voltooid op de derde dag van de maand ? Adar; het was het zesde regeringsjaar van ? koning ? ? Darius.

In het eerste stuk van de haftara ziet de profeet in een visioen de hogepriester Jozua vrijgepleit van een aantal beschuldigingen. Maar het verband met Chanoeka en de bijbehorende chanoekakandelaar met zijn lichten ligt in het tweede deel. Daarin wordt in een visioen de profeet het beeld getoond van de gouden tempelkandelaar, de menora, met zijn zeven armen met daarop de olielampen geflankeerd door twee olijfbomen (Josjoea en Zerubbabel); de olie druipt uit de olijven via een opvangbakje en een kanaaltje automatisch naar de olielampen van de menora. Wat betekent dat? Vraagt de dromer en de engel die hem dit beeld getoond heeft antwoordt:
Dit is het woord van de Eeuwige tot ? Zerubbabel:
Niet door kracht en niet door geweld,
maar door Mijn Geest,
zegt de Eeuwige van de legermachten.

Op onze beurt vragen wij weer wat dit betekent. De middeleeuwse commentator Rasji heeft een nuchtere historische verklaring: de herbouw van de tempel door bouwleider Zerubbabel zal verder ‘geolied' verlopen zonder te hoeven vechten tegen allerlei vijanden en de ‘geest Gods' zal rusten op de koning van Perzië, Darius (die inderdaad zijn volle medewerking zal blijken te leveren, zie Ezra 6).
In de regel ‘Niet door kracht en niet door geweld, maar door Mijn Geest' is altijd wel een messiaans visioen van vrede' gevoeld, een inspiratie naar het idee, dat als de geestkracht groot is grote werken ook zonder dwang en geweld kunnen worden volbracht. (2)

De volksfantasie heeft nog mooie verhalen rondom de tempelbouwer Zerubbabel gesponnen. Zo zou hij aan het hof van koning Darius een van zijn drie lijfwachten zijn geweest. Eens toen de koning sliep besloten de drie mannen ieder op te schrijven wat het machtigste was in de wereld. De koning zou dan moeten beslissen wat de meest wijze uitspraak was en die belonen. Ze schoven hun papiertjes onder het kussen van de monarch. Zodra hij wakker was riep hij de vooraanstaanden van zijn rijk bij elkaar en mochten de drie mannen hun uitspraak toelichten. ‘Wijn is het machtigste wat er is; als de mens onder zijn invloed is vergeet hij zijn zorgen en verdriet', zei de eerste. De tweede maakte meer indruk met zijn verklaring, dat de koning de machtigste op aarde was. Zerubbabel betoogde gloedvol, dat vrouwen de machtigsten waren, maar dat waarheid heerst boven alles; vrouwen zijn zelfs koningen de baas, maar waarheid is het hoogste goed, de hele aarde vraagt om waarheid, de hemel prijst de waarheid, de schepping beeft voor waarheid, gezegend is de God van waarheid. Dat ontlokte een groot applaus. Vraag wat je wilt, antwoordde de koning, ik zal het je geven. Niets voor zichzelf vroeg Zerubbabel, maar wel des konings toestemming om Jeruzalem en zijn tempel te herbouwen en de tempelschatten terug te geven. Aldus deed Darius en hij gaf een vrijgeleide aan hem mee voor hem en al zijn metgezellen en nog vele andere giften.(3)

Noten
(1) Verschillende commentaren op Mikeets  zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website .
(2) Het beeld van de menora, geflankeerd door twee olijfbomen, is geworden tot een meditatieobject, gecombineerd met psalm 16:8: ‘Ik stel mij de Eeuwige voortdurend voor ogen', zeg maar een joodse mantra: ‘ Shiviti Hashem lenegdi tamied' en zo wordt die afbeelding ook genoemd: een ‘Shiviti', hij hangt in vele synagoges en wordt nog steeds gebruikt als inspiratie voor meditatief tekenen en schilderen
(3) Legend of the Jews IV-11

RC dec 2019

Haftara bij de parasja Wajesjev

Amos 2:6-3:8

Wanneer Amos zijn doem-profetieën over allerlei landen, maar vooral over het noordelijke rijk Israël uitstort tot de menigten bij de tempel in Bet-el, waar nota bene een gouden kalf ter aanbidding is opgericht door koning Jerobeam (Jerovam) (1), wordt hem dat niet in dank afgenomen. De priester Amazia maant hem het land te verlaten richting het zuidelijk koninkrijk Juda. Amos antwoordde: ik ben helemaal geen profeet en ook niet de zoon van een profeet. Ik ben een veehouder en een moerbeikweker, maar God riep mij om te profeteren tegen mijn volk Israël (7:15). Hij distantieerde zich duidelijk van de gilde van zich noemende profeten, die heulden met de machthebbers en hun roeping verzaakten. Dat speelde zich af rond 750 BCE in een tijd, dat het eigenlijk economisch en politiek best goed ging in het noordelijke rijk Israël tijdens de lange regering van koning Jerobeam de Tweede.

Amos was de eerste van de zogenoemde late profeten (2) die hun woorden op schrift hebben gesteld (of laten stellen). Hij was daarmee gelijk al een rolmodel voor alle na hem komende profeten, zowel inhoudelijk - met zijn protest tegen onrechtvaardigheid en corruptie - als qua stijl - in de krachtige poëtische  metaforen waarmee hij zijn boodschap de wereld inslingerde. Literaire begaafdheid en beheersing van het schrift moet deze veehouder niet vreemd zijn geweest.
Weliswaar was het gouden kalf in Bet-el een doorn in zijn vroom oog, maar wat hem werkelijk bewoog was het enorme verschil tussen de welvarende bovenlaag en de armen, de onverschilligheid van de rijken voor het lot van de minder bedeelden. Het boek begint met dat hij eerst andere landen de mantel uitveegt maar dan komt het noordelijk rijk Israël aan de beurt. Hier start de haftara en de lezer mag raden welke regel aanleiding heeft gegeven tot het benoemen van dit deel van Amos' profetieen tot haftara bij de de parasja Wajesjev (Beresjiet/Genesis 37:1-40:23), het bijbelstuk waarin wordt verhaald hoe Jacobs zonen hun broer Jozef (Joseef) als slaaf verkopen aan een naar Egypte reizende handelskaravaan.

2 6 Zo zegt de Eeuwige:
Vanwege drie ? overtredingen ? van Israël,
ja, vanwege vier, zal Ik er niet op terugkomen,
omdat zij de rechtvaardige voor ? geld ? verkopen
en de arme voor een paar schoenen.
7 Zij snakken ernaar dat het stof van de aarde op het hoofd van de geringen is,
zij duwen de zachtmoedigen van de weg .

De link tussen haftara en het verhaal over de jonge Jozef zit hem in de regel: ‘omdat zij de rechtvaardige voor ?geld? verkopen'. Dat herinnert aan de verkoop van onschuldige Jozef voor twintig zilverstukken. (Genesis 37:28)

Het lijkt of Amos nog meer dan andere profeten er de nadruk op legt dat omkeer naar de Eeuwige onlosmakelijk verbonden is met: het betrachten van rechtvaardigheid en compassie met de weerlozen. Sprekend is bijv. deze tekst (geen deel meer van het haftara, maar het citeren waard):

5 10 Zij (de elite van de Israëlieten RC) haten wie in de ? poort ? opkomt voor het recht,
zij hebben een afschuw van wie de waarheid spreekt.
11 Omdat u de arme vertrapt
en van hem een heffing op koren neemt,
daarom hebt u ? huizen ? van gehouwen steen kunnen bouwen,
maar u zult er niet in wonen;
(…) u drijft de rechtvaardige in het nauw, u neemt zwijggeld aan,
u duwt armen in de ? poort ? opzij.
13 Daarom zwijgt de verstandige in die tijd,
want het is een kwade tijd.
14 Zoek het goede en niet het kwade,
opdat u leeft!

Op zich hebben rituelen, ook al ze vroom en volgens de regels worden uitgevoerd, geen waarde, is het principe van Amos, als ze niet gepaard gaan met het opkomen voor recht en het betrachten van integriteit en betrouwbaarheid. Daarvan getuigt deze tekst die Jesaja 1:11 ev al vooraf schaduwt,

5: 21 Ik haat, Ik versmaad uw feesten.
Uw bijzondere samenkomsten kan Ik niet luchten,
22 want al brengt u Mij brandoffers, en uw graanoffers,
Ik schep er geen behagen in.
En het dankoffer van uw gemest vee:
Ik wil het niet aanzien.
23 Doe het lawaai van uw liederen van Mij weg,
en het getokkel van uw luiten kan Ik niet aanhoren!
24 Laat het recht stromen als water,
de gerechtigheid als een altijd stromende beek.

Moet de catastrofe eerst plaats vinden om een betere wereld te bereiken? Dat zou je al lezend kunnen gaan denken. Hoe het ook zij, Amos besluit zijn epische donderpreek met een hoopvolle profetie over Israël. Na de rampen zullen betere tijden aanbreken. Het lijkt wel of hij het heeft over het Israël, dat in de vorige eeuw tot nieuwe bloei kwam:

9:14-15 Zij zullen de verwoeste steden herbouwen en bewonen,
zij zullen wijngaarden planten en de ? wijn ? ervan drinken,
zij zullen tuinen aanleggen en de vrucht ervan eten.
15 Ik zal hen in hun land planten,
en zij zullen nooit meer weggerukt worden uit hun land,
dat Ik aan hen gegeven heb, zegt de Eeuwige, uw God.

Amos was een klokkenluider van zijn tijd - het woelige Midden-Oosten in de ijzertijd. Hij stelde de kloof tussen arm en rijk, uitbuiting, corruptie en schijnheiligheid van zijn wereld aan de kaak. Hoe zou hij nu reageren op het Israël van nu – en breder op de wereld van nu? Hij kende nog geen kloof tussen orthodox, liberaal en seculier. Hij kende geen kloof tussen hoog- en laagopgeleiden, geen globale kloof tussen de allerrijksten en de allerarmsten (De 26 rijkste mensen op aarde hebben samen meer vermogen dan de armste helft van de wereldbevolking, 3,8 miljard mensen). Er was nog geen kloof tussen wit en zwart, geen kloof tussen de koortsige wildgroei van menselijke productie en consumptie en de draagkracht van de planeet (opwarming, vervuiling). De schaal is sinds Amos' tijd gigantisch vergroot, maar de primaire structuur van de misstanden is misschien niet essentieel veranderd. Profeten zijn er niet meer, maar Amos-achtigen van nu begrijpen de tekenen des tijds en hun stemgeluid is hier en daar te horen.

Noten
(1) 1 Koningen 12; er was ook een gouden kalf in de streek Dan. Bijbelwetenschappers opperen dat hier de basis is te vinden van de sage van het gouden kalf in Exodus
(2) De late profeten zijn ingedeeld in de grote profeten Jesaja, Jeremia en Ezechiel, en de kleine profeten, Hosea, Joel, Amos, Obadia, Jona, Micha, Nachoem, Chabakuk, Zefanja, Haggai, Zecharja en Malachi

RC dec 2019

Chanoeka sameach 5780 Happy Hanukkah 2019! 

Haftara bij de parasja Wajisjlach

Obadja 1:1-21

De haftara bij de parasja Wajisjlach (Genesis/Beresjiet 32:4 – 37) is een heel bijbelboek, het kleinste boek van alle profeten, Obadja, dat uit maar 21 verzen bestaat. Het boek is een aaneenschakeling van rampen en ellende voorspellende orakels over het volk van Edomieten, dat ten zuiden van Judea woonde tussen de Dode zee en de Golf van Akaba op en rond het Seïr gebergte. Het waren de afstammelingen van Jacobs broer Ezau (andere naam: Edom). Dat verklaart de link met de parasja Wajisjlach, waarin Jacob en zijn door hem bedrogen broer Ezau de hoofdpersonen zijn; bevreesd voor diens wraak vlucht Jacob naar het noordelijke Aram en na tweeëntwintig jaar trekt hij (nu ook genaamd Israël) bang maar moedig Ezau tegemoet, die hem niettemin in de armen  sluit (1) Ondanks de verzoening van deze stamvaders, in de parasja Wajisjlach beschreven, is de verdere geschiedenis tussen de Israëlieten en de Edomieten er een van voortdurende twisten en oorlogen geweest, hetgeen o.a doorklinkt in de woorden:

10 Vanwege het geweld tegen uw broeder ?Jakob
zal schaamte u bedekken
en zult u voor eeuwig uitgeroeid worden.

Wie was Obadja?
Volgens de Talmoed (2) was hij de Obadja, die wordt vermeld in het eerste boek koningen hoofdstuk 18 als hofmeester van koning Achab en koningin Izebel (plm 900 BCE). Hij was een zeer vrome man, volgens de Talmoedleraren vromer dan Abraham, want staat er over hem niet: Nu vreesde Obadja de Eeuwige zeer ( 1 Koningen 18:3), terwijl van Abraham niet meer wordt gezegd dan: nu weet ik dat gij de Eeuwige vreest ( Genesis 22:12), dus zonder zeer , de Oude Wijzen zijn heel precies met woorden. Obadja had zijn profetische gave te danken aan zijn hulp aan de door Ba'alvereerster Isebel rabiaat vervolgde profeten (wellicht volgelingen van Elia); vijftig van hen liet hij onderduiken in de ene grot, vijftig in een andere grot. Waarom in twee grotten? Als de ene grot zou worden ontdekt, dan waren in ieder geval de andere vijftig profeten gespaard gebleven. Hoe kwam hij op dat idee? Dat had hij van Jacob, die zijn mensen, have en goed verdeelde over twee kampen voor het geval zijn broer Ezau tot de aanval over zou gaan (lees Genesis 32:7). Misschien was hij zelf een Edomiet, veronderstelt een van de talmoedgeleerden; vandaar het door hem gereleveerde gezegde: vanuit het bos komt de bijl ofwel: de steel van de bijl komt van de boom die hij omhakt

Toch is het waarschijnlijker, dat hij geleefd heeft in de 6 e eeuw BCE, een tijdgenoot van Jeremia (Jirmeja), die een sterk op Obadja gelijkend stuk (Jer 49:7-22) heeft opgetekend, geïnspireerd op de val van Jeruzalem in 587. Blijkbaar heeft de schrijver de plundering van de stad en het wegvoeren door de Babyloniërs van de Judeeërs meegemaakt en is zijn boosheid is vooral gericht op het leedvermaak van de Edomieten over het wegvoeten van de Judeeërs in ballingschap en op hun medeplichtigheid aan de plundering.

12 U (Edom) had niet mogen toekijken op de dag van uw broeder (Jacobs volk),
op de dag dat hij een vreemde  was.
U had niet blij mogen zijn vanwege de Judeeërs
op de dag van hun ondergang.
U had geen grote mond mogen opzetten tegen hen
op de dag van hun benauwdheid.
13 U had de ?poort? van Mijn volk niet binnen mogen trekken
op de dag van hun ondergang.
U, juist u, had niet mogen toekijken bij het kwaad dat hem trof
op de dag van zijn ondergang.

Edom werd later in vaak als een pars pro toto voor alle vijandige niet-joden gebruikt, bijv. voor de Romeinen (3) en later voor het hele joodsvijandige westen.  Peinzend over deze verzen in het kader van de geschiedenis kwamen ze heel bekend voor. Hebben we dat later niet zo veel vaker meegemaakt? De verdrijving van de Joden uit Engeland in 1290, uit Spanje in 1492 enzovoort. Neem bijv. de zin: ‘U, juist u, had niet mogen toekijken bij het kwaad dat hem trof op de dag van zijn ondergang'. Opeens moest ik denken aan hoe die vele Nederlanders toekeken hoe het kwaad de Joodse landgenoten trof op de dag van hun ondergang. Hoe de verleiding groot is maar toe te kijken als het kwaad weer wortel lijkt te schieten.

noten

(1) de parasja bevat ook het bekende gevecht van Jacob met de engel en verhaalt - na de broederlijke verzoening -   de verkrachting van Jacobs dochter Dina door de prins van Sichem (Sjechem) en de wraak van haar broeders op de bewoners van die stad, de dood van Rachel in het kraambed en de dood van Isaac (Jitschak), die door Jacob en Ezau samen wordt begraven. Zie ook de verschillende commentaren op Wajisjlach, die zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website .
(2) Talmoed Sanhedrin 39b
(3) bv door Nachmanides in Gate of Redemption

Haftara bij parasja Wajetsee

Hosea 11:7-13:5;

Een korte historische aanloop naar de profeet Hosea (Hosjea), waaruit de haftara bij de parasja Wajetsee  (Beresjiet/Genesis 28:10 – 32:4) afkomstig is (1). In de loop van de 8 ste eeuw BCE stond een nieuw type profeet op onder de Israëlieten. Al sinds oudsher waren er profeten – nevi'iem , meervoud van navi -  actief, te beginnen bij de eerste en grootste onder hen Mozes (Mosjee), die zijn profetische activiteit verenigde met politiek leiderschap. Hij stichtte een verlichte theocratie, zou je kunnen zeggen.  Met hem is nog enigszins vergelijkbaar de profeet Samuel (Sjemoeël), die bij tijden als profeet ook staatkundig actief was. Maar juist hij stelde op uitdrukkelijke aandrang van het volk een koning (Saul) aan en initieerde zo een scheiding tussen de morele bewaking van de erfenis van de Mozes en het politieke bestuur van de koning en zijn dienaren. In de tijd van Samuel en daarna waren er nog vele andere profeten. Je zou het een beroep kunnen noemen. Ik stel me voor, dat het een soort sjamanen waren, die naast religieuze begeestering ook voorspellingen deden, zieken behandelden en andere adviezen gaven inzake lot en leven. Ze worden in Tenach vaak genoemd als mannen (geen vrouwen) ‘over wie de geest (roeach) Gods kwam'.  Zie bv Samuel 1:10:10. Een aantal waren adviseurs van de koning (bv Nathan, die het geweten van David was). Ook koning Achab (Achav, van het noordelijke rijk, 9 e eeuw BCE) had honderden profeten. Die stonden echter in de dienst van de godheid Ba'al; zij moesten op de berg Karmel het onderspit delven tegen de God van de profeet Elia. Elia was als het ware een gedreven hervormer, die met kracht opkwam voor de zuiverheid van de leer van de Ene god en het ambt van profeet wilde ontdoen van alle magische en afgodische smetten die eraan kleefden. Hij en zijn opvolger Elisa (Elisja) hadden vele volgelingen die in kleine groepen het land doortrokken of samenwoonden in gemeenschappen. Toch kwam er in de loop van de tijd de klad in hun gilde; de meeste profeten spraken de mensen en de politieke leiders naar de mond. Afgodendienst aan Ba'al, Moloch en andere afgoden, moord, corruptie en seksuele losbandigheid woekerden in de inmiddels in het tweeën gedeelde land, het koninkrijk Juda in het zuiden en het koninkrijk Israël in het noorden. De ware leer van Mozes over de eenheid van God en de in zijn naam gegeven geboden van rechtvaardigheid en mededogen raakte vergeten.

Er stonden nu mannen op, die de misstanden aan de kaak stelden, een nieuw soort profeten, Amos, Hosea, Micha en Jesaja. Wat was het nieuwe aan hen? Het waren mannen uit alle standen. Amos was veehouder. Hosea was boer, Jesaja was een hoveling. Ze waren eenlingen met ieder zijn eigen roeping en onderscheidden zich uitdrukkelijk van de ‘professionele' profeten. Ze liepen vaak risico om vervolgd te worden om hun brisante uitspraken en onverschrokken politieke prognoses. Ze waren de klokkenluiders van hun tijd in een verslechterd klimaat van maatschappelijk en moreel verval. (2) En niet onbelangrijk, ze hebben als eersten hun profetieën opgeschreven of laten opschrijven, zodat wij ze nog kunnen lezen. Zo stijgen hun geschriften boven de contingente historische omstandigheden, waartegen ze reageerden uit.

Hosea leefde in de tijd, dat de Assyriërs het Noordelijke rijk Israel belaagden, het rijk dat hij in zijn geschrift vaak aanduidt met Efrajim. Vanaf 740 BCE af waren er voortdurend invallen en werden de grote aantallen krijgsgevangenen uit het land weggevoerd. In 722 viel de hoofdstad Samaria (Sjomron) en werden de laatste bewoners, vele duizenden, in ballingschap gebracht naar verre streken. Deels worden deze gebeurtenissen in de voorzeggingen van Hosea vooraf geschaduwd. Het is de vraag of hij de val van Samaria nog heeft meegemaakt. Hij stoelt zijn oratie over de toestand in het land op het beeld van de echtgenoot (de Eeuwige) en diens overspelige echtgenoot (Israël), die haar man in de steek laat en haar toevlucht zoekt in overspel en hoererij. Zijn eigen huwelijk met zijn overspelige vrouw Gomer ervaart hij als een door de Eeuwige hem opgelegde existentiële doorleving van het verraad van Israel. Hij vertaalt als het ware zijn eigen ongelukkige situatie om Israël aan te klagen en haar te herinneren aan de opdracht om alleen de Ene te dienen in (6:6: Want Ik vind vreugde in goedertierenheid ( chesed ) en niet in offers, in kennis van God meer dan in brandoffers!).  In heftige beelden stelt hij de teloorgang van de oorspronkelijke boodschap en het moreel verval aan de kaak, wat zich onder meer uit in de dienst aan Ba'al en tempelprostitutie. (3) Wat is het verband met de parasja Wajetsee? In zijn poëtisch vertoog verwijst hij naar de oorsprong van Israels kennismaking met de Eeuwige in de verhalen van stamvader Jacob:

12 3 De Eeuwige heeft een rechtszaak met Juda.
Hij zal ?Jakob? vergelden naar zijn wegen,
Hij zal zijn daden op hem doen terugkeren.
4 In de moederschoot pakte hij zijn broer bij de hielen;
in zijn kracht streed hij met God.
5 Hij streed met de ?Engel? en overwon;
wenend vroeg hij Hem om ?genade.
In Bethel vond Hij hem,
en daar sprak Hij met ons,
6 namelijk de Eeuwige, de God van de legermachten,
Eeuwige is Zijn gedenknaam.
7 En u, bekeer u tot uw God,
houd u aan goedertierenheid en recht ( chesed we-misjpat ),
zie voortdurend uit naar uw God.

We herkennen in deze kernverzen van de haftara de wederwaardigheden van stamvader Jacob zoals die in de in de parasjot Toldot, Wajetsee en Wajisjlach worden verteld -
Jacob vlucht na het bedriegen van Ezau en Isaac naar het land Charan, en verblijft bij zijn oom Lawan. Hij huwt diens dochters Lea en Rachel, krijgt daar 11 zonen en een dochter, wordt ondanks Lawans list en bedrog een welvarend man en aanvaardt na twintig jaar trouwe dienst de terugtocht naar het land van zijn vaderen, waar onderweg Ezau hem opwacht.
De profeet smeekt Israël om omkeer te doen en verwijst naar Jacob: Jacob belandt uiteindelijk met veel inspanning op de goede weg en wordt gezegend met Gods presentie en bescherming, zoals even verder in hfst 12 nog wordt benadrukt;

12 13 Jakob? vluchtte naar het gebied van Syrië,
Israël? diende om een vrouw
en om een vrouw hoedde hij  vee
14 Door een ?profeet? heeft de Eeuwige Israël echter uit ?Egypte? geleid
en door een ?profeet? werd het gehoed.

Met die laatste regel wordt Mozes bedoeld en Hosea zegt daarmee (volgens Rasji), vergeet niet dat het een profeet was, die Israël uit Egypte leidden, dus geef aandacht aan de woorden van een profeet (als ik). Zoals bijna alle profeten geeft Hosea geen voorspellingen als gebeurtenissen die onvermijdelijk gaan gebeuren. Er is altijd een keus: je kan omkeer (tesjoeva) doen en als dat het geval is beschrijft Hosea het dan mogelijke welzijn in even bloemrijke aan natuur en agricultuur ontleende bewoordingen.

noten
(1)Verschillende commentaren op Wajetsee  zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website
(2) Misschien mag je Johannes de doper en Jezus ook in deze traditie zien
(3) Martin Buber stelt, dat het niet zozeer om nieuwe afgoden ging, maar meer om wat hij de baälisering van de God van Israel noemt. JHWH verviel van een metaseksuele God naar de gemaal van een moedergodin en van de rechtvaardigheid eisende God naar de gruwelijke mensenoffers eisende koningsgod. In plaats van hem als God van chesed (compassie) te kennen verafgoodt men hem en vertroebelt zijn dienst met heiligverklaarde ontucht (Martin Buber, Het geloof der profeten, Servire, 1972, pp 138, 139, iets geparafraseerd)

RC dec 2019

Haftara bij de parasja Toldot

Malachi 1:1 – 2:7

Malachi (Maleachi) was de laatste van de twaalf zogenoemde kleine profeten (1) Hij leefde vermoedelijk in de eerste helft van de 5e eeuw BCE.  De Joden waren deels uit Babylonische ballingschap teruggekeerd en gezien Malachi's kritiek op de tempeldienst moet hij de herbouwde tempel persoonlijk hebben bezocht. Malachi betekent ‘mijn engel' en men veronderstelt, dat het een bijnaam is of een latere aanduiding voor een anonieme auteur. Abraham Ibn Ezra, de middeleeuwse voorloper van de bijbelwetenschap, meent dat het Ezra zelf geweest is en dat zou kunnen, omdat ook Malachi evenals Ezra in het gelijknamige bijbelboek (hfstn 9 en 10) de gemengde huwelijken van de teruggekeerde ballingen luid aanklaagt. In feite is het boek Malachi een reactie op de laksheid en onverschilligheid onder de teruggekeerde ballingen, die bij hun hervestiging in Judea vele tegenslagen ondervonden. Het ging over vragen als: we merken niets van Gods hulp, waarom gaat het andere volken goed en ons niet? Malachi geeft een boodschap door van de Eeuwige:

(1:2: Ik heb u liefgehad, zegt de Eeuwige,
maar u zegt: Waarin hebt U ons liefgehad?
Was ? Ezau ? niet de broer van ? Jakob? spreekt de Eeuwige
Toch heb Ik ? Jakob ? liefgehad,
en ? Ezau ? heb Ik gehaat .

Hier zien we waarom de haftara wordt gerelateerd aan de  parasja Toldot (Beresjiet/Genesis 25:19-28:9) waarin de verhaald wordt hoe in een reeks kleurige gebeurtenissen en met veel intriges Jacob tot erfgenaam van Abrahams spirituele inzichten en voortzetter van diens missie wordt gekozen boven de eerstgeboren en sterke Ezau (Esav) (2). Malachi brengt deze keuze weer in herinnering. De afstammelingen van Ezau, de Edomieten - die ten zuiden van Judea woonden – hadden nog kort geleden triomfantelijk toegekeken hoe de Judese ballingen uit Jeruzalem werden weggevoerd en tezamen met de Babyloniërs hadden ze de stad hadden geplunderd (2). Dat alles lag nog vers in de herinnering. Heeft de Eeuwige misschien Jacob laten vallen en Ezau gekozen?  Het heeft er alle schijn van, maar – zo verklaart de profeet - de Eeuwige draagt het volk van Juda nog steeds in zijn hart. De goddelijke zegen, ooit aan Jacob gegeven, is er in principe nog. Wat een actieve werking daarvan in de weg staat is het laakbare gedrag van de opnieuw in Judea gevestigde repatrianten. Drie misstanden stelt de profeet met indringende beelden aan de kaak, waarvan twee in deze haftara:

1. De tempeloffers werden met aanstootgevende slordigheid gebracht.
Als we ons losmaken van het personalistisch godsbeeld kunnen we ons indenken hoe beledigend het is als zieke of blinde dieren ten offer worden aangeboden, zoals Malach ons rapporteert. Zelf willen we door wie ons een zaak, dienst of prestatie schuldig is ook met toewijding en zorgvuldigheid worden behandeld. Stel je voor als je de gouverneur van de koning zo tegemoet treedt, zegt Malachi zelf. Verwaarlozing van heilige of rituele (of sowieso formele) handelingen is ook een signaal: wanneer die worden afgeraffeld kan dat duiden op verdergaand verval in een samenleving.
Malach zegt nog iets opmerkelijks, als hij de ‘heidenvolken' ten voorbeeld stelt;

(1:11) Want vanwaar de zon opkomt tot waar hij ondergaat, zal Mijn Naam groot zijn onder de heidenvolken; in elke plaats zal aan Mijn Naam een ? reukoffer ? gebracht worden, en een ? rein ? ? graanoffer. Voorzeker, Mijn Naam zal groot zijn onder de heidenvolken, zegt de Eeuwige van de legermachten.

De Eeuwige is er dus niet alleen voor Israël, maar voor alle volken en Hij kan dus ook toegewijde rituelen van anderen dan Joden waarderen. Dat is toch een pluralistische stap vooruit! (4)
Maar hoe zit dat dan met dat emotionele en partijdige ‘Ezau? heb Ik gehaat' uit het boven geciteerde vers? Dat moeten we met een korrel zout nemen; dat Jacob is gekozen betekent niet, dat Ezau is afgewezen, maar dat hij alleen geen deelheeft aan het verbond en het lot van Israël. (5)

2. De priesters verzaakten hun plicht om het volk goed onderricht te geven.
2:7: Voorzeker, de lippen van een ? priester ? moeten kennis bewaren, uit zijn mond moet men onderwijs in de wet zoeken , zegt de profeet, en dat gebeurde kennelijk niet meer. De vraag is of dat ooit weer goed gekomen is. Malachi leefde op het keerpunt van een belangrijke ontwikkeling: de opkomst van de zogenoemde Grote Vergadering (ofwel de Grote Synagoge, ansjee knesset ha-gedola ). Deze club van Wijzen rond de wetgever Ezra – 120 waren het er (6) - namen de taak van redactie, onderricht en verklaring van de Tora op zich. Het waren geen religieuze ambtsdragers, maar geleerden, uit wie tweehonderd jaar later de farizeeën voortkwamen en daarna rond het begin van de christelijke jaartelling de rabbijnen. De priesters zouden voortaan op dit gebied geen belangrijke rol meer spelen.

3. De Judeeërs trouwden met de niet-Joodse vrouwen en slaan in het algemeen de Mozaïsche wet in de wind. Dat laten we even rusten. Punt drie valt buiten de haftara, evenals de daaropvolgende oproep tot ommekeer, de aankondiging van een profeet als Elia en de voorspelling van een dag van gerechtigheid, oordeel en heil.

noten
(1) In Jodendom ook wel Tree Asar genoemd; kleine profeten omdat hun boeken kort zijn. Na Malachi is volgens de Joodse traditie de profetie opgehouden
(2) Verschillende commentaren op Toldot  zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website .
(3) Ook andere profeten varen uit tegen het gedrag van de Edomieten tijdens het wegvoeren van de Judese ballingen, Jesaja34:5–34:8, Jeremia 49:7–49:22,Obadja 1:10 ev
(4) Baruch Spinoza haalt deze passage ook aan in zijn betoog over de relativiteit van de uitverkiezing van Israël (Theologisch-politiek traktaat, Wereldbibliotheek, 1997, p 143)
(5) zoals Rabbijn Jonathan Sacks In zijn boek ‘Niet in Gods Naam' (Kok, 2016, deel II) nadrukkelijk betoogt in een diepgaande herlezing van de tekst
(6) Volgens het tractaat Avot de Rabbi Nathan 1b (annotaties bij het Talmoedtractaat Pirkee Avot , dat begint met de ‘stamboom'  van overlevering van de Tora) was Malachi, de laatste profeet, tegelijk een van de eerste leden. Ook het Israëlisch parlement, de Knesse t, heft 120 leden.

RC nov 2019

Haftara bij de parasja Wajera

2 Koningen 4:1-37

In de haftara 2 Koningen 4:1-37, die aan de parasja Wajera (Genesis/Bereshiet 18 – 23) is toegevoegd, wordt verteld over twee wonderen verricht door de profeet Elisja, aan wie Elia tegen het einde van diens leven de profetenmantel had overgedragen. Hij zou twee keer zoveel wonderkracht als zijn voorganger Elia hebben gekregen.

Het is de tijd, dat Israël verdeeld was in een noordelijk en zuidelijk rijk. Alom werden afgoden vereerd, zoals de Ba'al, geintroduceerd door koning Achav onder invloed van zijn vrouw Izewel. Dankzij de grote inzet van de profeet Elia waren er nog zevenduizend mensen die de knieën niet gebogen hadden voor de ?Baäl, zoals 1 Koningen 19:18 vermeldt.
Een daarvan was de weduwe van een van Elia's volgelingen, die in grote materiele nood Elisja te hulp riep. Deze zorgde ervoor, dat het kleine beetje olie, dat de vrouw nog had tot zo'n grote hoeveelheid vermenigvuldigd werd, dat ze haar schulden kon betalen. 

De link tussen de haftara  en de parasja Wajera is te vinden in het daarop volgend verhaalde mirakel. Gemeenschappelijk thema is de profetische belofte van een zoon aan een oud echtpaar. In Wajera zijn dat Avraham en Sara. Aan hen voorzeggen drie engelen (Gen/Ber 18:10): Voorzeker zal Ik over een jaar tot u wederkeren, en dan zal uw vrouw ?Sara? een zoon hebben . In de haftara lezen we, dat de profeet Elisja tot een kinderloze vrouw in Sjoenem met een oude echtgenoot en een kinderwens zegt (4:16 ) : Op deze zelfde tijd over een jaar zult u een zoon omhelzen . En in beide gevallen wordt inderdaad een jaar later een zoon geboren.

De context van Elisja's belofte is echter wel een andere dan die bij Avraham en Sara.  De welgestelde vrouw uit Sjoenem had voor Elisja, die bij zijn rondreizen vaak bij haar te gast was, een bovenkamer laten maken met een ?bed, een ?tafel, een stoel en een ?kandelaar?. Haar kinderwens werd door de dankbare profeet vervuld. Maar daar hield zijn bemoeienis als ware wonderdoener nog niet op. Een van zijn grootste mirakels voltrok hij aan de zoon van de vrouw uit Sjoenem, toen de jongen de puberleeftijd had bereikt.  De knaap hielp bij het maaien en kreeg een zware hoofdpijn. Hij werd naar huis gebracht en stierf op de knieën van zijn moeder, die hem op het bed in het kamertje van Elisja legde. De wanhopige moeder liet een ezel zadelen en spoedde zich naar Elisja, die zich op de berg Karmel bevond. De profeet was door het verdrietige nieuws aangedaan en zond zijn dienaar Gehazi vooruit. Die legde in opdracht van zijn meester diens staf op het gezicht van de dode jongen. Dat hielp niet en Elisja wist dat zijn hoogstpersoonlijke optreden vereist was. (2 Koningen 4:33) Toen ?Elisa? binnengegaan was, sloot hij de deur achter hen beiden en bad tot de Euwige. Daarna ging hij bovenop de knaap liggen; hij legde zijn mond op diens mond, zijn ogen op diens ogen, zijn handen op diens handen, en boog zich zo over hem heen . Deze profetische reanimatie-handeling bleek te helpen en de jongen werd wakker uit de dood.
Mogelijk is nog een parallel uit de parasja Wajera te vinden rond het bijna-offer van de eveneens aan een lang kinderloze Sara laat geboren zoon Isaac (Jitschak). In het bekende verhaal heeft Avraham, gehoorzaam aan een door hem gehoord goddelijk bevel, zijn zoon op het altaar gelegd en hij staat op het punt om met een mes zijn zoon om het leven te brengen, als een stem de vader gebiedt daarmee op te houden. Isaac is weliswaar niet uit de dood opgestaan, maar wel van een welhaast zekere dood door tussenkomst van een engel van de Eeuwige op het nippertje gered.

Opmerkelijk is, dat veel van de wonderen van Elisja rond voedsel, water en opwekking uit de dood in een of andere vorm terugkomen in de evangeliën, zie bijv. de opwekking van Lazarus en het dochtertje van Jaïrus. (2)

Noten
(1) Verschillende commentaren op Wajera zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website .
(2) bv Marcus 5:40 over het dochtertje van Jaïrus: Hij (Jezus) stuurde hen allen weg, nam de vader en de moeder van het ?kind? en hen die bij Hem waren, mee en ging het vertrek binnen waar het ?kind? lag. En Hij pakte de hand van het ?kind? en zei tegen haar: Talitha, koemi! Dat is vertaald: Meisje (Ik zeg je), sta op. En meteen stond het meisje op en het liep, want het was twaalf jaar

 RC nov 2019

Haftara bij de parasja Lech Lecha

Jesaja 40:27- 41:16

We roepen even de parasja Lech Lecha in herinnering. Abraham, die hier voor het eerst in de geschiedenis verschijnt, wordt geroepen door de Eeuwige om Charan te verlaten en op weg te gaan met zijn Sara naar Kena'an, dat ooit aan zijn nageslacht zal toevallen. Daar drijft weldra een hongersnood hem naar Egypte waar de mooie Sara, door de farao werd ingepalmd maar weer met schadeloosstelling ongedeerd teruggegeven Als welgesteld man keert hij terug naar Kena'an, waar hij een succesvolle oorlog uitvecht met de vier koningen, die neef Lot hadden meegenomen. Omdat Sara maar geen zoon kreeg werd haar slavin Hagar aan Abraham als bijvrouw gegeven. Hagar baarde Ismael. De pasja besluit met het gebod tot en de uitvoering van de besnijdenis. (1)

De haftara bij Lech Lecha is uit Jesaja (Hebreeuws: Jesjajahoe), de verzen 40:27 tot 41:16. Na een forse berisping over Israëls kleingelovigheid volgen vele verzen van bemoediging en optimisme. De Eeuwige presenteert zich in de visie van de profeet als een machtige heerser over hemel en aarde, die de vijanden van Israël verslaat en verjaagt, hun afgoden ontmaskert als machteloze beelden en Israël, hoe klein het ook is, beschermt.

Waarom deze passages als haftara zijn gekozen berust niet alleen op het voorkomen van Abrahams naam in vers 41:8: ‘Ik heb jou ?(Israël) uitgekozen. Je stamt af van mijn vriend ? A braham'.  Aanleiding gaf ook het vers 41:2;

‘Wie heeft uit het oosten een rechtvaardige opgewekt, hem geroepen om te gaan, volkeren aan hem overgeleverd en hem koningen doen overheersen?' (2)

De rabbijnen van de Talmoed meenden, dat deze rechtvaardige mens uit het oosten doelt op Abraham, die immers uit het oosten kwam. (3) Bekende middeleeuwse commentatoren als Rasji (1040-1105) en Radak (David Kimchi, 1160-1235)) namen dit over. Wie zijn de hier genoemde koningen anders dan de vier koningen die Abraham heeft verslagen toen hij Lot te hulp kwam (Gen. 14). De wonderlijke daden, die in deze en volgende verzen worden beschreven zijn de daden die de Eeuwige voor de rechtvaardige mens uit het oosten – Abraham dus in deze uitleg - heeft verricht. Ze zijn een hoopgevend voorbeeld. Zoals God Abraham tegen zijn vijanden heeft geholpen, zo zal hij dat ook doen voorzijn benarde volk Israël, de afstammelingen van Abraham, doen, dat is de impliciete boodschap van deze profetische poëzie.

De commentator en dichter Abraham Ibn Ezra (1089-1167) is een andere mening toegedaan. Hij volgt een meer historiserende benaderingen (4) en kiest voor de uitleg dat het hier Cyrus (Kores) betreft, de koning van de Meden en Perzen, die bestemd is om het onderdrukkende Babylon te verslaan en die de Joden hun vrijheid terug zal geven. Cyrus wordt later in Jesaja's profetieën zelfs met name genoemd, zoals in 45:1:
‘Zo zegt de Eeuwige tot zijn ?gezalfde, tot Kores (Cyrus), wiens rechterhand Ik gevat heb om volken vóór hem neer te werpen: de lendenen van koningen ontgord Ik; om deuren vóór hem te openen, geen ?poorten? blijven gesloten.'
Ibn Ezra's veronderstelling lijkt aannemelijk. Immers de schrijver van deze verzen – ook wel deuteron-Jesaja genoemd – leefde waarschijnlijk in de tijd, dat onder de druk van Cyrus oprukkende legers het Babylonische rijk wankelde en de door de Joodse ballingen vurig verhoopte val van Babylon aanstaande was.

Het volgende vers trekt nog onze aandacht, 41:14: ‘ Vrees niet, gij wormpje ? Jakob, gij volkje (5) Israël! Ik ben het, die u help, luidt het woord van de Eeuwige, en uw Verlosser is de ? Heilige ? Israëls'.

Dat ‘wormpje' lokt tot uitleggingen. Rasji: Israel is zwak als een worm, die geen kracht heeft, behalve in zijn mond. Radak weidt verder uit: de sterke mond vreet zich door de sterkste ceders, die mond is het krachtige gebed van Israël, dus dat ‘wormpje' is eigenlijk een compliment! Maar Ibn Ezra plaatst het beestje weer in de historische context: de Babyloniërs keken op Israel neer als op een worm, maar desondanks hoeft het niet te vrezen nu Cyrus in aantocht is. 

noten

(1) Verschillende commentaren op Lech Lecha zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website .
(2) De vertaling is van mij en geeft de bedoeling van het wat duistere Hebreeuws m.i. beter weer
(3) Bv Talmoed tractaten Bava Batra 15a:9 en Sanhedrin 108b:21
(4) Hij lijkt met zijn historiserende benadering een vroege voorloper van Baruch Spinoza (In zijn Theologisch-politiek tractaat) en de moderne bijbelwetenschap
(5) ‘volkje' lijkt een merkwaardige vertaling (zowel van de HSV als de NBV) van metee Jisrael . Letterlijk staat er ‘mannen van Israel'. Dat verkleinwoord staat in verband met dat metee vaak voorkomt in de samenstelling metee mispar en dan betekent het ‘weinigen (in aantal)'. Misschien speelde deze connotatie bij de vertalers mee. De Willibrord vertaling vertaalt gewoon ‘mensen van Israël'.

RC nov 2019

Haftara bij de Parasjat Noach    Beresjiet Genesis 6:9-11:32

Jesaja 54:1-55:5

De haftara (wekelijkse lezing uit de prefeten) die aan de sidra (of parasja) Noach is toegevoegd is Jesaja hoofdstuk 54 en 55 tot vers 6. In poëtische termen wordt gesproken over een verlaten, kinderloze vrouw die (weer) in genade zal worden aangenomen door de echtgenoot, die haar ooit in boosheid heeft verstoten. De echtgenoot is de Eeuwige, maar wie is die vrouw? De algemene rabbijnse opinie is: Jeruzalem (Rasji) dan wel het volk Israel (Ibn Ezra). In vele krachtige en gepassioneerde beelden wordt bezongen hoe de Eeuwige zijn woede laat varen. haar weer tot vrouw zal nemen, haar nooit meer verlaten en het haar verder nooit meer aan iets zal ontbreken.
54:6 Je was een verlaten, wanhopige vrouw
toen de Eeuwige je terugriep.
Kan iemand de vrouw van zijn jeugd verstoten? – zegt je God.
7 Ik heb je slechts een ogenblik verlaten,
maar met open armen zal ik je weer ontvangen.
8 Ik verborg mijn gezicht voor je
in laaiende toorn, één ogenblik lang,
maar ik zal me weer over je ontfermen
met eeuwigdurende ?liefde,

Waarom is dit stuk van Jesaja aan de sidra Noach vastgeknoopt? Dat zit hem in de passage  van het volgende vers 54:9: 
Dit (deze gelofte) is voor mij als bij de vloed van ?N o ach:
zoals ik heb gezworen dat het water van ?N o ach
nooit meer de aarde zou overspoelen,
zo zweer ik dat mijn toorn jou niet meer treft
en dat ik je nooit meer bedreig.
De vergelijking is duidelijk. De verwijzing is naar Ber/Gen 9:11: ‘ Ik maak Mijn verbond met u, dat niet meer alle vlees door het water van een vloed zal uitgeroeid, en dat er geen vloed meer zal zijn om de aarde te gronde te richten'. Zoals de Eeuwige, na de eerste verdorven mensheid te hebben vernietigd met de rampzalige vloed, aan de enig overgebleven familie Noach heeft gezworen  nooit meer de mensheid met een dergelijke catastrofe te verdelgen, zo heeft de Eeuwige eerst zijn handen van Israël afgetrokken (door het in ballingschap te laten wegvoeren), maar nu weer gezworen zich weer om het verlaten en wanhopige volk te bekommeren,  als het ware een nieuw verbond sluitend (zie 55:3).

Laten we deze passages eens in een historische context plaatsen. Veel bijbelwetenschappers zijn het erover eens, dat het bijbelboek Jesaja is geschreven door minstens twee personen. Men onderscheidt een eerste Jesaja en een tweede Jesaja, die dan deutero(tweede)- Jesaja wordt genoemd. Jesaja de eerste leefde ten tijde van koning Hizkia (8 e eeuw BCE) en de tweede ruim tweehonderd jaar later tegen het einde van de Babylonische ballingschap.. Deutero-Jesaja heeft de hoofdstukken 40 tot 56 voor zijn rekening genomen, zo neemt men aan (sommigen veronderstellen nog een derde Jesaja, die de laatste hoofdstukken heeft geschreven).  Hij kende de wanhoop, de ellende en de heimwee van de ontheemden, die weggerukt uit hun thuisland treurden aan de rivieren van Babylon. Een door haar man in de steek gelaten en van haar kinderen beroofde vrouw, dat is het krachtige beeld, dat het gevoel van de profetische dichter vertolkt, een beeld dat hij al eerder heeft gebruikt (bv 49:19, 51:18-20; kende men toen nog niet de wanhoop van de man, die door zijn vrouw en kinderen is verlaten?). Maar naast de wanhoop kende hij ook het vurig verlangen naar de terugkeer naar een thuis, waar de zorgen over veiligheid en levensonderhoud voorgoed voorbij zouden zijn., sterker nog, waar de vrijheid en waardigheid van zijn volk zou zijn hersteld. Dat verlangen zal zijn verhevigd door de politieke omstandigheden van die tijd; het rijk van Babel wankelde en Cyrus, de koning van de Meden en de Perzen, maakte zich klaar om Mesopotamië te veroveren. De hoop op terugkeer naar het land en op hernieuwde welvaart vertaalt zich in het beeld van de verstoten vrouw die in haar positie als geliefde echtgenote wordt teruggenomen. We herkennen de situatie van de Judeeërs aan de Eufraat en de Tigris van toen als archetypische situatie van vluchtelingen en bannelingen van alle tijden en zeker ook van nu. Ik laat graag aan de lezer over om actuele voorbeelden voor ogen te halen. 

Het hartstochtelijk verlangen van de profeet schetst een ideaalsituatie van welvaart, bestendigheid, onkwetsbaarheid van de bruid, die utopisch of zelfs messiaans aandoet.
Heeft hij een messiaans Jeruzalem in gedachten als hij dicht:
2 Ik maak je torens van ?robijn,
je ?poorten? van ?ber i l,
je ?muren? van kostbare edelstenen.
Refereert hij aan een messiaanse tijd als hij roept:
55 1 Hierheen! Hier is water,
voor ieder die dorst heeft.
Kom, ook al heb je geen ?geld.
Koop hier je voedsel en eet.
Kom, koop voedsel zonder ?geld,
koop ?wijn? en melk zonder betaling.

Deze utopie van soliditeit en solidariteit  krijg je niet cadeau, Jeruzalem zal wel moeten luisteren naar de stem van de Eeuwige:
Luister aandachtig naar mij,
en je zult ruimschoots te eten hebben
en genieten van een overvloedig maal.
Leen mij je oor en kom bij mij,
luister, en je zult leven.

Wat is dat luisteren? Het is Tora in ruime zin, onderricht in de zin van de Jesaja van hoofdstuk 1: 18.17:‘ Vermijd alle kwaad en leer goed te doen. Zoek het recht, houd tirannen in toom, bied wezen bescherming, sta ?weduwen? bij'.
De terugkeer van (een deel van) de ballingen naar Judea heeft inderdaad plaatsgevonden – met goedkeuring en met materiele steun van Cyrus -   maar de realisering van een messiaanse samenleving is niet gerealiseerd. De verheven en toch aardse beelden in deze verzen raken nog steeds een snaar raken in ons gemoed, dat verlangt naar uitbanning van uitbuiting, corruptie, honger, armoede en omarming van compassie en gerechtigheid in deze wereld.

De traditie ziet Jeruzalem ook op allegorische wijze. Je kan Jeruzalem, (of Tsion) zien als de heilige plek die in iedere Jood, cq in iedere mens, in principe is te vinden. Een plek, die geheven is boven de alledaagse zorgen en wanen, boven de tijd/ruimte, een plek waar de ziel zich even verbonden en verzoend kan weten. (1) Op dat niveau van uitleg is de terugkeer naar Jeruzalem de terugkeer naar die heilige plek, onze essentie, ons beste weten omtrent het goede, onze ziel, de we eens in de hectische rat race van de wereld hebben verlaten. Dan slaat de vertroosting van de verzen 54:7,8 niet zozeer op de geschiedenis van Israel, waar de Eeuwige zijn gezicht (presentie) meermalen voor meer dan een ogenblik heeft verborgen (en nog steeds verborgen houdt?), maar vooral op onze individuele weg van bewustwording, de weg van de banneling die thuiskomt.
Ik heb je slechts een ogenblik verlaten,
maar met open armen zal ik je weer ontvangen.
Ik verborg mijn gezicht voor je
in laaiende toorn, één ogenblik lang,
maar ik zal me weer over je ontfermen
met eeuwigdurende ?liefde

noot

(1) In de kabbala wordt Jeruzalem veelal geassocieerd met de sefira Malchoet.

Parasjat Beresjiet Beresjiet/Genesis 1:1-6:8 

Er zij licht en er was licht

We gaan een gedachtenreeks spinnen rond dit vers uit Beresjiet/Genesis hoofdstuk 1.

1:3 God zei: ‘Er zij licht' en er was licht. (wa-jomer Elohim: jehi or) (1)
4 God zag dat het licht goed was, en hij scheidde het licht van de duisternis;
5 het licht noemde hij dag, de duisternis noemde hij nacht. Het werd avond en het werd morgen. Een dag.

Volgens de modern orthodoxe commentator en expert oud-semitische talen Umberto Cassuto die vaak dicht bij de letterlijke bedoeling van de tekst blijft heeft de redacteur het licht als fysisch fenomeen voor ogen gehad. Dat is wel waarschijnlijk, maar toch is het is het interessant eens na te gaan, hoe deze gebeitelde pregnante woorden latere generaties geïnspireerd hebben er veel meer in te zien dan het zichtbare licht.

Dat is begrijpelijk, als je stil staat bij hoe het woord ‘licht' geladen is met associaties, die weliswaar gebaseerd zijn op de eigenschappen van het fysieke licht, maar daar verre boven uitgaan. Neem alleen al in het Nederlandse spraakgebruik uitdrukkingen als ‘het licht zien', ‘een lichtend voorbeeld' en de term ‘verlichting', welk laatste woord merkwaardigerwijs zowel een religieuze betekenis kan hebben en dan duidt op een staat van verheven vrede en diep inzicht, alsook een min of meer antireligieuze strekking heeft als ze duidt op 18-eeuwse omhelzing van het principe dat de rede en rationele analyse de enige manier is om waarheid te vinden. Altijd al heeft het begrip ‘licht' een centrale plaats ingenomen in het weergeven van essentiële ervaring op geestelijk gebied. Het hoeft het geen verbazing te wekken, dat het monumentale bijbelvers over de creatie van het licht ook allegorische en esoterische uitleg heeft gevonden. Van mijn prille bestudering van deze aspecten waag ik enkele bevindingen weer te geven.

In de midrasjverzameling op Genesis, Genesis Rabba (2), wordt geconstateerd, dat het licht van vers twee niet het licht is, dat later uitgaat van zon en maan. Zo staat het er:
‘Men onderwees, dat het licht, dat werd geschapen in de zes dagen van de schepping de dag niet kan verlichten, omdat dit licht het licht van de zon zou doen verdwijnen en ook de nacht niet, omdat het alleen geschapen was om de dag te verlichten. Waar is het dan gebleven? Het is opgeslagen voor de rechtvaardigen in de messiaanse toekomst, zoals is gezegd' - en dan volgt een regel uit een messiaans visioen van de profeet Jesaja -  (30:26): ‘ dan is het licht van de maan als het licht van de zon, en het zonlicht wordt verzevenvoudigd, als het licht van zeven dagen tegelijk'. 
We moeten er met de kennis van nu niet aan denken, dat de maan de zon wordt en de zon zevenmaal zo hard schijnt, maar dat fysiele aspect is hier natuurlijk niet bedoeld, het gaat om een verlichte staat van volmaakte vreugde en wijsheid, die aan het eind der tijden wacht. (3) Is er dan niets van dit primordiale scheppingslicht meer werkzaam in onze huidige wereld?

In de kabbalistische mystiek zijn tot in groot detail ideeën over het verborgen oerlicht te vinden. Gangbaar is de opvatting geworden (van de grote kabbalist R. Isaac Luria, 1534-1572) dat het primordiale spirituele licht, dat uit Ein Sof (het onzegbare ‘zonder einde') als eerste scheppingsdaad is ontstaan, in een aantal dramatische fasen van vermindering tot een minieme fractie omhuld is geraakt in schillen ( klipo t) (4) : de psychische en materiele wereld, kortom onze daagse beleving van de complexe gebroken wereld van goed en kwaad. De verhulde overblijfselen van het licht, de lichtvonken ( netivot ) diep verborgen in ons en in de dingen, zoals wij die waarnemen, vragen erom verlost te worden door ons, zodat wij ons bewustzijn en daarmee de wereld in een meer volmaakte staat kunnen brengen, kunnen heel maken in de richting van het oorspronkelijke ideale plan van de schepper (5). Dat wordt in het Joods gedachtegoed tikoen olam genoemd, de reparatie van de wereld. Dat kan door (een programma van) spirituele oefening, waarin je je traint in een verruimd gewaar worden van hoe in alle gedachten, ideeën, gevoelens, ook de donkerste, een (goddelijke) vonk is verborgen, die bevrijd kan worden, waardoor die zaken naar een hoger plan worden verheven. Maar het kan ook door een daad te doen van liefde, hulp, steun aan medemens en milieu.

Dit concept van tikoen olam is vanuit de kabbala ontwikkeld tot een heel praktische leidraad in het liberale jodendom om het doen en laten van alledag een zin te geven.
Laat mijn gedachte, mijn daad of de manier waarop ik waarneem en aan het leven deelneem de wereld in het donker of breng ik meer licht aan de oppervlakte?

noten

(1) Een woordspelletje met het Hebreeuwse woord voor licht ( or ???), verlichten ( he'íer ) stad ( ier ???) en huid ( or ???): ??? ???? ???? ???
(2) Genesis Rabba 3:7
(3) Cassuto moet niet zoveel hebben van deze esoterische uitleg. Hij meent, dat de “rabbijnse uitleg dat het licht verborgen werd ten gunste van de rechtvaardigen in de komende wereld “ niet overeenkomt met de bedoeling van het vers. Hij houdt het bij de psjat (letterlijke uitleg) Zie Cassuto, A commentary on the book of Genesis, part one, p.26 ev en zijn betoog over de functie van zon en maan als markering van het alreeds geschapen licht van vers 3.
(4) Zie het concept van het ‘breken der vaten'( sjevirat ha keliem ), een soort schitterend ongeluk, zoals bijv. samengevat in Marcus van Loopi, Kabbala als levenskunst, p. 257 ev
en in detail Moshe Miller op chabad.org
(5) Daarvoor wordt wel in de kabbala het beeld van Adam Kadmon (niet te verwarren met de Adam van het paradijs) gebruikt, een oerbeeld van de volmaakte mens, dat God gebruikte als blauwdruk voor de schepping.
Adam Kadmon doet, ontdaan van zijn metafysische kleed, denken aan het  antropisch principe in de natuurwetenschappen, het idee dat er een nauw verband bestaat tussen ons mens-zijn en de eigenschappen van het heelal, zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Antropisch_principe

RC okt 2019


 

PARSJIOT

Beresjiet/Genesis

Beresjiet
Noach
Lech lecha
Wajera
Chajee Sara
Toldot
Wajetsee
Wajisjlach
Wajesjev
Mikeets
Wajigasj
Wajechi

Sjemot/Exodus

Sjemot
Wa’era
Bo
Jitro
Besjalach
Misjpatim
Teroema
Tetsawee
Ki Tisa
Wajakheel-Pekoedee


Wajikra/Leviticus

Wajikra

Tsav

Sjemini
Tazria-Metsora
Kedosjim
Behar
Bechoekotai


Bemidbar/Numeri

Bemidbar
Naso
Beha'alotcha
Sjelach lecha
Korach
Choekat
Balak
Pinchas
Matot
Mas'é


Devariem/Deutero-
nomium


Devariem

Waetchanan
Ekev
Re'ee

Sjoftiem
Ki tetsee
Ki tavo
Nitsaviem-Wajelech
Ha'azinoe
We zot ha-beracha