Vele moderne en oude bijbelcommentatoren hebben hun commentaren op de Tora geschreven, vaak aan de hand van het hoofdstuk, dat die week in de synagoge wordt gelezen, de 'parasja van de week'; en iedere week worden er weer nieuwe commentaren gepubliceerd.
Bescheiden voeg ik mij - een beetje als goedwillende amateur - in het grote leger van deze commentatoren.
Steeds zal ik daarbij ernaar streven een eigen interpretatie of een persoonlijke noot toe te voegen. Dit alles vormt een goede aanleiding om de bijbel - speciaal dus de Tora - eindelijk eens goed, met respect voor de traditie, maar toch met nieuwe ogen te lezen. Als je wil, doe mee...

parsha of the week : Tradition is to deliver commentaries on the Tora chapter of the week and a host of ancient and modern scholars have done so. I humbly dare to add my own share,. This all to give myself an occasion and create a discipline to regularly close-read the Tora, with respect for tradition as well as with new eyes. If you like join me! The language, alas, is Dutch


Parashat We-zot ha-beracha Dewariem/Deuteronomium 32 en 33      0kt 2015
Een profeet van nu?

De parasha

De parasha We-zot ha-beracha is de laatste parasha van de Tora. Op het komende feest van Simchat Tora wordt deze laatste parasha over de dood van Moshé gelezen en meteen daarna de eerste parasha van de Tora, Bereshiet/Genesis, over de schepping van het universum, de aarde en de mens. De cyclus van Tora lezen gaat door. In de geschiedenis van het volk van Israel gaat het verhaal in zekere zin ‘longitudinaal' door: de Israëlieten staan aan de rivier de Jordaan en onder Jehoshoea zullen zij de rivier oversteken.
De parasha begint met de zegeningen die Moshé over de stammen Israëls uitspreekt. Iedere stam krijgt zijn eigen langere of kortere zegenspreuk over zich uitgesproken.
Al eerder waren de stammen op een sterfmoment toegesproken: door stamvader Ja'akov (Bereshiet/Genesis 49:1-28). Het is interessant de woorden van Ja'akov en die van Moshé naast elkaar te leggenen; zie daarvoor een eerder commentaar van mij. De parasha besluit met een nuchtere en waardige schets van de dood van Moshé, nadat hij vanaf de berg Newo een laatste blik mocht werpen op het beloofde land.

de dood van Mosjé
 

De beschrijving van de laatste gang van Moshé (Deut. 34), weg van het volk, de berg Nevo op, raakt mij altijd weer als ik het lees. Waar hem dat in zit, ik weet het niet. Ik ben sowieso al gevoelig voor sterfscènes en dit is wel een van de meest klassieke. Buber moet denken "aan een van de edele dieren, die zich van hun kudde verwijderen om alleen te kunnen sterven". Dat zit er ook in, ja.
Het is ook de combinatie van kracht - de laatste wandeling alleen, "niet wazig was zijn blik en niet geweken zijn frisheid" (Deut. 34,7) - en de menselijke smart van het afscheid. De grootsheid van zo'n vol leven, dat een einde neemt. De eenzaamheid die hem zijn hele leven moet hebben omgeven die hier in zijn volheid en naaktheid onthuld lijkt.
Het is ook de menselijkheid ondanks de heroïeke enscenering van de eenzame bergbeklimming, Moshé was geen mens zonder zonden, zoals Jezus, hij was toornig als de God van de Tora zelf, geduldig en ongeduldig, bescheiden en autoritair, een welsprekend man met ooit een spraakgebrek, moedig met bange momenten, een profeet maar niet heilig.
Zijn graf werd geen heilige plek of bedevaartsoord, want niemand wist en weet waar hij begraven is.

Profeten

In vers 34:10 staat: “nooit meer stond er een profeet in Jisraël op als Moshé, met wie de Eeuwige omging 'van aangezicht tot aangezicht”. Moshé zelf sprak eerder tot het volk in Dew/Deut18:15: “de Eeuwige zal in uw midden profeten laten opstaan, profeten zoals ik. Naar hen moet u luisteren”. Die profeten zijn inderdaad gekomen. Vele profeten heeft het oude Israel gekend en een aantal hebben de canon van de Tanach gehaald, waaronder als meest bekenden Jirmejahoe (Jeremia) en Jeshajahoe (Jesaja). Echter: in de eeuwen na de terugkeer van het Joodse volk uit Babylon is de profetie als het ware uitgestorven en zijn de rabbijnen in hun plaats gekomen als richtingwijzers naar de goede weg. Toch is profetie wel een element in de Joodse religie gebleven. Maimonides is uitgebreid op profetie ingegaan. Het zesde geloofspunt van zijn bekende 13 geloofspunten luidt:
Ik geloof er volledig aan dat al wat de profeten verkondigd hebben waar is. Hij ziet profetie als een eigenschap, die ieder, Jood of niet-jood, in principe kan hebben. . Om een profeet te zijn somt de beroemde middeleeuwse geleerde de volgende criteria op: men moet wijs zijn en beschikken over een heldere geest, een onberispelijk karakter en beheersing van zijn hartstochten en begeerten, men moet een rustige en opgewekte gesteldheid hebben, men moet de stoffelijke en frivole kanten van het leven mijden en zichzelf volledig wijden aan het kennen en dienen van God. Met dat alles is zo'n persoon nog geen profeet; wat zo'n wijze pas echt een profeet maakt is dat de Eeuwige hem daartoe kiest (1).
Zoals gezegd, de rabbijnen hebben de profeten overbodig verklaard. Het fenomeen van een overvloed aan valse profeten heeft dit waarschijnlijk in de hand gewerkt en ook de ervaring met allerlei messiassen heeft niet gunstig uitgepakt. Maar ze lieten de mogelijkheid van werkzaamheid door de ‘roeach ha-kodesh' – de heilige inspiratie - wel open voor rechtvaardigen, voor tsadikiem.
De belevenissen van de oude profeten lieten zien, dat het een ondankbare en eenzame taak betrof. Ze werden gedreven om het tegen koningen en regeringen opnemen en misstanden, die door machthebbers werden bevorderd en door de meerderheid werden geduld en zelfs toegejuicht, aan de kaak stellen. Maar de waarheid is al te vaak bij machthebbers niet geliefd. Profeet zijn was een levensgevaarlijk beroep. Dat een profeet is in zijn eigen land niet geëerd is ervoer ook Jezus in zijn vaderstad Nazareth (Matteus 13:54-57).

Een profeet van nu?
.
Al komen profeten volgens de rabbijnse opvattingen niet meer voor, er zijn wel mensen, die door hun boodschap en levenswandel de associatie met profeten wekken of hebben gewekt. Ook die ‘evenknieën' van de oude profeten kunnen bevestigen, dat hun boodschappen aan de natie of de wereld heftige weerstanden hebben opgeroepen of nog oproepen. Niet zelden zijn die met verbanning, gevangenis of zelfs moord beantwoord.

Velen noemen in dit verband figuren als de Dalai Lama, Martin Luther King, Nelson Mandela.
Het jongste nummer van het magazine van het Nederlands Verbond voor Progressief Jodendom, Joods Nu, is gewijd aan ‘Profeten, toen en nu' (2). Het bevat o.a. een interview met de de voorvechtster van het liberaal Jodendom in Israel, Anat Hoffman. Gevraagd naar wie voor haar een hedendaagse profeet is hoeft ze niet lang na te denken: dat is de controversiële Israëlische denker en leraar professor Jeshajahoe Leibowitz. Op het onvolprezen internet heb ik wat informatie over hem gezocht (3).
Hij is in 1994 overleden, 91 jaar oud, verguisd, gerespecteerd en bewonderd. Zijn boodschap was straight, maar voor vele Israëli niet gemakkelijk. Hoewel rechtgeaard orthodox was hij een felle voorstander van de scheiding van kerk en staat, veroordeelde hij de corrupte religieuze instituten en beschouwde hij het nationalisme rond de staat Israel als voedingsbodem voor fascistische tendensen, waarbij hij indringende bewoordingen als ‘blut und bodem' niet schuwde. Een keerpunt ten kwade noemde hij de voortdurende bezetting van de Jordaanse westoever na de Zesdaagse oorlog , een bezetting die noodzaakte tot onderdrukking van een ander volk. Leibowitz waarschuwde tegen de daaruit door hem voorziene ernstige ondergraving van Joodse morele waarden. Hij was sterk geporteerd voor een tweestaten oplossing. Hoe je ook denkt over de staat, de identiteit en de politiek van Israel, je ontkomt er niet aan dat de opvattingen van Leibowitz je verontrusten door hun mogelijke waarheidgehalte. Vlak voor zijn dood was het plan hem de Israel Prize toe te kennen, maar hij trok zich terug toen heftige protesten opriepen om zijn nominatie ongedaan te maken. Recent werd het voornemen om een straat in Jeruzalem naar hem te vernoemen ook na protesten weer ingetrokken. Wie een indruk wil krijgen van zijn betoog moet het youtube filmpje met een interview met hem eens bekijken (4).
Ik kan niet nalaten de woorden van Anat Hoffman uit ‘Joods Nu' te citeren, woorden die hem opeens zo dichtbij halen: “Hij was een zeer bijzondere man. Hij had geen rijbewijs en nam elke dag bus 9 naar de universiteit waar hij werkte. Je kon dan met hem spreken, op de bus. Hij had een lijst en je ging twee of drie haltes naast hem zitten,tot de volgende persoon kwam om met hem te praten. Iedereen nam plaats naast hem in bus 9 met hun vragen en gedachtes: soldaten, professoren, huisvrouwen, Joden, moslims, christenen, mannen en vrouwen. Iedereen mocht plaats naast hem nemen en hij was in iedereen even geïnteresseerd. Het verhaal gaat dat een huisvrouw hem op een dag aansprak, hij luisterde naar haar en gaf zijn antwoord. Men zei: zij weet niet dat hij professor Leibowitz is, maar ook hij wist niet dat hij professor Leibowitz was. ‘Hij was een ware profeet.'”


Noten
(1) Een aardig overzicht biedt de Chabad website ,
(2) Zie Joods nu nummer 5, jaargang 2, september 2015/ 5776
(3) Bv op Wikipedia en op de website Sargasso
(4) https://youtu.be/buQ1C5RJ2Vk of hieronder:

RC 1 okt 2015

Parasha We-zot ha-beracha
Dewarim/Deuteronomium 32 en 33
De ommekeer van Levi

Simchat Tora en shabbat Bereshiet

Het boek Dewariem is afgesloten en de lezing van de Tora is rond. De gemeenten hebben zeven rondes om de bima gedanst met de Torarollen in de armen. Een nieuwe jaarronde Toralezen gaat van start. Het is Simchat Tora geweest en de chataniem Tora hebben de laatste parasha We-zot ha-beracha over de dood van Moshé gelezen en ook weer de eerste parasha Bereshiet/Genesis over de schepping van het universum, de aarde en de mens. De cyclus gaat door. Maar in de geschiedenis van het volk van Israel gaat het verhaal in zekere zin ‘longitudinaal' door: het volk staat aan de rivier de Jordaan en onder Jehoshoea zullen zij de rivier oversteken; deze situatie is ook de inhoud van de haftara - stuk uit de bijbel dat naast het Tora-stuk wordt gelezen- die bij deze parasha We-zot ha-beracha hoort, Jehoshoea 1:1-9.

Die oversteek betekent het verlaten van mythische grond van de Tora en de oversteek naar de concrete geschiedenis. In het boek Jehoshoea begint het echte geschiedenisboek, de geschiedenis van de omgang van het volk met zijn bijzondere lot, met zijn Tora en zijn vrienden en vijanden van het politieke moment.

Het volk dat aan de rivier staat, vóór de oversteek naar een onbekend gebied en een ongewisse toekomst heeft ook een archetypische sfeer, die terug te vinden is in alle gemeenschappen die voor een belangrijke lotswisseling staan, voor kardinale beslissingen, die toekomstbepalend zijn. Ook individueel zijn deze momenten te herkennen: grote beslissingen die een nieuwe levensfase inluiden.

In het allereerste stuk van het boek Jehoshoea (1:9) staat, dat de Altijdzijnde Jehosjoea - en eigenlijk ons allemaal wanneer we voor grote stappen in het leven staan - gebiedt: “wees vastberaden en standvastig, laat je door niets weerhouden of ontmoedigen, want waar je ook gaat, de Eeuwige, je God, staat je bij”.

De ommekeer van Levi

De parasha We-zot ha-beracha begint met de zegeningen die Moshé over de stammen Israels uitspreekt en besluit met een nuchtere en waardige schets van de dood van Moshé, nadat hij vanaf de berg Newo een laatste blik mocht werpen op het beloofde land.

Iedere stam krijgt zijn eigen langere of kortere zegenspreuk over zich uitgesproken. Merkwaardigerwijs wordt de stam van Shim'on niet genoemd. R. Gunther Plaut (The Torah, a modern commentary) verklaart dit vanwege het feit, dat volgens bijbelwetenschappers de teksten – overigens nogal gecorrumpeerd – stammen uit de tijd van de koningen David en Shelomo, toen de stam van Shim'on al was opgegaan in die van Juda. Dat was een tijd waarin een zekere rust en welvaart heerste, wat dan in de zegeningen weerspiegeld zou zijn. In ieder geval ademen de zegeningen die Moshé uitspreekt een heel andere sfeer dan zijn eerdere sombere voorspellingen over de afvalligheid van Israel en de navenante rampen die daar het gevolg van zouden zijn.

Al eerder waren de stammen op een sterfmoment toegesproken: door stamvader Ja'akov (Bereshiet/Genesis 49:1-28), een tekst die wordt gepositioneerd in de tijd van de Rechters, toen de situatie in het land Kana'ans nog een stuk chaotischer was. Daar wordt Shim'on wel genoemd, samen met zijn broer Levi. Het is interessant de woorden van Ja'akov en die van Moshé naast elkaar te leggen. We lichten daarvan uit de woorden over Levi.
Moshé zegt: (Dew. 33:8 ev) Uw Tummim en Uw Urim zijn bij deze man, Uw gunsteling; U stelde hem op de proef in Massa,U riep hem ter verantwoording bij de wateren van Meriba. 9 Hij zei over zijn vader en moeder: Ik zie hen niet. Hij herkende zijn broers niet, en zijn zonen kende hij niet. Zij hielden namelijk Uw woord, en namen Uw verbond in acht. Z ij zullen Jakob Uw bepalingen leren en Israël Uw wet, zij zullen reukwerk voor Uw neus leggen, en een offer dat geheel verteerd wordt op Uw altaar. 11 Zegen zijn vermogen, Eeuwige, en wees het werk van zijn handen goedgezind; verbrijzel de heupen van wie tegen hem opstaan, en van hen die hem haten, zodat zij niet meer opstaan! (Die laatste zinsnede is mogelijk niet bedoeld voor Levi, maar voor een andere stam).

Maar bij Jaákov is Levi – samen in één adem genoemd met Shim' on – nog de woeste en gewelddadige man, die geen genade kent in de ogen van zijn vader, die hen nog altijd de moord op de mannen van Shechem nahoudt en zijn afstammelingen verstrooiing onder het volk van Israel voorspelt (wat de afstammelingen van zijn broer inderdaad dus is overkomen). Over tempeldiensten wordt niet gesproken.
In de tijd, dat Ja'akovs woorden werden vastgelegd, waren de afstammelingen van Levi waarschijnlijk nog niet de officiële Levieten van de tempel. In de tijd dat de zegenspreuken van Moshé werden geboekstaafd, waren die nakomelingen van Levi getransformeerd tot een corps van tempeldienaren en als zodanig worden ze door Moshé genoemd. Dat is de geschiedkundige belichting van de verschillen tussen de woorden van de stamvader en de grote profeet.

Homiletisch gezien - we laten de historische bijbelwetenschap nu los - kan je spreken van een grondige ommekeer, die heeft plaatsgevonden in de stam Levi tijdens de uittocht uit Egypte. De onbeheerste gewelddadigheid van Levi is ingedamd tot fervente loyaliteit aan hun medeleviet Moshé en aan de dienst van de Eeuwige. Immers in de woelingen rond het gouden stierkalf stonden ze aan de kant van Moshé en volvoerden de executie van de rebellen, zelfs als het familieleden, broeders, zonen, betrof (zoals beschreven in Shemot 32: 25-30). Daar doelt Moshé op, als hij in zijn zege over de stam Levi zegt:
Hij ( de Levieten dus ) zei over zijn vader en moeder: Ik zie hen niet. Hij herkende zijn broers niet, en zijn zonen kende hij niet. Zij hielden namelijk Uw woord, en namen Uw verbond in acht.
Het fanatisme, dat zelfs familieleden niet ontziet, komt mij zeer bedenkelijk voor *. Maar na die door Moshé bevolen zuivering zijn zij toch de vreedzame kern geworden van het volk. Je zou kunnen spreken van een ‘teshoewa', een ommekeer. De Levi 's zijn de kunst machtig geworden om de ongeleide energie van hun gewelddadigheid te kanaliseren in dienst van vreedzame doelen. Die kunst zou ik in deze tijden veel fanatiekelingen en extremisten toewensen.

* Zie overigens ook voor een gelijksoortige toewijding die God, i.c. Jezus stelt boven familie: Mattheus 10: 37 Wie meer van zijn vader of moeder houdt dan van mij, is mij niet waard, en wie meer houdt van zijn zoon of dochter dan van mij, is mij niet waard

okt. 2014

Ve-zot ha-beracha (Devariem/Deuteronomium 33 en 34), gelezen op Simchat Tora

De parasja We-zot ha-beracha is de laatste parasja van de Tora. Op het komende feest van Simchat Tora wordt deze laatste parasja over de dood van Moshé gelezen en meteen daarna de eerste parasja van de Tora .
De sjabbat die valt in de week van Soekot is een bijzondere sjabbat, sjabbat Chol Hamoed Soekot. Dan wordt in plaats van de te verwachten parsje van de week een paar stukken uit de parasha Ki Tisa gelezen, Exodus/Sjemot 33:12 - 34:26 met als Haftara de beroemde passage uit Jechezkel/Ezechiel over de vallei vol beenderen die weer levend lichaam worden. 
In vele gemeenten wordt ook Kohelet/ Prediker gelezen. 
Vreemd is het dan eigenlijk, dat juist het boek Prediker/Kohelet wordt gelezen, waarin de schrijver – naar men zegt de oude Sjlomo Hamelech (koning Salomo) – zijn vaak sombere visie op het leven geeft. Al naar gelang de eigen geaardheid van de lezer kan men hem een cynicus, een pessimist, een melancholicus, een depressieveling, een relativist of een realist noemen, maar een blije optimist die toch beter bij Soekot zou lijken te passen, is hij toch niet.
Lees daarover verder op mijn website .
Nu verder over de parasja.

de dood van Mosjee

De beschrijving van de laatste gang van Mosjee (Devariem/Deuteronomium 34), weg van het volk, de berg Nevo op, raakt mij altijd weer als ik het lees. Waar hem dat in zit, ik weet het niet. Ik ben sowieso al gevoelig voor sterfscenes en dit is wel de meest klassieke. Buber moet denken "aan een van de edele dieren, die zich van hun kudde verwijderen om alleen te kunnen sterven". Dat zit er ook in, ja.

Het is ook de combinatie van kracht - de laatste wandeling alleen, niet wazig was zijn blik en niet geweken zijn frisheid" (Devariem/Deuteronomium34,7) - en de menselijke smart van het afscheid. De grootsheid van zo'n vol leven, dat een einde neemt. De eenzaamheid die hem zijn hele leven moet hebben omgeven die hier in zijn volheid en naaktheid onthuld lijkt. Het is ook de menselijkheid ondanks de heroieke enscenering van de eenzame bergbeklimming. Mosjee was geen mens zonder zonden, zoals Jezus, hij was toornig als de God van de Tora zelf, geduldig en ongeduldig, bescheiden en autoritair, een welsprekend man met een spraakgebrek, moedig met bange momenten, een profeet maar niet heilig.

Hij stierf al pi Hashem , wat vertaald wordt als ‘volgens het woord van de Eeuwige', ‘op bevel van de Eeuwige', ‘aan de mond van de Eeuwige' etc.
Zijn graf werd geen heilige plek of bedevaartsoord, want niemand wist en weet waar hij begraven is.

Jaarcyclus en historische voortgang

Met de parasja Ve-zot ha-beracha uit het boek Devariem/Deuteronomium is de jaarlijkse lezing van de Tora rond. Maar dit is niet het einde. De cyclus gaat altijd maar door. Meteen begint er een nieuwe ronde met het lezen van de parasja Beresjiet, waarmee de Tora en het boek Beresjiet/Genesis aanvangt.  In de synagoge wordt dat gedaan op de speciale feestdag van Simchat Tora , ‘Vreugde der Wet'. Twee personen uit de gemeente worden uitgekozen om deze twee lezingen te doen. Dat is een speciale koved, eer. De zogenoemde chatan Tora (‘bruidegom van de Tora') leest het laatste stuk uit Devariem en de kalla Tora (‘bruid van de Tora') leest het begin van Beresjiet/Genesis. Op het feest, dat met simcha (blijdschap) wordt gevierd,  haalt men de Torarollen uit de aron hakodesj (heilige ark) en danst ermee rond.

Die altijd maar doorgaande cyclus geldt ook voor de uitleg en commentaren op het boek en zijn parasjot. Het volgend Joodse jaar zullen rabbijnen, voorgangers, geleerden, leergroepen en studenten weer nieuwe interpretaties en commentaren geven, zoals dat in vorige eeuwen is gebeurd en zoals dat in volgende eeuwen ook zal mogen plaats vinden, jaar in jaar uit. In ieder epoch zal in die beschouwingen en uitleggingen weer de geest des tijds en de context van andere omstandigheden doorklinken en zullen nieuwe aspecten oplichten,

In de geschiedenis gaat het verhaal van de Israëlieten ‘longitudinaal' door: het volk staat aan de rivier Jordaan en onder Jehosjoea zullen zij de rivier oversteken. De oversteek over de rivier betekent het verlaten van de mythische grond van de Tora naar het gebied van de concrete geschiedenis. In het boek Jehosjoea begint het geschiedenisboek, het relaas over de omgang van het volk met zijn bijzondere lot, met zijn Tora en met zijn vrienden en vijanden van het politieke moment. Het is een verhaal van dieptepunten en hoogtepunten, van voorspoed en ellende, van hoogtij en laagtij, van opkomst, bloei en verzinken, maar nooit van volkomen teloorgang.
Het volk dat aan de rivier staat, vóór de oversteek naar onbekend gebied en de overgang naar een ongewisse toekomst heeft een prototypische sfeer, die terug te vinden is in alle gemeenschappen die voor een belangrijke lotswisseling staan, voor kardinale beslissingen, die toekomstbepalend zijn.

‘Weest sterk en moedig' – chazak ve-emats – voegt de Eeuwige de nieuwe leider tot driemaal toe (1). Daarmee herhaalt Hij de aanmoediging die eerder Mosjee aan zijn volk en aan zijn opvolger heeft gegeven (2). Een aanmoediging die zich spiegelt aan gelijke woorden, die veel later koning David op zijn oude dag sprak tot zijn zoon Sjlomo (Salomo): ‘Wees sterk en moedig; vrees niet en wees niet verschrikt'. In hoeveel tijden en hoe vaak zullen deze en dergelijke woorden niet innerlijk zijn herhaald of naar anderen zijn uitgesproken?

Het is een aanmoediging, die we eigenlijk allemaal ter harte kunnen nemen, wanneer we in het leven grote stappen moeten nemen of voor de overgang staan naar een nieuwe levensfase:'wees sterk en moedig, laat je door niets weerhouden of ontmoedigen, want waar je ook gaat, de Eeuwige, je God, staat je bij.' (4). Of voor hen die het godswoord liever vermijden: 'wees sterk en moedig, laat je door niets weerhouden of ontmoedigen, want waar je ook gaat, een grotere kracht dan jij draagt je en staat je bij'. Als je je er voor openstelt, zou ik eraan willen toevoegen.

noten

(1) Jehosjoea 1:6 en 8 en 9
(2) Devariem/Deuteronomium 31:7 en 31:23.
(3) 1 Divree Hajamiem/Kronieken 22:13 and 28:20
(4) Jehosjoea 1: 9, vrij naar NBV


Sjabbat Chol Hamoed Soekot

Soekot en Kohelet

De sjabbat die valt in de week van Soekot is een bijzondere sjabbat, sjabbat Chol Hamoed Soekot. Dan wordt in plaats van de te verwachten parsje van de week een paar stukken uit de parasha Ki Tisa gelezen, Exodus/Shemot 33:12 - 34:26 met als Haftara de beroemde passage uit Jechezkel/Ezechiel over de vallei vol beenderen die weer levend lichaam worden
In vele gemeenten wordt ook Kohelet/ Prediker gelezen.

Soekot staat in het teken van lichtheid en vreugde. Uitdrukkelijk zegt de Tora: we-hajta ach sameach (Deut. 16:15), je zult volkomen blij zijn. Een van de andere namen van het feest is: chag simchatenoe , feest van onze blijdschap. Na de dagen van inkeer, vernieuwing en verzoening, die Rosj Hasjana en Jom Kippoer inhouden, vormt Soekot een vreugdevolle afsluiting en luidt eerst waarachtig een nieuwe jaarcyclus in.

De vreugde van Soekot is een resonantie van de agriculturele oorsprong als feest van de late oogst, van dadels, vijgen, druiven e.d. We kunnen ons indenken, hoe blij de boeren en landarbeiders waren met het goede verloop van de inzameling van de vruchten en hoe verheugd dat ook deze oogst er weer opzit en wellicht hebben ze dat gevierd in de provisorische hutten, waarin ze tijdens het oogsten op de vaak ver van huis liggende velden hebben verbleven.

Vreemd is het dan eigenlijk, dat juist het boek Prediker/Kohelet wordt gelezen, waarin de schrijver – naar men zegt de oude Shlomo Hamelech (koning Salomo) – zijn vaak sombere visie op het leven geeft. Al naar gelang de eigen geaardheid van de lezer kan men hem een cynicus, een pessimist, een melancholicus, een depressieveling, een relativist of een realist noemen, maar een blije optimist die toch beter bij Soekot zou lijken te passen, is hij toch niet.

De rabbijnen hadden moeite met het boek, dat niet echt leek te passen in de rechtzinnige overtuigingen, die de andere boeken van de Tanach propageren. Op het nippertje is het dan ook in de canon toegelaten (met als concessie, dat misschien de laatste twee verzen, die oproepen tot vrome navolging van de geboden, zijn toegevoegd (Koh. 9:13, 14)).
Gelukkig maar, want hoe diepzinnig en poetisch zijn de wijsheden van een kennelijk oude man, die de toppen en de dalen van het leven heeft meegemaakt, verwoord.
En wat de bejaarde koning over vrolijkheid en vreugde te zeggen heeft is de moeite waard om ter harte te nemen.

Goed beschouwd is het boek een worsteling van een man op zoek naar de zin van het leven en tot zijn groot verdriet tot de conclusie komt, dat het een mens niet lukt die te ontdekken. Het is alles leegte, niets dan leegte. Het besef van de dood maakt alles betrekkelijk en dat dwaasheid en onrechtvaardigheid vaak de overhand hebben is verbijsterend en maakt moedeloos. Rijkdom en bezit als doel van het leven blijkt op zich een mens geen vervulling te geven. De prediker heeft het zelf allemaal onderzocht, macht en rijkdom heeft hij vergaard, zich ondergedompeld in de vrolijkheid van wijn en hij heeft persoonlijk ook de dwaasheid beproefd, maar de conclusie was: Vrolijkheid, zei ik tegen mezelf, is niet meer dan dwaasheid. En waar leidt vreugde toe? (Koh. 2:2).

Kennelijk heeft de ervaring van zinloosheid bij Kohelet tot een zware depressie geleid.
Ik kreeg een afkeer van het leven. Elke bezigheid onder de zon ging me tegenstaan, want het is niet meer dan lucht en najagen van wind. (Koh. 2:17).

Maar als oudere mens is hij die diepgaande crisis toch te boven gekomen, want te midden van die vruchteloze zoektocht naar zin en betekenis heeft de vrolijkheid een nieuwe vorm gekregen. Dat de mens zelf geen zin in de schepping kan ontdekken, hoeft niet te verhinderen, dat hij daarom niet kan genieten.

Ik heb vastgesteld dat voor de mens niets goeds is weggelegd, behalve vrolijk te zijn en van het leven te genieten. 13  Want wanneer hij zich aan eten en drinken te goed doet en geniet van al het goede dat hij moeizaam heeft verworven, is dat een geschenk van God . (Koh. 3 12) 

Een onomwonden oproep om het leven te genieten klinkt in Kohelet 9:7  Dus eet je brood met vreugde, drink met een vrolijk hart je wijn. God ziet alles wat je doet allang met welbehagen aan. 8 Draag altijd vrolijke kleren, kies een feestelijke geur. 9 Geniet van het leven met de vrouw die je bemint. Geniet op alle dagen van je leven, die God je heeft gegeven. Het bestaan is leeg en vluchtig en je zwoegt en zwoegt onder de zon, dus geniet op elke dag. Het is het loon dat God je heeft gegeven.
Zo zijn er meer passages aan te halen, waarin het in vreugde genieten van het leven toch de voorkeur krijgt boven het in verdriet en depressie ter neer zitten.

Er is kennelijk sprake van twee soorten de vreugde, die in de boodschappen van de oude koning meespreken.
De eerste soort zijn de korte vreugden van de wijn, de pleziertjes, waarmee je in de jacht naar een comfortabel leven, naar amusement of erkenning en eerbetoon de leegte tracht op te vullen.

Met genieting is echter niks mis, als ze gepaard gaat met twee essentiele zaken:
Dankbaarheid voor de gaven die je in het leven toevallen en die je door het lot – of als je gelovig bent door God - zijn toegedeeld, maar die ook weer kunnen worden weggenomen.
Bewustzijn van de eindigheid van het leven en het besef, dat verlies onvermijdelijk is, dat de dood altijd op de achtergrond aanwezig is, dat bitter besef, dat van harte ons tot het vergieten van vele tranen kan brengen, kan de ruimte scheppen voor een diepere vreugde om het leven; dat is de vreugde van de wijze, een blijdschap met een diepe ondergrond, een genieting, die altijd een bitterzoete smaak heeft. Er is een tijd om te huilen en er is een tijd om te lachen.

Dat is ook de betekenis van de ogenschijnlijk tegensprakige woorden in Kohelet 7: 2
Het is beter dat je naar een huis vol rouw gaat dan naar een huis vol feestrumoer, want in een huis vol rouw eindigt iedereen. Dat neme ieder mens zijn leven lang ter harte. 3 Je kunt beter droevig zijn dan vrolijk, want bij een droevig gezicht maakt het hart het goed. 4 De gedachten van de wijze zijn graag in een huis vol rouw, die van de dwaas in een huis vol plezier.
Ik moet dan denken aan de gevoelens, die je kan hebben als bijwoner van een begrafenis, paradoxale gevoelens van verdriet, compassie en besef van de fundamentele waarheid van de dood, die het hart verruimen en een diepe blijdschap niet hoeven uit te sluiten.

Misschien is dat een van de zaken, die Soekot en van Kohelet samen ons vertellen: Wees blij, maar vergeet nooit dankbaar te zijn. Geniet van de resultaten van je werk, maar besef, dat het leven niet maakbaar is. Wees verheugd, maar ‘memento mori'.

(citaten NBV)

Jom Kipoer 5775

Het boek van je leven

Ondanks alle tekortkomingen vragen we op Jom Kipoer om in het boek van het leven ingeschreven te blijven. Allerlei uitdrukkingen herinneren aan de krachtige metaforische werking van het beeld van het boek. Iemand is een open boek of een gesloten boek. Iets spreekt boekdelen en over iemand of iets kan je een boekje opendoen. Er worden helaas nogal eens zwarte bladzijden geschreven

Israël wordt wel genoemd ‘het volk van het boek'. Dat boek is de Tora. De Tora en de Tanach zijn bepalend geweest voor het leven en overleven van Am Jisrael. Het boek en zijn woorden hebben het volk door de geschiedenis heen bijeengehouden en gedragen. In moderne bewoordingen gesteld zou je kunnen zeggen dat het Joodse volk een sterk ‘narrative' (narratief) heeft, een verhaal, dat een kader van samenhangende betekenissen heeft, die een verbindende basis vormen onder en zin geven aan het bestaan van een volk, en in potentie aan ieder lid van dat volk. Een boek van het leven. De nadruk ligt dan ook niet voor niets op de plicht om dat narratief door te geven van ouders op kinderen, van generatie op generatie, le-dor wa-dor.

Ook u en ik hebben een eigen narratief. Een mens kan niet zonder de woorden die zijn leven in een kader plaatsen, die een zin proberen te ontdekken of te scheppen, die de gebeurtenissen en de daden van zijn leven kunnen verklaren, rechtvaardigen of richting kunnen geven. Het kan een positief en steunend verhaal zijn, een dramatisch verhaal, een stormachtig verhaal, een saai verhaal of een negatief verhaal. Hoe ik ben en wat ik doe komt voor een flink deel voort uit het verhaal dat ik aan mezelf vertel. Dat verhaal is geen vaststaand document. Ik vertel het steeds weer opnieuw aan mezelf en het kan wijzigen in de loop van de tijd. Het kan een beter verhaal worden, ik kan het verhaal af en toe herschrijven zodat het me stimuleert om betere dingen te doen. Eigenlijk een vorm van teshoeva.

Onlangs heb ik een boek gepubliceerd over de eerste twaalf jaar van het huwelijk van mijn ouders en dus ook over de eerste tien jaar van mijn leven. Deels was het schrijven een herschrijven van het verhaal, dat ik mijzelf heb verteld over mijn jonge jaren. Het verhaal is meer gekleurd en genuanceerd en realistischer geworden, milder voor mijn ouders en voor mezelf. Tijdens die sentimental journey kwam trouwens een belangrijk boek terug in mijn herinnering. Je leven kan als het ware als boek worden afgebeeld, een boek kan ook als boek belangrijk zijn geweest in je leven. Dat was het geval toen ik een jaar of negen was. Het was geen romantisch of diepzinnig boek. Mijn moeder schrijft anno 1950 aan haar ouders ‘Robbie is dus gisteren 10 jaar geworden. We hebben een hele toer gehad, om een cadeau voor hem te kopen. In heel Bandung was niets leuks te vinden. Uit akeligheid hebben we een boekje ‘WieWatWaar. Voor de Jeugd' voor hem gekocht, prijs f 7,40. Het is eigenlijk helemaal geen leuk boek voor een kind'.

Het boekje ‘WieWatWaar', jaarboekje voor 1949, dat mijn moeder voor mij had gekocht, omdat ze niets anders had, en dat ze ‘helemaal geen leuk boekje' vond was echter  een schot in de roos. Het was een jaarboekje op zakformaat met harde  kaft, waarin de politieke gebeurtenissen van het afgelopen jaar werden samengevat,  de belangrijkste politieke kopstukken van dat jaar werden genoemd, alle landen van de wereld werden beschreven inclusief hoofdstad, aantal inwoners etc. en wie de grootste legers had en nog veel meer interessante wetenswaardigheden. Ik vond dat fantastisch en verslond het jaarboekje 1949, en ook de boekjes van de volgende jaren. Nog kan ik de kopstukken uit die tijd dromen. Harry S. Truman, Winston Churchill, Clement Attlee, Dean Acheson, sir Anthony Eden, Conrad Adenauer, Jawaharlal Nehru, Mohammed Jinnah, Jozef Stalin. En ik weet nog steeds dat India toen 295 miljoen inwoners had. Machtig interessant vond ik dat allemaal.

Toen de poort van het kamp Banju Biru openging in augustus 1945 stond ik met mijn handje in de hand van mijn grootmoeder in de poortopening en schijn ik te hebben gevraagd: ‘is dat nu de wijde wereld? ‘Want dat had ik in veel verhaaltjes horen vertellen, dat prinsen de wijde wereld introkken om heldendaden te gaan doen. Dat jaarboekje WieWatWaar 1949 liet al enkele contouren van die wijde wereld zien.

Ik wens u en mijzelf nog vele jaren in die wijde wereld.

2014

Parasjat Haäzinoe Devariem/Deuteronomium 32:1–52
Een poëtische laatste oproep

De parasja

In de vorige parasja Wajelech heeft Mosjee een vergezicht gehad op de ooit komende afvalligheid van de Israëlieten; in verband daarmee kreeg hij een gedicht ingegeven met de bedoeling om het aan het volk voor te dragen, een epische vermaning om de catastrofe van de verre toekomst te keren, een machtige dichterlijke poging van de terminale leider om over zijn graf heen invloed uit te oefenen op de koers van zijn geliefde maar lastige volk. De parasja Ha'azinoe (‘Hoort!')bestaat grotendeels uit deze poëtisch getoonzette laatste lering van Mosjé, zijn zwanenzang. Die bestaat uit vijf episoden (1).
De eerste is een korte aanhef, waarbij hemel en aarde als getuigen worden aangeroepen.
De tweede episode brengt in herinnering dat de Eeuwige Israël als Zijn volk heeft gekozen en dat Hij dit volk Zijn bijzondere bescherming zal geven: ‘Zoals een arend over zijn jongen waakt en voortdurend erboven blijft zweven, zijn vleugels uitspreidt en zijn jongen daarop draagt'. Daarna volgt in de tekst dan een schets van een fase van voorspoed waarin Jesjoeroen (=Israël.(2)) vadsig en vet wordt, het verzadigd raakt, dik en rond wordt.
Dan volgt de derde episode: het volk, vadsig en vet geworden, loopt weg van zijn schepper, versmaadt zijn stut en steun, zijn rots. De vertoornde en vergeten God brengt rampen over het volk. Ballingschap ( galoet ) en diaspora zullen zich gaan afspelen Eerder in Devariem/Deuteronomium werd eveneens het beeld van de arend gebruikt, in dat geval als agressieve aanvaller: (28:49): 'Zoals een arend onverwacht opdoemt, zo zal uit de verste uithoek van de wereld een volk op u afkomen. De Eeuwige stuurt een volk dat een onverstaanbare taal spreekt'. Maar eerder zagen we weer de zorgzame arend in Sjemot Exodus 19:4: ‘Jullie hebben gezien hoe ik ben opgetreden tegen Egypte, en hoe ik je op adelaarsvleugels gedragen heb en je hier bij mij heb gebracht'. (3)
Als het volk is verzwakt en bijna tot niets is geworden breekt een vierde episode aan, waarin de Eeuwige zich nu keert naar de vijanden van Israël en in opperste vergelding wraak op hen uitoefent, in lyrische beelden beschreven. Het motief dat voor deze wending wordt geschilderd is niet zozeer een hernieuwde compassie met het geteisterde Israel als wel de aantasting van de reputatie van de Eeuwige, die op het spel staat. De vijanden van Israël mogen niet misleid worden en hun overwinning op het arme volk aan zich zelf toeschrijven, blind voor het feit, dat hier sprake is van de wil en de hand van de God van Israël. De redenering doet denken aan het argument waarmee Mosjee God weet te vermurwen om Zijn volk na het gouden kalf geen prooi van vernietiging te laten worden: (Ex 32: 12) "Wilt u dat de Egyptenaren zeggen: 'Hij heeft hen bevrijd om hen in het ongeluk te storten, om hen in het bergland te doden en van de aarde weg te vagen?"' In andere passages in Dewariem/Deuteronomium wordt als motivatie genoemd de compassie van de Eeuwige als antwoord op ommekeer, Dat spreekt mij en misschien ook u meer aan (4).
Ten slotte, in de vierde episode wordt de almacht van de Eeuwige nog eens breed uitgemeten.
Als de recitatie van het gedicht is afgelopen krijgt Mosjee te horen, dat hij nu de berg Nevo zal moeten gaan beklimmen om er te sterven; daarmee eindigt de parasja.

Wie heeft de schuld?

In het hele boek Deuteronomium klinkt steeds de keuze door die het volk heeft om God aan te hangen en de geboden te volgen of God en zijn geboden af te vallen, waarbij aan de eerste keuze de rijkste zegeningen worden gehecht en aan de keuze voor afval de vreselijkste rampspoeden, die herhaaldelijk en ook nu weer in geuren en kleuren beschreven worden. Steeds is Mosjee 's boodschap daarbij, dat, als het verkeerd gaat, het niet aan God ligt. De termen en beelden van het leerdicht ‘Ha'azinoe', zijn straf en krachtig als koppige wijn, extreem en ernstig. Wanneer we door de epische terminologie van God als almachtige oorlogsvorst – in die tijd gebruikelijk – heenkijken en zo ons best doen om een betekenis voor ons te ontwaren, dan horen we een oproep, die steeds weer opnieuw klinkt - de laatste dag van Mosjee is steeds de dag van nu, vandaag, hajom - : een herinnering, gekleed in heftige lyriek, een herinnering aan de mogelijkheid tot vrijheid die de mens heeft en een oproep die vrijheid te gebruiken voor verantwoordelijkheid.
Rabbijn Jonathan Sacks zegt (4) iets belangrijks; daarbij vraag ik aan de niet-God-gelovigen en aan de meer het woord God liever vermijdenden (zoals ik) de ‘Gods-taal' van de rabbijn voor lief te nemen en naar de essentie te gaan (vertaling door mij, cursief in origineel):
‘Het is de macht van de hoop, die geboren wordt, als Gods liefde en vergiffenis zich verbinden met de menselijke vrijheid en verantwoordelijkheid. Het is die macht, die het Jodendom heeft gemaakt tot de morele kracht, die het altijd is geweest voor mensen met een open hart en geest. Maar die hoop, zegt Mosjee met een passie die ons bijna zeer doet, als we die opnieuw op ons in laten werken, die hoop gebeurt niet zomaar. Er moet voor gewerkt worden, hij moet worden gewonnen. De enige manier, waarop dat wordt gerealiseerd is door  niet God de schuld te geven . Als wij een betere wereld willen, moeten wij die maken. God onderwijst ons, inspireert ons, vergeeft ons wanneer wij falen en tilt ons op als wij vallen, maar wij moeten het doen. Het is niet wat God doet voor ons, dat ons transformeert; het is wat wij doen voor God.'

noten
(1) Zie ook: Gunter Plaut (ed),The Torah, a modern commentary, Union of Reform Judaism, New York, 1981, p
(2) Jesjoeroen, poetische naam voor Israel, hier voor het eerst genoemd; volgens Ibn Ezra afgeleid van ‘jashar', recht(op), rechtvaardig
(3) Zie de aantekening van Rasji bij de arend van Devariem/Deuteronomium 32:11; hij verklaart, dat het unieke van de arend is dat hij als enige vogel de jongen niet in zijn klauwen draagt maar op zijn rug, want de enige dreiging voor het hoogvliegende dier komt van beneden, van de pijlen van de mens. Hij meent dan dat dit speciaal slaat op de wolk van de Eeuwige, die zich beschermend plaatste tussen de pijlen van de achtervolgende Egyptenaren vlogen naar de Israelieten op weg naar de Rietzee. Zie ook Mechilta de Rabbi Yishmael perek 19:4. Overigens is het biologisch gezien niet bewezen dat de arend de jongen op zin rug draagt, mogelijk is het gezichtsbedrog als in de verre hoogten de arend beschermend over zijn jongen zweeft bij hun eerste vlucht.
(3)Bijv. Devariem/Deuteronomium 30:2 ev. (NBG): ‘(...) dan zal de Hasjem, uw God, in uw lot een keer brengen en Zich over u erbarmen', we sjav Hasjem elochecha et sjewoetcha we rachamecha.
(4) http://www.rabbisacks.org/haazinu-5774-leaders-call-responsibility/
Lees ook zijn discussie in zijn commentaar van 2015/5776

RC herzien okt 2016


Parasjat Wajelech Devariem/ Deuteronomium 31:1-30 
Tesjoeva

Deze sjabbat wordt Sjabbat Sjoeva (terugkeer) genoemd en valt in de week tussen Rosj Hasjana en Jom Kipoer. Het zijn de dagen van inkeer, waarin je rekenschap geeft over je daden en nalaten van afgelopen jaar. Kan je door ommekeer – tesjoeva – je verleden beïnvloeden?

Als je kon tijdreizen, wat zou u dan vertellen aan de jongen, het meisje, de adolescent, die jongeman of jonge vrouw dat je ooit was? Welk verhaal zou je hem of haar vertellen? Fijne dingen, vreselijke dingen, hoogtepunten, dieptepunten? Ligt dat verhaal vast en nemen gedane zaken geen keer?
In boek en film is het geen probleem, tijdreizen en ingrijpen in het verleden. Het fenomeen heeft ons altijd gefascineerd. Science fiction bloeit dank zij dit thema en films die de tijd als bereisbaar medium exploiteren zijn heel populair, denk maar aan Back to the future, The Terminator. 
Maar in feite kan het natuurlijk niet. Niet in fysieke zin.

Toch is er wel een mogelijkheid om de tijd te omzeilen. En op een bepaalde manier in te grijpen in het verleden. Dat kan via het wonderlijke proces van Tesjoeva.. Tesjoeva brengt met zich mee, dat ik in de geest op bezoek ga in het verleden. Het verleden is hier en nu vooral bij mij in de vorm van het verhaal, dat ik mijzelf over mijn leven vertel. Dat verhaal is niet onveranderlijk en het varieert naarmate de levensloop vordert. Maar vaan bevat het constanten, die het leven innerlijk en in de omgang met anderen belemmert. Het proces van Tesjoeva begint met een krachtig wilsbesluit om afstand te nemen van de verhalen die ik steeds maar aan mijzelf herhaal. Ik ga de stellingen bekijken, waarin ik me heb ingegraven, de harde oordelen, die ik gekoesterd heb naar mijzelf en niet zelden ook naar anderen onderzoeken. Ik ga de pijnlijke wendingen in het verhaal nog eens bekijken, de emotionele episodes, de terugkerende impasses, punten waarin ik steeds vastloop, de gebeurtenissen waarin ik heb gefaald, of waarvan ik vind dat een ander heeft gefaald. Hoe pijnlijk kan dat verhaal zijn. De vraag is: kan ik boven mezelf uitstijgen, boven dat verhaal uit komen? Kan ik het oude verhaal in frage stellen, kan ik het loslaten en ben ik in staat te vergeven en vergeving te ontvangen?Ja, be-ezrat Hasjem is het mogelijk in een diepgaande wending van de ziel voorbije gebeurtenissen, daden, instellingen onder ogen te zien, te onderzoeken en te berouwen en te vergeven. In dat proces van afstand, berouw, vergeving en verzoening kunnen aan zaken uit het verleden nieuwe betekenissen ontspruiten. Lichtpunten komen op. Andere definities gaan opdoemen, een nieuw verhaal ontstaat, dat doorwerkt in het heden op een nieuwe manier, dat openingen biedt, je toekomst een nieuwe perspectief geeft en je daden een nieuwe richting. Jeweet weer wat je te doen staat.. 
In de Talmoed zijn uitspraken te vinden die die krachtige mogelijkheid om de betekenissen en de waarderingen uit het verleden te veranderen illustreren en ondersteunen. 
In het tractaat Joma (1) discussiëren de Rabbijnen over de grootheid van Tesjoeva. Rabbi Resj Lakisj - een van de wijzen uit de derde eeuw van de westerse jaartelling - zegt: 
Groot is Tesjoeva: zelfs de verkeerd86a-be daden, die met opzet zijn gedaan worden dan beschouwd als niet opzettelijk. Even later gaat hij zelfs nog een stap verder: groot is Tesjoeva, zo zelfs dat opzettelijke daden als verdiensten beschouwd gaan worden. Dat is opmerkelijk: wat ooit verkeerde daden waren worden bij ommekeer met terugwerkende kracht in een nieuw licht beschouwd en ze worden niet meer aangerekend, maar zelfs getransformeerd tot verdiensten . Die laatste grote sprong geldt overigens alleen voor wie ommekeer doet uit liefde. 
Rabbi Resj Lakisj mag daarover meepraten, want voor zijn ommekeer en transformatie tot een der grootste Talmoedrabbijnen was hij - zo zegt de overlevering - gladiator en struikrover. 

Hoe kan dat alles, hoe kan het verleden van gedaante veranderen. 
De midrasj zegt: voordat de Schepper de wereld schiep was er al Tesjoeva. De Eeuwige kon de wereld niet laten bestaan zonder eerst de mogelijkheid van Tesjoeva in het leven te hebben geroepen. Misschien is Tesjoeva op te vattenen als een dimensie die buiten de tijd staat. Ergens in ons wezen, via de ziel, de nesjama, hebben wij toegang tot die buitendimensionele plek - misschien mag je zeggen: tot een transcendente ruimte - , waar de hervormende kracht van Tesjoeva werkzaam is. Als een gouden draad loopt hij eigenlijk door ieder moment van ons leven. Wanneer we onszelf onderzoeken en heroriënteren op ons leven staat die mysterieuze beschikbaarheid, die ons te boven gaat, open en hebben wij de kans om het verleden als het ware te herschikken en te herlezen tot een nieuw verhaal.

Dan begrijp ik opeens deze passage van de 20ste-eeuwse Joodse filosoof Emmanuel Levinas, die ik weergeef in een vrije bewerking: 
Vergeten raakt niet de werkelijkheid van het vergeten gebeuren. Maar er is een kracht, sterker dan het vergeten en dat is vergeving: krachtiger dan vergeten werkt vergeving in op het verleden. Het herhaalt op een of andere manier de gebeurtenis in een loutering er van. Het vergeten vernietigt de relaties met het verleden, terwijl de vergeving het vergeven verleden in het gelouterde heden bewaart. Het schepsel dat vergeven is, is niet een onschuldig schepsel. De onschuld is niet te stellen boven de vergeving. Het verschil tussen onschuld en vergeving is waar te nemen in het vreemde geluk van de verzoening, wat men wel noemt: de felix culpa , ‘gelukkige schuld', een dagelijks ervaringsfeit. Aldus Levinas (3).


okt 2016

noten
(1) Talmoed Joma 86a
(2) Talmoed Pesachiem 54a
(3) Emmanuel Levinas, De totaliteit en het Oneindige, Ambo, p. 345

Parashat Wajelech       sept 2015
Dewariem/ Deuteronomium 31:1-30

Keer terug, Israël!

In de parasha Wajelech – de kortste in de Tora, in de meeste jaren gelezen samen met de voorgaande, Nitsaviem – neemt Moshé afscheid van het volk, dat hij veertig jaren over toppen en door dalen heeft geleid naar het moment suprême, dat het op het punt staat het zo lang beloofde land te betreden. Bemoedigende woorden spreekt hij hen toe. God zal jullie niet in de steek laten bij het in bezit nemen van het land. Weest sterk en moedig en laat jullie niet afschrikken door de tegenstanders, die jullie zullen ontmoeten, zulke woorden spreekt hij. Ten overstaan van de verzamelde menigte draagt de oude leidsman het leiderschap over aan Jehoshoea, wees sterk en moedig – chazak we-èmats - voegt hij zijn opvolger toe. De parasha meldt dan, dat Moshé eigenhandig zijn onderricht (letterlijke betekenis van ‘tora') opschreef en dit geschrift overdroeg aan de priesters en levieten. Eens in de zeven jaar, tijdens Soekot, moesten deze de wetsrol voorlezen aan het verzamelde volk, inclusief de kinderen. De boekrol moest naast de ark van het verbond gelegd worden als een eeuwige getuigenis van de juiste weg.

Aan het eind van de parasha vindt er een opvallende wending plaats. De Eeuwige verschijnt bij de tabernakel in een wolkzuil aan Moshé en Jehoshoea en profeteert aan hen, dat nu al Hem bekend is, dat het volk, als het eenmaal gesetteld is en welvarend geworden, zich van de Eeuwige en zijn geboden zal afkeren. De Eeuwige zal zich dan in woede van zijn volk afkeren en vele ongelukken en rampen zullen over hen komen. Hij zal dan zijn gezicht afkeren, verbergen. Anochi hester astir pani . Nogmaals dus wordt herhaald, ik geloof voor de derde keer, dat de afvalligheid en de daarmee samenhangende rampen als onvermijdelijke toekomst worden voorzien. Hiermee zijn de paradoxen geïntroduceerd van Gods voorzienigheid, zijn almacht en de menselijke vrije wil, die door alle eeuwen en ook nu nog de menselijke geest heeft beziggehouden, gepijnigd mag je wel zeggen, niet in het minst de rabbijnen en de theologen. De discussie omvatte het intrigerende fenomeen van de ‘verborgenheid van Gods aangezicht' en wat dat betekende in het licht van al die rampen en met name de Sho'a. Op vele plaatsen elders ben ik daar verder op ingegaan (1). Nu vermeld ik alleen, dat Plaut (2) er op wijst, dat in de tijd, dat Dewariem/Deuteronomium volgens de bijbelwetenschappers in feite werd opgeschreven - vele eeuwen later dan de historische Moshé - al vele rampen Israel hadden getroffen en dat dit in het geschrift doorklinkt als een door bittere ervaring getekende waarschuwing voor de toekomst. Als filosofisch en theologisch probleem werd het toenmaals niet ervaren, maar de teksten hebben er wel aanleiding toe gegeven.

De onthulling van deze komende afvalligheid aan Moshé, die sowieso zijn Israëlieten, zeg maar de mens, goed kende (3), gaf hem in een gedicht te schrijven, een epische wanhoopskreet om de catastrofe van de verre toekomst te keren, zijn zwanenzang, die hij vervolgens ten aanhore van het volk zal reciteren en die de volgende parasha Ha'azinoe zal beslaan.

De shabbat valt tussen Rosh Hashana en Jom Kipoer en wordt Shabbat Shoewa genoemd naar de eerste woorden van de Haftara (profetenlezing), Hoshea 14:2-10, shoewa, keer terug (NBV): Keer terug, Israël, naar de Eeuwige, je God! Door je eigen wandaden ben je ten val gekomen. Kom met woorden van berouw en keer terug naar de Eeuwige. Zeg tegen hem: Vergeef ons al onze misdaden.

Noten
(1) Bijv. in mijn commentaar op de parasha Wajigash .
(2) Gunter Plaut (ed) The Torah, a modern commentary, Union of Reform Judaism, New York, 1981
(3) Bijv. Dew/Deut. 31:27 (NBV): Want, Israël, ik weet hoe opstandig en onhandelbaar u bent: tijdens mijn leven hebt u zich al steeds tegen de Eeuwige verzet, hoe zal het dan niet gaan na mijn dood!

Parasjat Nitsaviem
Devariem / Deuteronomium 29:9- 31
Ommekeer

Meestal wordt de parasja Nitsaviem gecombineerd met de volgende parasja Vajelech in verband met de eigenaardigheden van de Joodse kalender. Dit jaar is een Joods schrikkeljaar en dan biedt de gang van de kalender ruimte voor een aparte lezing. Die valt nu op de sjabbat vlak voor het begin van het Joodse Nieuwjaar, Rosj Hasjana

Naast de zwarte paragrafen over de komende kwellingen en verbanningen zoals vooral in de vorige parasja Ki tavo, staan in deze parasja Nitsaviem ook enkele gouden pesoekiem , die uiteindelijk een messiaans vergezicht beloven. Onze twijfel over een predestinerende en regisserende almachtige godheid zetten we even opzij om ons te laten meevoeren door de messiaanse noot die hier wordt aangeslagen (nog versterkt door het begin van de haftara, Jeshajahoe 61:10 ev). Devariem 30 1-3: ‘Wanneer alles werkelijkheid is geworden wat ik u beschreven heb, zegeningen en vervloekingen, en wanneer u ten slotte, door de Eeuwige, uw God, uiteengejaagd en verstrooid onder alle volken, daar lering uit getrokken hebt en samen met uw kinderen naar de Eeuwige, uw God, terugkeert en hem weer met hart en ziel gaat gehoorzamen – daartoe heb ik u vandaag aangespoord –, dan zal de Eeuwige, uw God, in uw lot een ommekeer brengen: hij zal zich over u ontfermen en u, na u eerst verstrooid te hebben, weer uit al die landen bijeenbrengen.  We laten de brisante vraag of deze passage een geopolitieke betekenis heeft graag voor dit moment in het midden. We richten ons op de spiritueel-psychologische dimensie.

De grote ommekeer, is dat niet wat we in ons hart steeds wensen? Spiegelt dat niet diep in ons een verlangen, dat een grote ommekeer ook in ons eigen leven zal plaatsvinden? Iedere dag doen we al of niet onze geringe pogingen om dat naderbij te brengen. Laten we de kijker eens richten op het persoonlijk niveau van ons dagelijks leven.  
De tijd tussen Rosj Hasjana en Jom Kipoer is daar speciaal aan gewijd: een samengebalde onderneming om Tesjoeva, een grote ommekeer teweeg te brengen in ons zelf en wie weet in de kringen om ons heen.  
Een van de grote thema's daarbij is vergeving. We vragen aan onze familieleden, vrienden, collega's en misschien wel vijanden vergeving om wat we hun hebben aangedaan. En we smeken vergeving af aan de Altijdzijnde. Maar het is mij opgevallen dat er weinig gezegd wordt en geschreven is over vergeving dóór ons aan anderen naar aanleiding van wat ons door die anderen is aangedaan. Feitelijk is dit – het vergeven door mij aan anderen – toch ook een vorm van navolging van de Eeuwige (imitatio Dei). Mozes Cordovero heeft dit uitgewerkt in zijn ‘Palmboom van Devora', waarin hij oproept tot een uiterste vergevingsgezindheid als navolging van de vergevingsgezindheid zoals die beschreven is als attribuut van de Eeuwige in Exodus 34:6,7, regels die wij deze dagen meerdere keren zingen.

Wat ons is aangedaan door anderen: dat kan veel zijn. We kunnen ons slecht behandeld, benadeeld, verraden voelen door onze ouders, partners, kinderen, bazen en collega's.  
”Mijn moeder heeft me niet echt gezien”. “Mijn partner heeft me verraden”. Ga zo maar door. Een half leven lang kan je met wrok blijven rondlopen. Soms was de behandeling of daad aan jou gedaan inderdaad onterecht, soms kan er sprake zijn van projectie van jouw gevoelens van boosheid of verdriet op anderen als gevolg van kwetsuren opgedaan in eerdere misstanden. In beide gevallen kunnen we door onze wrok, kwaadheid of door ons lijden terechtkomen in een slachtofferpositie. De pijn die eronder ligt schrikt ons af. Die zee van pijn, daar willen we niet aan. Toch is dat nodig.  
De fasering is: je losmaken van je wrok of lijden of boosheid, er een onthechtende sprong vanaf gaan staan, schouwen in jezelf en de pijn aangaan. Want dan is er ruimte geschapen voor de volgende stap: om de mens in de ander te zien en hem of haar vergeving te schenken. Dan ontstaat er nieuwe ruimte waarin weer het licht kan binnenvallen. Die ander hoeft het misschien niet eens te weten, dat je hebt vergeven. Vergeven doe je voor jezelf in de eerste plaats en de anderen in je omgeving zullen er volop van mee profiteren, als jij je hebt ontdaan van een zware last. Je wordt een lichter mens en onbespreekbare zaken worden wellicht bespreekbaar.  
Deze dagen van inkeer en ommekeer zijn bij uitstek de dagen om in jezelf te duiken en te kijken welke stukken van wrok, slachtofferschap, onverzoenlijkheid er in jou schuilen, die vernieuwing en verlichting van geest en ziel tegenhouden.  
Moge een goed en zoet jaar voor jou zijn weggegelegd; sjana tova oemetoeka tichtevoe! 2016

Jom Kipoer - Tesjoewa
Wisdom tells me I am Nothing. Love tells me I am Everything. Between those two my life flows.

Er is vast en zeker wel eens een moment geweest dat u een van de fotoalbums van de familie ter hand nam en stuitte op een foto van u als kind. Kleine jongen, kleine meid, die je vanuit verleden aankijkt. Ik blader er nog wel eens in; ook nu ik dit aan het voorbereiden was, schieten bepaalde foto's voorbij; bijvoorbeeld, die jongen van acht, schoolfoto, aan een schoolbank, verwarde kuif, pullovertje, wat verlegen blik, ondeugend maar verlegen lachje. Heeft u ook ook zo'n foto" En denkt u dan niet zoiets als: wat is er niet al gebeurd sindsdien.
Als u kon tijdreizen, wat zou u dan vertellen aan dat kind dat u ooit was" Welk verhaal zou u hem of haar vertellen" Fijne dingen, vreselijke dingen " hoogtepunten, dieptepunten. Ligt dat verhaal vast en nemen gedane zaken geen keer"
In boek en film is het geen probleem, tijdreizen en ingrijpen in het verleden. Het fenomeen heeft ons altijd gefascineerd. Science fiction bloeit dank zij dit thema en films die de tijd de tijd als bereisbaar medium exploiteren zijn heel populair, denk maar aan Back to the future, The Terminator.
Maar in feite kan het natuurlijk niet. Niet in fysieke zin.

Toch is er wel een mogelijkheid om de tijd te omzeilen. En op een bepaalde manier in te grijpen in het verleden. Dat kan via het wonderlijke proces van Tesjoewa.. Tesjoewa brengt met zich mee, dat ik in de geest op bezoek ga in het verleden. Het verleden is hier en nu vooral bij mij in de vorm van het verhaal, dat ik mijzelf over mijn leven vertel. Het proces van Tesjoewa begint met een krachtig wilsbesluit om afstand te nemen van de verhalen die ik steeds maar aan mijzelf herhaal. Ik ga de stellingen bekijken, waarin ik me heb ingegraven, de harde oordelen, die ik gekoesterd heb onderzoeken. Ik ga de pijnlijke wendingen in het verhaal nog eens bekijken, de emotionele episodes, de terugkerende impasses, punten waarin ik steeds vastloop, de gebeurtenissen waarin ik heb gefaald, of waarvan ik vind dat een ander heeft gefaald.. Hoe pijnlijk kan dat verhaal zijn "De vraag is: kan ik boven mezelf uitstijgen, boven dat verhaal uit komen" Kan ik het oude verhaal loslaten en ben ik in staat te vergeven en vergeving te ontvangen".Ja, be-ezrat Hasjem is het mogelijk in een diepgaande wending van de ziel voorbije gebeurtenissen, daden, instellingen onder ogen zien, onderzoeken en berouwen en vergeven. In dat proces van afstand, berouw, vergeving en verzoening kunnen aan die zaken uit het verleden nieuwe betekenissen ontspruiten. Lichtpunten komen op. Andere definities gaan opdoemen, een nieuw verhaal ontstaat, dat doorwerkt in het heden op een nieuwe manier, dat openingen biedt, onze toekomst een nieuwe perspectief geeft en onze daden een nieuwe richting, ik weet weer wat mij te doen staat..
Rav Kook zegt in een parafrase: de daden uit het verleden staan niet los van iemands huidige bestaan, doen, laten en willen. Omdat alles zo met elkaar verbonden is heeft de mens de mogelijkheid om een nieuwe kleur te geven zelfs aan zijn daden uit het verleden. Dat is de geheime betekenis van Tesjoewa.

In de Talmoed zijn uitspraken te vinden die die krachtige mogelijkheid om de betekenissen en de waarderingen uit het verleden te veranderen illustreren en ondersteunen.
In het tractaat Joma (86a-b) discussiëren de Rabbijnen over de grootheid van Tesjoewa. Rabbi Resj Lakisj - een van de wijzen uit de derde eeuw van de westerse jaartelling - zegt:
Groot is Tesjoewa: zelfs de verkeerde daden, die met opzet zijn gedaan worden dan beschouwd als niet opzettelijk. Even later gaat hij zelfs nog een stap verder: groot is Tesjoewa, zo zelfs dat opzettelijke daden als verdiensten beschouwd gaan worden. Dat is opmerkelijk: wat ooit verkeerde daden waren worden bij ommekeer en diepgaande verandering ten goede met terugwerkende kracht in een nieuw licht beschouwd en ze worden niet meer aangerekend, maar zelfs getransformeerd tot verdiensten . Die laatste grote sprong geldt overigens alleen voor wie ommekeer doet uit liefde.
En Rabbi Resj Lakisj mag daarover meepraten, want voor zijn ommekeer en transformatie tot een der grootste Talmoedrabbijnen was hij " zo zegt de overlevering - gladiator en struikrover.
[ Markant was het moment van zijn ommekeer. Hij was een reus van een kerel en beresterk. Toen hij in zijn bandietenperiode een keer bij de Jordaan was gebeurde het volgende. Hij zag een beeldschone vrouw baden en sprong uit de struiken de Jordaan in. Met krachtige slagen zwom hij naar de bader toe. Het bleek tot zijn verbazing een man te zijn, het was de beroemde wijsheidsleraar Rabbi Jochanan, die inderdaad volgens de overlevering geen baard droeg en bekend stond om zijn schoonheid.
"Zo een kracht zou gewijd moeten worden aan Tora", zei Rabbi Jochanan droogjes tegen de reus tegenover hem.
"Zulk een schoonheid zou gewijd moeten worden aan vrouwen", antwoordde Resj Lakisj.
Ze spraken verder en tenslotte trad Resj Lakisj toe tot de Jesjiewa van R. Jochanan en hij werd zijn beste leerling. In hoeverre het een gewicht in de schaal wierp dat een huwelijk tussen Lakisj en de beeldschone zuster van R. Jochanan werd geregeld laat ik hier in het midden. ]

Hoe kan dat alles, hoe kan het verleden van gedaante veranderen.
De midrasj zegt: voordat de Schepper de wereld schiep was er al Tesjoewa. De Eeuwige kon de wereld niet laten bestaan zonder eerst de mogelijkheid van Tesjoewa in het leven te hebben geroepen. Misschien is Tesjoewa op te vattenen als een dimensie die buiten de tijd staat. Ergens in ons wezen, via de ziel, de nesjama, hebben wij toegang tot die buitendimensionele plek - misschien mag je zeggen: tot een transcendente ruimte - , waar de hervormende kracht van Tesjoewa werkzaam is. Als een gouden draad loopt hij eigenlijk door ieder moment van ons leven. Wanneer we onszelf onderzoeken en heroriënteren op ons leven staat die mysterieuze beschikbaarheid, die ons te boven gaat, open en hebben wij de kans om het verleden als het ware te herschikken en te herlezen tot een nieuw verhaal.*
[ Dan begrijp ik opeens deze passage van de 20ste-eeuwse Joodse filosoof Emmanuel Levinas, die ik weergeef in een vrije bewerking:
Vergeten raakt niet de werkelijkheid van het vergeten gebeuren. Maar er is een kracht, sterker dan het vergeten en dat is vergeving: krachtiger dan vergeten werkt vergeving in op het verleden. Het herhaalt op een of andere manier de gebeurtenis in een loutering er van. Het vergeten vernietigt de relaties met het verleden, terwijl de vergeving het vergeven verleden in het gelouterde heden bewaart. Het schepsel dat vergeven is, is niet een onschuldig schepsel. De onschuld is niet te stellen boven de vergeving. Het verschil tussen onschuld en vergeving is waar te nemen in het vreemde geluk van de verzoening, wat men wel noemt: de felix culpa, "gelukkige schuld', een dagelijks ervaringsfeit. Aldus Levinas. ]

Even terug naar die kinderfoto. Het lijkt net of dat kind mij anders aankijkt. Vol verwachting, een twinkel in de ogen, misschien heeft hij wel meegeluisterd. Hij is vol verwachting over het vervolg.

23 sept 2007

* Emmanuel Levinas in een passage over tijd, vergeving en verzoening, "De vergeving in zijn onmiddellijke zin is gebonden aan het morele fenomeen van de misstap; de paradox van de vergeving ligt in de terugwerkende kracht en vertegenwoordigt, vanuit het gezichtspunt van de gewone tijd, een omkering van de natuurlijke gang van zaken, de omkeerbaarheid van de tijd. Aan de vergeving kleven verschillende aspecten. De vergeving verwijst naar het verlopen ogenblik; aan het subject dat zich op een ogenblik misgaan heeft, laat ze de mogelijkheid te bestaan alsof het ogenblik niet verlopen was, te bestaan alsof het subject zich niet misgaan heeft. Met een kracht krachtiger dan het vergeten, dat niet de werkelijkheid van het vergeten gebeuren raakt, werkt de vergeving op het verleden,
-herhaalt ze op een of andere manier de gebeurtenis in een loutering ervan. Hier komt nog bij dat het vergeten de relaties met het verleden vernietigt, terwijl de vergeving het vergeven verleden in het gelouterde heden bewaart. Het zijnde dat vergeven is, is niet het onschuldig zijnde. Het verschil betekent niet, dat we onschu1d boven de vergeving mogen stellen , het laat toe in de vergeving een surplus aan geluk te onderscheiden, het vreemde geluk van de verzoening, de felix culpa, een dagelijks ervaringsfeit waarover men zich niet meer verbaast." (De totaliteit en het Oneindige, Ambo, p. 345)

Hoge Feestdagen 5771

De maand Eloel, uitlopend op de Hoge Feestdagen, roept op tot reflectie, introspectie, soul searching, chesjbon ha-nefesj.
Die gelegenheid is mij de afgelopen maanden tussen de medische avonturen rond mijn levertransplantatie in Universitair Ziekenhuis Gent in ruime mate geboden. De lange wachttijden, de lege rustmomenten, de soms wel erg lange nachten.

Hoe was ik voor mijzelf, voor anderen, vrienden, partner, gemeenschap, waar ging het goed, waar kon het beter" Waar rust een tevreden oog, waar schrijnt een liever niet gevoeld tekort "
In deze afgelopen ruim vijf maanden van ontbering en beproeving in de medische woestijn heb ik veel gehoord, hoe dapper, hoe moedig etc. ik wordt gevonden. Maar ik moest wel.
De beslissing eenmaal genomen zijnde kon ik niet meer terug. Wel besef ik nu, dat juist deze limiet mij gedwongen heeft om eigenschappen " zeg maar midot " dieper dan ooit aan te spreken: vertrouwen, geduld, kracht, doorzettingsvermogen, dankbaarheid " zeker deels ook voor de verrassende en hartelijke support uit de kille - , het voelen van verbondenheid met geliefden en vrienden. En dan het besef hoe ik dat al veel eerder in veel zaken intenser had kunnen doen.

In zo'n ziekenhuisbed denk je al gauw verder in je leven terug.
Hoe ben ik nu hier terecht gekomen in dit bed met al die leverproblemen"
Dan zie ik verbanden. Met schrik, soms schuld, dan weer met mildere afstand zie ik de jonge vent die ik was, de eenzame desperate twintiger, die zijn toevlucht zocht in de drugs en de naald. Verder terug, het jongetje, dat zich na de Japanse kampjaren niet meer aan zijn familie kon hechten.
Toch ben ik dankbaar en blij, dat ik dit nu kan bezien met compassie.
De levertransplanatiereis begon op de achtste dag van Pesach. Na veel complicaties en gesukkel gaat het nu beter. Zou het kunnen dat het licht van verzoening en vernieuwing, dat in de maand Eloel zich al verzamelt en waar wij hoop ik allen aan deel zullen hebben ook mijn kant aan het uitgaan is" Dat geloof ik.

Voor het eerst in jaren ben ik er niet bij in de diensten.
Maar ik kan mij voorstellen hoe het vorige jaren is gegaan, hoe het nu gaat " voor het eerst in de nieuwe sjoel, dat is natuurlijk uniek! - , hoe het wellicht zal gaan.
Al gaande door de diensten, lang zijn de gebeden, waarschijnlijk is het warm, de menigte zweet, de magen knorren, zijn er momenten " en ik zal ze missen of plaatsvervangend meebeleven " dat ons ego een barstje zal vertonen, dat het alledaagse wel weten wie we zijn even wegvalt, misschien onder de tonen van de sjofar, of tijdens het Avinoe Malkenoe, of als wij die paar keer door de knieën gaan en ons voorhoofd het stof op de grond raakt, of tijdens de Neïla dienst. Misschien is er dan even zicht op of een bewogenheid door iets oneindig groots, waartegenover wij oneindig klein zijn.
Hoe paradoxaal ook: er ontstaat dan ruimte voor verzoening en vernieuwing.
En mogelijk groeit dan de sfeer van een zekere gestrengheid, waaronder wij in deze dagen door Tora en sidoer en machzor uitgenodigd worden onszelf te verantwoorden, uit tot een altijd die gesteldheid overtreffend mededogen met de naasten, de wereld, maar ook met onszelf.

Mogen wij allen in het komend jaar worden ingeschreven in het sefer ha-chaim en een zoet en voorspoedig jaar in spirit en materie tegemoet gaan.
jullie toegenegen medelid Rob Cassuto, Nazareth (B), 6 september 2010, 27 Eloel 5770

Leshana tova tikatevoe , moge je voor een goed jaar worden ingeschreven!

Ha'azinoe


De parasja Ha'azinoe (Dewariem 32-33) bestaat grotendeels uit de poëtisch getoonzette laatste lering van Mosjé, zijn zwanezang. Het bestaat uit drie episoden.

De eerste brengt in herinnering de keuze van de Eeuwige van Israël als Zijn volk, Zijn bijzondere bescherming: "Zoals een arend over zijn jongen waakt en voortdurend erboven blijft zweven, zijn vleugels uitspreidt en zijn jongen daarop draagt" en vervolgens een tekening van de voorspoed waardoor "Jesjoeroen (= Israël) vadsig en vet (werd), het raakte verzadigd, werd dik en rond. Het kwam in verzet, liep weg van zijn schepper, versmaadde zijn stut en steun, zijn rots. "

Dan komt de wending naar de tweede episode: de vertoornde en vergeten God brengt rampen over het volk: eerder in Deuteronomium wordt eveneens het beeld van de arend daartoe gebruikt, nu als agressieve aanvaller: (28:49): "Zoals een arend onverwacht opdoemt, zo zal uit de verste uithoek van de wereld een volk op u afkomen. De Eeuwige stuurt een volk dat een onverstaanbare taal spreekt."

Als het volk is verzwakt en bijna tot niets is geworden komt de derde episode, waarin de Eeuwige zich nu keert naar de vijanden van Israël en in opperste vergelding wraak op hen oefent, in lyrische beelden beschreven.
Het motief voor deze wending is dat de vijanden van Israël niet misleid zouden worden en hun overwinning van het arme volk aan zich zelf zouden toeschrijven en hier niet de wil en de hand van de God van Israël zouden zien. Het doet denken aan het argument waarin Mosjé God weet te vermurwen om Zijn volk na het gouden kalf niet ten prooi aan vernietiging te laten worden: (Ex 32: 12) "Wilt u dat de Egyptenaren zeggen: 'Hij heeft hen bevrijd om hen in het ongeluk te storten, om hen in het bergland te doden en van de aarde weg te vagen?"'
Daarnaast wil God met zijn rampspoeden Israël laten beseffen, dat de nagejaagde afgoden geheel machteloos zijn. Steeds is de terugkeer naar de strenge maar uiteindelijk immens liefdevolle Schepper de enige uitredding.

In het hele boek Deuteronomium klinkt steeds door de keuze die het volk heeft om God aan te hangen en de geboden te volgen of af te vallen, waarbij aan de eerste keuze de rijkste zegeningen worden gehecht en aan de keuze voor de afval de vreselijkste rampspoeden,die in geuren en kleuren beschreven worden.

In deze sfeer zijn ook de termen en beelden van het leerdicht straf, krachtig als koppige wijn, extreem en ernstig. Er schijnt door de lyrische tekst een paradox door: hij is bedoeld als laatste waarschuwing en tegelijk lijkt het een voorspelling, dat deze waarschuwing niet wordt gehoord en onvermijdelijk de weg van rampspoed zal moeten worden afgelegd.

De God en zijn geboden die óf gevolgd worden óf in de wind geslagen worden ten gunste van de afgoden (in ruimste zin), wie en welke zijn dat? Slaat het vooral op de strikte inachtneming van de 613 mitswot die uit de Tora gedestilleerd zijn en op de exacte opvolging van de regels van de Sjoelchan Aroech of geldt het vooral voor het luisteren naar de stem van het ethische hart dat onlosmakelijk versmolten is met de God, zoals die aan Mozes en Israël verschenen is en het praktiseren van de essentie van wat toen is gehoord en nog steeds resoneert in ons eigen hart?

Parasjat Nitsaviem Devariem/Deuteronomium. 29:9–30:20     
Ommekeer 

Meestal wordt de parasja Nitsaviem gecombineerd met de volgende parasja Vajelech in verband met de eigenaardigheden van de Joodse kalender. Dit jaar is een Joods schrikkeljaar en dan biedt de gang van de kalender ruimte voor een aparte lezing. Die valt nu op de sjabbat vlak voor het begin van het Joodse Nieuwjaar, Rosj Hasjana

Naast de zwarte paragrafen over de komende kwellingen en verbanningen zoals vooral in de vorige parasja Ki tavo, staan in deze parasja Nitsaviem ook enkele gouden pesoekiem , die uiteindelijk een messiaans vergezicht beloven. Onze twijfel over een predestinerende en regisserende almachtige godheid zetten we even opzij om ons te laten meevoeren door de messiaanse noot die hier wordt aangeslagen (nog versterkt door het begin van de haftara, Jeshajahoe 61:10 ev). Devariem 30 1-3: ‘Wanneer alles werkelijkheid is geworden wat ik u beschreven heb, zegeningen en vervloekingen, en wanneer u ten slotte, door de Eeuwige, uw God, uiteengejaagd en verstrooid onder alle volken, daar lering uit getrokken hebt en samen met uw kinderen naar de Eeuwige, uw God, terugkeert en hem weer met hart en ziel gaat gehoorzamen – daartoe heb ik u vandaag aangespoord –, dan zal de Eeuwige, uw God, in uw lot een ommekeer brengen: hij zal zich over u ontfermen en u, na u eerst verstrooid te hebben, weer uit al die landen bijeenbrengen.  We laten de brisante vraag of deze passage een geopolitieke betekenis heeft graag voor dit moment in het midden. We richten ons op de spiritueel-psychologische dimensie.

De grote ommekeer, is dat niet wat we in ons hart steeds wensen? Spiegelt dat niet diep in ons een verlangen, dat een grote ommekeer ook in ons eigen leven zal plaatsvinden? Iedere dag doen we al of niet onze geringe pogingen om dat naderbij te brengen. Laten we de kijker eens richten op het persoonlijk niveau van ons dagelijks leven.  
De tijd tussen Rosj Hasjana en Jom Kipoer is daar speciaal aan gewijd: een samengebalde onderneming om Tesjoeva, een grote ommekeer teweeg te brengen in ons zelf en wie weet in de kringen om ons heen.  
Een van de grote thema's daarbij is vergeving. We vragen aan onze familieleden, vrienden, collega's en misschien wel vijanden vergeving om wat we hun hebben aangedaan. En we smeken vergeving af aan de Altijdzijnde. Maar het is mij opgevallen dat er weinig gezegd wordt en geschreven is over vergeving dóór ons aan anderen naar aanleiding van wat ons door die anderen is aangedaan. Feitelijk is dit – het vergeven door mij aan anderen – toch ook een vorm van navolging van de Eeuwige (imitatio Dei). Mozes Cordovero heeft dit uitgewerkt in zijn ‘Palmboom van Devora', waarin hij oproept tot een uiterste vergevingsgezindheid als navolging van de vergevingsgezindheid zoals die beschreven is als attribuut van de Eeuwige in Exodus 34:6,7, regels die wij deze dagen meerdere keren zingen.

Wat ons is aangedaan door anderen: dat kan veel zijn. We kunnen ons slecht behandeld, benadeeld, verraden voelen door onze ouders, partners, kinderen, bazen en collega's.  
”Mijn moeder heeft me niet echt gezien”. “Mijn partner heeft me verraden”. Ga zo maar door. Een half leven lang kan je met wrok blijven rondlopen. Soms was de behandeling of daad aan jou gedaan inderdaad onterecht, soms kan er sprake zijn van projectie van jouw gevoelens van boosheid of verdriet op anderen als gevolg van kwetsuren opgedaan in eerdere misstanden. In beide gevallen kunnen we door onze wrok, kwaadheid of door ons lijden terechtkomen in een slachtofferpositie. De pijn die eronder ligt schrikt ons af. Die zee van pijn, daar willen we niet aan. Toch is dat nodig.  
De fasering is: je losmaken van je wrok of lijden of boosheid, er een onthechtende sprong vanaf gaan staan, schouwen in jezelf en de pijn aangaan. Want dan is er ruimte geschapen voor de volgende stap: om de mens in de ander te zien en hem of haar vergeving te schenken. Dan ontstaat er nieuwe ruimte waarin weer het licht kan binnenvallen. Die ander hoeft het misschien niet eens te weten, dat je hebt vergeven. Vergeven doe je voor jezelf in de eerste plaats en de anderen in je omgeving zullen er volop van mee profiteren, als jij je hebt ontdaan van een zware last. Je wordt een lichter mens en onbespreekbare zaken worden wellicht bespreekbaar.  
Deze dagen van inkeer en ommekeer zijn bij uitstek de dagen om in jezelf te duiken en te kijken welke stukken van wrok, slachtofferschap, onverzoenlijkheid er in jou schuilen, die vernieuwing en verlichting van geest en ziel tegenhouden.  
Moge een goed en zoet jaar voor jou zijn weggegelegd; sjana tova oemetoeka tichtevoe!

Rosj Hasjana - Nitsaviem-Wajelech

In parasha Wajelech (hfst 31) staat de voorspelling dat het volk van Israël na de dood van Mosjé achter andere goden zal aanrennen en (NBV):

17 Dan zal ik in toorn tegen hen ontsteken, ik zal hen aan hun lot overlaten en me van hen afkeren. Wanneer ze zo kwetsbaar zijn geworden, zullen ze ten prooi vallen aan allerlei ellende en tegenspoed. Dan zullen ze zeggen: “Deze ellende overkomt ons zeker doordat onze goden ons verlaten hebben.” 18 Nee, ik ben het die zich van hen afkeert, omdat ze zoveel kwaad hebben gedaan en zich met andere goden hebben ingelaten.

Deze passage is een omschrijving van het Verborgen Aangezicht van God. Een hardvochtige en rechtlijnige passage
Steeds worstel ik met enerzijds de constatering dat zovelen van het volk van Israël, zovelen van de volkeren van deze wereld, zovelen zoveel ellende onder ons brengen. Ook ik als iemand die meestal langs de zijlijn staat heb mijn aandeeltje.
Anderzijds zijn er ook zoveel hoopvolle tekenen, zoveel goede initiatieven, zoveel ontluiking van goede intenties en goede daden.

De in Deuteronomium in zo grote getale uitgestorte voorzeggingen van rampen en vervloekingen, ze lijken altijd wel te eniger tijd ergens ter wereld werkelijkheid te worden.

Ook het laatste lied van Mosjé staat vol van de woede van de Eeuwige die op zijn ongehoorzame kinderen ontbrandt en met een literair welhaast wellustige pen (voorloper van Dante's beeldende taferelen) worden voor de zoveelste keer allerlei bloedige scene's geschilderd.
Steeds pepert de oude leider, die weldra het stokje moet overgeven, het zijn volk van Israël en ons in, hoe ongehoorzaam en verderfelijk wij zullen zijn.  
Ja, nou weten we het wel, ben ik geneigd uit te roepen.

Daarom lijkt het alsof de zon even een straal van haar licht laat schijnen in een duister bewolkte hemel als we in hfst. 30 de regels over de Grote Terugkeer (Tesjoewa) lezen (NBV):

1 Wanneer alles werkelijkheid is geworden wat ik u beschreven heb, zegeningen en vervloekingen, en wanneer u ten slotte, door de Hashem, uw God, uiteengejaagd en verstrooid onder alle volken, daar lering uit getrokken hebt 2 en samen met uw kinderen naar Hashem, uw God, terugkeert en hem weer met hart en ziel gaat gehoorzamen – daartoe heb ik u vandaag aangespoord –, 3 dan zal de Hashem, uw God, in uw lot een ommekeer brengen: hij zal zich over u ontfermen en u, na u eerst verstrooid te hebben, weer uit al die landen bijeenbrengen.

De uitleggers hebben verschillende verklaringen voor deze passage. Maar hij ademt wel de nabijheid van een Messiaanse tijd. De grote ommekeer, is dat niet wat we in ons hart steeds wensen? Spiegelt dat niet diep in ons een verlangen, dat een grote ommekeer ook in ons eigen leven zal plaatsvinden en iedere dag doen we al of niet onze geringe pogingen om dat naderbij te brengen. Laten we de kijker eens richten op het persoonlijk niveau van ons dagelijks leven.
De tijd tussen Rosh Hasjana en Jom Kipoer is daar speciaal aan gewijd: een samengebalde onderneming om Tesjoewa, een grote ommekeer teweeg te brengen in ons zelf en wie weet in de kringen om ons heen.

Een van de grote thema's daarbij is vergeving. We vragen aan onze familieleden, vrienden, collega's en misschien wel vijanden vergeving om wat we hun hebben aangedaan. En we smeken vergeving af aan de Altijdzijnde. Maar het is mij opgevallen dat er weinig gezegd wordt en geschreven is over vergeving dóór ons aan anderen naar aanleiding van wat ons door die anderen is aangedaan. Feitelijk is dit – het vergeven door mij aan anderen – toch ook een vorm van navolging van de Eeuwige (imitatio Dei). Mozes Cordovero heeft dit uitgewerkt in zijn ‘Palmboom van Devora', waarin hij oproept tot een uiterste vergevingsgezindheid als navolging van de vergevingsgezindheid zoals die beschreven is als attribuut van de Eeuwige in Exodus 34:6,7, regels die wij deze dagen meerdere keren zingen.

It's never too late to be what you might have been.

Wat ons is aangedaan door anderen: dat kan veel zijn. We kunnen ons slecht behandeld, benadeeld, verraden voelen door onze ouders, partners, kinderen, bazen en collega's.  
”Mijn moeder heeft me niet echt gezien”. “Mijn partner heeft me verraden”. Ga zo maar door.
Een half leven lang kan je met wrok blijven rondlopen. Soms was de behandeling of daad aan jou gedaan inderdaad onterecht, soms kan er sprake zijn van projectie jouw gevoelens van boosheid of verdriet op andere als gevolg van kwetsuren opgedaan in eerdere misstanden. In beide gevallen kunnen we door onze wrok, kwaadheid of door ons lijden terechtkomen in een slachtofferpositie.
De pijn die eronder ligt schrikt ons af. Die zee van pijn, daar willen we niet aan. Toch is dat nodig.

De fasering is: je losmaken van je wrok of lijden of boosheid, er op een afstand van gaan staan, dan schouwen in jezelf en de pijn aangaan. Want dan is er ruimte geschapen voor de volgende stap: voor vergeving van de ander. Dan ontstaat er nieuwe ruimte waarin weer het licht kan binnenvallen.
Die ander hoeft het niet eens te weten, dat je hebt vergeven. Vergeven doe je voor jezelf in de eerste plaats en de anderen in je omgeving zullen er volop van mee profiteren, als jij je hebt ontdaan van een zware last. Je wordt een lichter mens en onbespreekbare zaken worden wellicht bespreekbaar.
Deze dagen van inkeer en ommekeer zijn bij uitstek de dagen om in jezelf te duiken en te kijken welke stukken van wrok, slachtofferschap, onverzoenlijkheid er in jou schuilen, die vernieuwing en verlichting van geest en ziel tegenhouden.

Tesjoewa is het thema van deze week waarin Rosj Hasjana valt en de Jamiem Noraiem beginnen.
Rosj Hasjana is de eerste dag, de dag waarop de Akedat Jitschak - de binding van Isaäk op het altaar - wordt gelezen.
Het verhaal begint met het strikte oordeel aan Avraham om zijn zoon te offeren. De maan is een smalle sikkel, Rosj Chodesj.

Alles staat in het teken van de sefira Gewoera, gestrengheid, oordeel. Maar als Jitschak op het hout ligt, gebiedt de engel Avraham te stoppen. Het offer van zijn zoon hoeft niet. De maan gaat wassen. De sefira van Chesed – barmhartigheid, liefde, vergevingsgezindheid – krijgt de overhand.

Lesjana tova tikatvoe

citaat   Simon Jacobson :
Imagine waking up every day knowing that you have a job to do that no one else but you can accomplish. That the entire world is waiting in anticipation for you to fulfill your role. And if you don't do your part, no one else can fulfill their roles. Imagine that you are carrying the baton in your leg of a long marathon, and if you drop the baton or do not run your leg, everyone else is compromised. Imagine that you are an astronaut in space and if you don't press the right button all of humanity hangs in the balance.

Imagine that every second of the day, every fiber of your being, feels how your next act changes the course of destiny.

If you felt this sense of urgency and this confidence all the time, how many problems would it pre-empt? How much heartache, aggravation, and therapy it would prevent; how much money, time and resources it would
save!

Parashat Nitsaviem Dewariem/Deuteronomium. 29:9–30:20      sept 2015
Ommekeer

De parasha

Meestal wordt deze parasha gecombineerd met de volgende parasha Wajelech in verband met de eigenaardigheden van de Joodse kalender. Dit jaar biedt de gang van de kalender ruimte voor een aparte lezing. Die valt op de shabbat vlak voor het begin van het Joodse Nieuwjaar, Rosh Hashana.

Het afscheid van Moshé van zijn volk nadert. Op een van zijn laatste levensdagen heeft Moshé voor een belangrijke toespraak het volk bijeengeroepen, kennelijk om in een kernachtige samenvatting van al zijn voorgaande woorden de sluiting van het verbond tussen Israel en de Eeuwige nog eens te bevestigen. Het begin van de tekst van deze parasha schildert een breed beeld van een enorme massa mensen, die staan opgesteld voor de oude leider, niet alleen de belangrijke mensen, de aanvoerders en officials, maar álle mannen van Israel, en ook de vrouwen, de kinderen en de vreemdelingen, de houthakkers en waterdragers, met andere woorden van hoog tot laag. En niet alleen tot de aanwezigen richt Moshé zich, maar ook met ‘ maar ook tot degenen die hier (nog) niet bij zijn ' (29:13), kortom: de toekomstige generaties; de Tora is voor alle tijden.
Wederom schetst hij omstandig de fatale gevolgen van afvalligheid van de Eeuwige en het in de wind slaan van Zijn voorschriften: hij verwijst naar de eerder beschreven vervloekingen en de verjaging uit het land. Maar steeds heeft het volk de keus, benadrukt de hoogbejaarde voorman: ‘ Zie, vandaag houdt ik je voor het leven en de dood, het goede en het kwade '(30:13). Het is geen onhaalbare zaak, die Tora, want de geboden zijn niet in de hemel, maar hier op aarde binnen het bereik van de mens.
Kennelijk heeft Moshé tijdens zijn gepassioneerde woorden opeens een bijna messiaans visioen, dat ver vooruit reikt tot in een nameloze toekomst, waarin al het denkbare, het kwade en het goede, onvermijdelijk al is gebeurd. ‘ Wanneer alles werkelijkheid is geworden wat ik u beschreven heb, zegeningen en vervloekingen, en wanneer u ten slotte, door de Eeuwige, uw God, uiteengejaagd en verstrooid onder alle volken, daar lering uit getrokken hebt en samen met uw kinderen naar de Eeuwige, uw God, terugkeert en hem weer met hart en ziel gaat gehoorzamen – daartoe heb ik u vandaag aangespoord –, dan zal de Eeuwige, uw God, in uw lot een keer brengen: hij zal zich over u ontfermen en u, na u eerst verstrooid te hebben, weer uit al die landen bijeenbrengen' (30:1-3). (1)
De oude profeet – als middelaar van de Eeuwige - weet, steeds heeft de mens de vrije keus, maar toch zal onvermijdelijk vaak het verkeerde worden gekozen. Drukte Rabbi Akiva deze paradox niet bondig uit in zijn spreuk ‘ Alles is voorzien, toch is de vrije wil gegeven ' (Talmoed, Pirké Avot 3:15).

Teshoewa

De net geciteerde passage is wel de Grote Terugkeer genoemd, het woord voor terugkeren – shoew - komt zeven keer voor in deze parasha ; het volk van Israel zal ooit definitief terugkeren van zijn afdwalingen en verkeerde daden. In de loop van de eeuwen heeft dit fenomeen van collectieve terugkeer ook een individuele inkleuring gekregen; ook ieder persoon kan op zijn verkeerde schreden terugkeren en ommekeer – teshoewa – doen.
De tijd rond en vooral tussen Rosh Hashana en Jom Kipoer is daar speciaal aan gewijd: een samengebalde onderneming om teshoewa , een grote ommekeer teweeg te brengen in ons zelf en wie weet in de kringen om ons heen. Een van de grote thema's daarbij is vergeving. Gedurende de gebeden op en rond Rosh Hashana en Jom Kipoer komen drie woorden voor vergeving steeds steeds terug: selach lanoe, mechal lanoe, kapper lanoe ; alle drie betekenen ze ‘vergeef ons', maar telkens met een andere bijklank. Selach lanu betekent vooral ‘het spijt me oprecht en ik zal het niet meer doen'. Bij mechal lanoe ligt het accent op mijn vraag de verkeerde daad als het ware te wissen en de relatie te herstellen in de oude intimiteit. Ze staan in het teken van de relatie met de medemens. Met ‘ kaper lanoe ' vraag ik om het schuldgevoel en de pijn om het misgedane, die los van al het andere zwaar op het hart kan blijven wegen, weg te nemen. Dat is alleen in de macht van de Ene om te bewerkstelligen: om essentiële troost in het hart te brengen (2).

De dagen van Rosh Hashana en speciaal Jom Kipoer roepen ons dus op om naar onze familieleden, vrienden, collega's en misschien wel vijanden toe te stappen en sorry te zeggen voor wat we hun hebben aangedaan. Maar het is mij opgevallen dat er weinig gezegd wordt en geschreven is over vergeving dóór ons aan anderen, die ons wat hebben aangedaan. En dat kan veel zijn. We kunnen ons slecht behandeld, benadeeld, verraden voelen door onze ouders, partners, kinderen, bazen, vrienden en collega's en zo meer. ”Mijn moeder heeft me niet echt gezien”. “Mijn partner heeft me verraden”. Ga zo maar door.
Een half leven lang kunnen we met wrok blijven rondlopen. Soms was de behandeling of daad aan ons aangedaan inderdaad afschuwelijk en onterecht, soms kan er sprake zijn van projectie van onze gevoelens van boosheid of verdriet op anderen als gevolg van eerder opgedane trauma's, die ons kwetsbaar hebben gemaakt. In beide gevallen kunnen we door onze wrok, trots, kwaadheid of door ons lijden terechtkomen in een vicieuze cirkel, in een slachtofferpositie, die het leven vaak grondig verstoort. De pijn die daarronder ligt schrikt af om er echt naar te kijken. Die zee van pijn, daar willen we niet aan. Toch is dat nodig om verder te komen. De grote vaak onoverkomelijk lijkende stap is : ons los te maken van wrok, trots, lijden of boosheid, er op een afstand van gaan staan, dan schouwen in ons zelf en de pijn aangaan. Want na die soms ongelooflijk moedige stap komt er ruimte voor de volgende stap: de vergeving aan de ander, die het allemaal heeft aangedaan. Dan ontstaat er nieuwe ruimte waarin weer het licht kan binnenvallen (3).
Vergeven doen we voor ons zelf in de eerste plaats en de anderen in onze omgeving zullen er volop van meeprofiteren, als een zware last van ons is afgevallen. We worden een lichter mens en onbespreekbare zaken worden misschien bespreekbaar.
Deze dagen van inkeer en ommekeer zijn bij uitstek de dagen, waarin de spirituele kracht extra voorradig is om dieper te kijken en te werken aan wrok, slachtofferschap, onverzoenlijkheid, die er mogelijk in ons schuilen en die vernieuwing en verlichting van geest en ziel tegenhouden.

Moge het nieuwe joodse jaar licht en goed en zoet zijn!
Lesjana tova oemetoeka tikatvoe !

Noten
(1) In de sfeer van messiaanse visioenen is ook de Haftara (aanvullende profetenlezing), die bij deze parasha wordt gelezen, Jesaja 61:10 - 63:9. Dit is de laatste van de zogenoemde zeven ‘troost-haftarot', die na Tisha be'Av op shabbat worden gelezen, allen uit de profeet Jesaja.
(2) Ontleend aan Rabbi Simon Jacobson
(3) De eerste keer dat het proces van vergeving in de Tora uitgebreid wordt beschreven is in het verhaal van Joseef en zijn broeders, zie bv de parasha Mikeets

RC 11092015

Parashat Ki Tavo Dewariem / Deuteronomium 26:1–29:8.   September 2015
een gruwelijke vermaning

De parasha

De parasha Ki Tavo beslaat Dewariem 26:1–29:8.   Dit bijbelstuk begint heel feestelijk met de ceremoniële aanbieding van de eerste opbrengsten van het land aan de tempel te Jeruzalem (1), gevolgd door een passage met regels over de tienden. De rest van de parasha is gewijd aan de uitgebreide beschrijving door Moshé van een ritueel van zegeningen en vervloekingen, dat uitgevoerd moest worden, als het volk over de Jordaan was getrokken, een ritueel dat een herbevestiging moest betekenen van het commitment van Israel aan de Eeuwige en zijn geboden(2). Opvallend is de lange reeks vervloekingen over rampen, die over Israël zullen komen, als het volk niet naar de stem van de Eeuwige en zijn voorschriften luistert. De reeks heeft de naam ‘Tochacha' gekregen, vermaning (3). De zesde alija (leesbeurt tijdens de eredienst), die de vervloekingen bevat, is de langste alija van de hele Tora. In sommige synagogen is het gebruik dat degene die deze alija moet lezen bij de oproep niet met name wordt genoemd en dat het stuk met zachte stem wordt gelezen, als het ware om ‘de goden niet te verzoeken'. Het zijn misschien deze vervloekingen, die koning Joshijahoe (Josia) uit het toen net uit de tempelruïne teruggevonden boek Dewariem (Deuteronomium) hoorde voorlezen, en die hem in angst deden uitroepen: ‘ Ga ter wille van mij en heel het volk van Juda de Eeuwige raadplegen over de inhoud van de boekrol die we gevonden hebben, want het kan niet anders of de Eeuwige is in hevige woede ontstoken omdat onze voorouders zich niet hebben gehouden aan wat er in dit boek staat en niet hebben gedaan wat ons is voorgeschreven .(2 Melachim/Koningen 22:13)'

De Tochacha

Ze zijn geteld al die vervloekingen, 98 zijn het er; lees ze eens rustig door. Ze zijn met grote vindingrijkheid en literaire begaafdheid bij elkaar gezet, beschreven met een barokke pen, geformuleerd met aan perversie grenzende beeldrijkdom. Lees de beschrijving van de ouders die in de belegerde stad het vlees van hun kind eten en de moeder, die de nageboorte in het geheim opeet. De bedoeling zal waarschijnlijk geweest zijn om de toehoorders in die ongeduldige massa en de latere lezers uit het moreel immer belaagde volk te imponeren, af te schrikken en daardoor te brengen tot navolging van de voor hun bestwil uitgevaardigde geboden.
Hoe vergeefs is deze afschrikking geweest.
In de formulering van vele van de vloeken ligt al welhaast de profetie van hun verwerkelijking besloten. Lees de indrukwekkende beschrijving van het volk Israël dat onder alle volkeren verspreid zal worden en geen verademing zal krijgen, dag en nacht door angst bevangen, omdat het leven niet zeker is. Ze zijn allemaal uitgekomen. Gruwel je eerst van de beelden, even later besef je dat ze allemaal gerealiseerd zijn geweest (en eigenlijk nog steeds worden gerealiseerd op vele plekken van deze wereld) (4).

Als Hij werkzaam is, is Hij dat dóór de mens

Het oude godsbeeld wankelt Deze Tochacha en de bewoordingen waarin al deze vloeken zijn vervat heeft de vraag opgeworpen: bewerkt De Eeuwige dit nu allemaal? Nu eens als een milde vader die het goede kind zegent en dan - in de reeks vloeken - weer als de boze vader, die zijn slechte zonen met afschuwelijke straffen kastijdt? De tijd om alle filosofische en theologische artikelen en boeken van velerlei gezindten over deze vraag naar Gods werkzaamheid (vaak samengevat in de term theodicee) ontbreekt mij en ik veroorloof mij spontaan - met in mijn achterhoofd het bescheiden bezinksel van de paar gelezen regels en gepleegde gedachten hierover - het volgende te zeggen.

In moderne religieuze en geestesstromingen is het beeld van de gepersonifieerde God al lang verlaten. Het beeld van een belonende en straffende God is als het ware gedeconstrueerd. Wat God wél is is onvatbaar - misschien wel op spiritueel niveau te vermoeden als een scheppende en werelddragende energie - , maar één ding is duidelijk: als Hij werkzaam is, is Hij dat dóór de mens heen. De mens is het instrument, waardoorheen de Goddelijke werkzaamheid gestalte wil krijgen en dan moeten we er meteen aan toevoegen: de mens in relatie en in het bijzonder de mens samen met zijn medemensen in gemeenschap. God kan zich openbaren als het diep geweten verlangen om naar het goede voor zich, voor de naaste en de gemeenschap te streven. Wat is het goede? Hierover gaat de Tora . Als wij trachten de grondwaarden uit de vele regels en voorschriften en uit de overvloed aan epoch-gedateerde details te destilleren, dan gaat het over zorg en liefde voor de naaste, het delen van voedsel en goed, wederzijdse hulp, niet achter afgoden (in de ruimste zin) aanrennen, nastreven van rechtvaardigheid in de gemeenschap, trouw, integriteit en eerlijkheid, compassie met en goede daden voor wie nood heeft, zorg voor de natuur en de leefomgeving, een en ander met gezonde waardering voor eigen kunnen en gepaard aan besef van eigen nederigheid..
Het wonderlijke van de Tora is dat dit in deze vorm - zo lang geleden al - zo totaal en samenhangend aan Israël is geopenbaard. Het is eigenlijk een groot recept voor álle naties om als volk in welvaart, overvloed en blijdschap samen te zijn en te werken met een helder besef van de plaats in de kosmos en een gevoel van grote dank voor het leven.
Zo gezien is het niet God die buiten de mens om beloont en straft, maar de mens zelf: hij heeft het aan zichzelf te danken of te wijten. We kunnen dan een poging wagen de Tochacha te parafraseren in een modernere logica: een samenleving, waarin het recht wordt verlaten, waarin oneerlijkheid, leugen, corruptie, onbetrouwbaarheid, puur eigenbelang, bandeloosheid, disrespect, liefdeloosheid de overhand krijgt is gedoemd af te glijden naar anarchie, armoede, geweld, in laatste instantie naar (burger)oorlog. Die samenleving kan de prooi worden van onzegbare verschrikkingen. De voorbeelden in onze wereld passeren dagelijks de revue; vul zelf maar in.

Deze waarheid kreeg Israël al in het begin van haar verbondsbestaan met de Eeuwige voorgeschoteld, onder andere in deze Tochacha. In die vorm valt op, dat de toegesprokene het individu is, een jij. Maar een jij binnen de volksgemeenschap. Dat wil zeggen dat ieder zijn verantwoordelijk heeft gekregen om zijn bijdrage te geven aan het wel en wee van zijn samenleving. Maar daarmee deelt het individu ook mee in het wel evenals in het wee. In die zin gaat het reilen en zeilen van de samenleving boven hem uit. Wij zijn afhankelijk van elkaars goede wil die bijdrage te leven en te leveren. Die ene rechtvaardige in een gemeenschap waar de waarden van rechtvaardigheid en compassie door een kritische massa van kwaadwillenden worden genegeerd, zal worden meegesleept in het afgeroepen onheil ondanks zijn rechtvaardigheid (5) Immers het verval en de ellende in de samenleving treft veelal de gemeenschap met man en muis. Dit maakt de verantwoordelijkheid van het individu om naar zijn beste kwaliteiten aan de gemeenschap bij te dragen juist extra groot. De rechtvaardige tilt zijn gemeenschap op en kan zelfs het verschil malen, maar kwaadwillenden halen de gemeenschap naar beneden en nemen allen mee in hun val.

Noten
(1) In een ander commentaar ben ik op de aanbieding van de eerste vruchten ingegaan
(2) Dit is inderdaad uitgevoerd door Jehoshoea (Jozua), zie Jehoshoea 8:30
(3) Het is eigenlijk de tweede Tochacha, een eerdere kleinere reeks staat al in Wajikra/Leviticus, in de parasha Bechoekotai .   Er is wel gezegd, dat die eerste Tochacha in Wajikra betrekking had op de eerste verwoesting van de tempel en de ballingschap die daarop volgde. Deze reeksvervloekingen besluit met de voorzegging dat De Eeuwige zich weer het verbond zal herinneren en na 70 jaar kwam er inderdaad een einde aan de ballingschap. De tweede Tochacha zou dan slaan op de tweede verwoesting van de tempel en de daarop volgende diaspora. De reeks vervloekingen eindigt niet met troostvolle woorden en een happy end. Er is geen suggestie van tijdschema, waarna alles weer goed komt.
(4) Wie uit het boek van Simon Schama ( De geschiedenis van de Joden, deel 1, Atlas Contact, 4e druk, 2014) leest over de uittocht van Joden uit Spanje in 1492:
‘Totdat de nieuwigheid eraf was, kwamen mensen van hun huis of hun akkers om in rijen langs de weg of het pad te kijken naar de lange stoet mensen, die zo goed en zo kwaad als het ging in de verzengende hitte van de Spaanse zomer naar de kust en de Portugese grens liepen. (…) Ze trokken over de wegen en door de velden [...] moeizaam en met veel tegenslag. Mensen vielen en stonden weer op, gingen dood en werden geboren, nog anderen werden ziek en er was geen christen die geen mededogen met hen voelde, (…) en de rabbijnen spraken hun voortdurend moed in en gelastten de vrouwen en meisjes te zingen en op de tamboerijn te spelen om de mensen op te vrolijken' , wie dat leest, wie moet dan ook niet denken aan de Syrische vluchtelingen, die in een eindeloze stroom door de velden van de Balkan trekken?
(5) Zie de beroemde dialoog van Avraham met de Eeuwige over de vernietiging van Sedom en ‘Amorra Bereshiet/Genesis 18:23 ev

RC 3 sept 2015

Parasha Ki Tavo
Een sterk narratief

Deuteronomium / Dewariem  26:1–29:8

De parasha Ki Tavo beslaat Dewarim 26:1–29:8. In deze parasha staat de lange reeks vervloekingen over rampen, die over Israël zullen komen, als het volk niet naar de stem van de Eeuwige en zijn voorschriften luistert. De reeks heeft de naam ‘Tochacha' gekregen, vermaning. Het is eigenlijk de tweede Tochacha, een eerdere kleinere reeks staat al in Wajikra, in de parasha Bechoekotai. In de parasha Ki Tavo zijn het er 98; lees ze eens rustig door. Ze zijn met grote verbeeldingskracht en dramatische begaafdheid bij elkaar gezet . De zesde alija (stuk dat de voor Toralezing opgeroepene leest), die de vervloekingen bevat,  is de langste alija van de hele Tora. In sommige synagogen is het gebruik dat degene die deze alija heeft bij de oproep niet met name wordt genoemd en dat het stuk met zachte stem wordt gelezen, als het ware om ‘de goden niet te verzoeken'. Het zijn misschien deze vervloekingen, die koning Joshijahoe (Josia) uit het toen net uit de tempelruïne teruggevonden boek Dewarim (Deuteronomium) hoorde voorlezen, en die hem in angst deden zeggen: ‘ Ga ter wille van mij en heel het volk van Juda de Eeuwige raadplegen over de inhoud van de boekrol die we gevonden hebben, want het kan niet anders of de Eeuwige is in hevige woede ontstoken omdat onze voorouders zich niet hebben gehouden aan wat er in dit boek staat en niet hebben gedaan wat ons is voorgeschreven .(2 Melachim/Koningen 22:13)'
Hij voerde grote zuiveringen door en bracht een geest van nieuwe vroomheid in het land. Het mocht niet baten. Amper 50 jaar later vond de eerste verwoesting van Jeruzalem plaats en had de profeet Jirmejahoe alle reden zijn klaagliederen aan te heffen. In een vorig commentaar ben ik uitgebreider op de vervloekingen ingegaan.

We zouden bijna vergeten, dat de parasha ook essentiële zegeningen bevat (28:1-15) en eigenlijk heel feestelijk begint met de ceremoniële aanbieding van de eerste opbrengsten van het land aan de tempel te Jeruzalem (26:1 ev).
26: 1  En wanneer u in het land komt dat de HEERE, uw God, u als erfelijk bezit geeft, en u dat in bezit neemt en erin woont, moet het zó zijn 2 dat u van de eerstelingen neemt van alle vruchten van het land, die u binnenhaalt van uw land, dat de Eeuwige, uw God, u geeft; en u moet die in een korf leggen en naar de plaats gaan die de Eeuwige, uw God, zal uitkiezen om Zijn Naam daar te laten wonen  (dat is dus Jeruzalem).

In de Mishna  (tractaat Bikkoerim) staan de plechtigheden uitgebreider beschreven:
Mishna 3: 3  Wie dichtbij woonde bracht verse vijgen en druiven, zij die ver weg woonden brachten gedroogde vijgen en rozijnen mee. Een os met horens bekleed met goud en een krans van olijven op zijn kop liep vooruit. Voor hen uit werd de fluit bespeeld tot ze bij Jeruzalem kwamen. En als ze vlakbij Jeruzalem waren zonden ze boodschappers vooruit en versierden ze hun eerstelingen (bikkoerim). De gouverneur en de hoofden en de schatbewaarders (van de tempel) gingen naar buiten  hen tegemoet. Overeenkomstig de rang van de aankomers gingen ze uit. Alle bedreven ambachtslieden van Jeruzalem stonden dan voor hen op en begroetten hen: “Broeders, mannen van die en die plaats, we zijn verheugd jullie welkom te heten”.
4. De fluit speelde voor hen uit tot ze bij de tempelberg kwamen. En als ze bij de tempelberg kwamen nam zelfs koning Agrippa  een mand op zijn schouders en en liep mee tot de tempelhof. Bij de nadering van de hof zongen de levieten het lied: “Ik prijs u , O Heer, want u hebt mij opgeheven en hebt niet toegelaten, dat mijn vijanden zich over mij verheugden”.

Stel je eens voor, die optocht over de heuvels van Judea, stoeten mensen met mooi gedecoreerde korven met vruchten op de schouders of op het hoofd, de stoere os voorop met gouden horens en de kop met bloemenkransen gekroond, samen met de fluitspelers, terwijl de imposante  muren van Jeruzalem in zicht komen.

Na het overhandigen van de korven met fruit aan de priesters bij de tempel  moest de overhandiger zeggen (Dew. 26:4-11):  ‘Mijn vader was een zwervende Arameeër. Hij trok naar Egypte en woonde daar als vreemdeling met een handvol mensen, maar ze groeiden uit tot een zeer groot en machtig volk. 6 De Egyptenaren begonnen ons slecht te behandelen: ze onderdrukten ons en dwongen ons tot slavenarbeid. 7 Toen klaagden we de Eeuwige, de God van onze voorouders, onze nood. Hij hoorde ons hulpgeroep en zag ons ellendig slavenbestaan. 8 En de Eeuwige bevrijdde ons uit Egypte, met sterke hand en opgeheven arm, op angstaanjagende wijze, met tekenen en wonderen. 9  Hij bracht ons hierheen en gaf ons dit land, dat overvloeit van melk en honing. 10 Eeuwige, hierbij breng ik u de eerste opbrengst van het land dat u me gegeven hebt.'

Daarna volgde een feestelijke maaltijd. Deze formule, de  widoei bikkoerim,  is eigenlijk heel bijzonder.

Waar van oudsher omliggende volkeren de vruchten van het land wijdden aan vruchtbaarheidsgodinnen en mythologische godheden, memoreert de Israëlitische landbouwer de geschiedenis van zijn volk en zijn machtige uitredding door en kennismaking met die ene onzichtbare God;  de geschiedenis, die hier is samengevat in een notendop, een kernachtiger formulering is niet denkbaar.
Het is één van de vele reminders, die in Dewarim en de Tora in zijn geheel zijn ingebouwd om het volk van Israël te herinneren aan zijn afkomst van onderdrukking naar bevrijding en zijn roeping tot een samenleving, die geordend is naar principes van gerechtigheid, omzien naar de ander, gastvrijheid en compassie, zoals geschreven  en geopenbaard in de woorden van de Ene.
Israël wordt wel genoemd het volk van het boek, het zijn de woorden van een boek, de Tora, de Tanach, die het volk door de geschiedenis heen heeft bijeengehouden en gedragen. In moderne bewoordingen gesteld zou je kunnen zeggen dat het Joodse volk een sterk ‘narrative' heeft, een verhaal, dat een kader van samenhangende betekenissen heeft, die een basis vormen onder en zin geven aan het bestaan van dat volk, en in potentie aan ieder lid van dat volk.
De nadruk ligt dan ook niet voor niets op de plicht om van ouders op kinderen, van generatie op generatie, Le-dor wa-dor, de kern van dat narratief door te geven.
Zij die de seider (rituele maaltijd op Pesach) vieren herkennen deze woorden van Dewarim 26:4-11; zij vormen het centrale gedeelte van het dan hervertelde Pesachverhaal over de uittocht uit Egypte, zoals samengevat in het speciale tekstboek voor die Pesach maaltijd, de Haggada. Al eeuwen worden ieder jaar in duizenden Joodse gezinnen en gezelschappen deze woorden, die beginnen met de zwervende Arameeër (naar mijn stellige idee wordt geduid op: Avraham) en zijn geschiedenis weer gesproken.

RC sept. 2014

Voor bovenstaand commentaar heb ik mij mede laten inspireren door het commentaar van Rabbijn  Jonathan Sacks  en enkele passages uit Simon Schama: De geschiedenis van de Joden / Deel 1: De woorden vinden.

Parasha Ki Tetsé
V
erafschuw de Egyptenaar niet!

Deuteronomium / Dewarim  21:10 tot 26

Deze parasha Ki Tetsé  gaat verder met de ordening van maatschappij en samenleving  en bevat een grote hoeveelheid bepalingen op uiteenlopende gebieden als oorlog, familie-  en eigendomsverhoudingen, moraliteit in seksuele zaken. Daarnaast zijn nog tal van andere zaken aan de orde. 74 van de 613 mitswot stammen uit deze parasha, de meeste van alle parashot.
Het is goed te beseffen: het zijn bepalingen die drieduizend jaar geleden zijn geschreven, in de grond weliswaar ingegeven door een diepgaande inspiratie en de omliggende Semitische wereld ver vooruit, maar toch ook getekend door de situatie van een semi-nomadische maatschappij van zoveel eeuwen her. Er zijn passages die ons verlicht aandoen. De loonarbeider die zijn loon dezelfde dag nog dient te krijgen. Het royale overlaten van het niet geoogste voor de behoeftige. De bepaling, dat je de gevonden eieren in een vogelnest mag meenemen, maar de moedervogel moet laten vliegen. Anderen roepen vanuit het huidige tijdsgewricht bij de moderne humanistisch georiënteerde mens weerstand op. De bepalingen omtrent huwelijk, verkrachting, overspel, de positie van de vrouwen. De wrede, in moderne ogen disproportionele sancties.

Latere rabbijnse uitleggingen hebben vele scherpe kanten van striktheid en wreedheid er vanaf geslepen, maar de vraag blijft in iedere generatie: wat moeten we er in Gods naam toch mee? Hoe begrijpen wij het intrinsieke eeuwige moment van de inspiratie, waarmee ook aan ons nog steeds iets gezegd en geboden wil zijn en hoe kunnen wij het drieduizend jaar oude stof van geschiedenis en de contingentie van het menselijk psychisme van het zo lang geleden moment ervan af schudden? 

Ik denk, dat het helpt om de diverse bepalingen te zien, niet zozeer naar hun letterlijke inhoud als wel naar de intrinsieke waarden, waaruit zij voorvloeien en waarvan zij een door de historie gedetermineerde ‘operationalisatie' zijn.

Zo getuigen de – voor die tijd revolutionair vooruitstrevende - bepalingen rond de mooie vrouw, die door de man als krijgsgevangene wordt meegevoerd  en begeerd, van het streven impulsieve wreedheid aan banden te leggen en respect voor de weerloze mens te tonen (Dew. 21:11-14). Het zijn regels die in vele regionen van de wereld ook nu nog hun nut zouden hebben.

Opmerkelijk zijn de geboden om de Edomiet en de Egyptenaar niet te verafschuwen (Dew. 23:8, 9). Het derde geslacht mag zelfs tot de gemeenschap van Israël toetreden. De Egyptenaar heeft ondanks alles het volk van de hongersnood gered en een woonplaats gegeven en de Edomiet is een afstammeling van de broer van Ja'akov, Esav. Als we de bepalingen uit Dewarim 2 in herinnering brengen, dan waren ook de Moabieten en Ammonieten gevrijwaard van de veroveringsdrang van de Israëlieten; ze waren immers afstammelingen van Esav, de broer van Ja'akov, en Lot, de neef van Avraham.  Rabbijn Sacks  wijst er in zijn commentaar op, dat deze geboden oproepen tot een houding van verzoening met de onderdrukker van ooit en tot een wil niet te volharden in haat tegenover de vroegere vijand. Ook inzake non-discriminatie van huidskleur bevatten de geschriften opmerkelijke bepalingen. Zo neemt Moshé een Cushitische (andere vertaling NBV Nubische) tot vrouw. Mirjam is daar niet gelukkig mee (Bemidbar 12:1) en wordt bestraft wegens haar vooroordeel (volgens een mogelijke uitleg), over deze donker getinte (trouwens ook niet Israëlitische) vrouw.  De grenzen waren toen nog niet zo nauw getrokken. In Shir Hashirim (het Hooglied) is de verliefde vrouwelijke zanger zelfs ‘zwart en mooi', ‘ shechora  ani we-nawa ' (Shir Hashirim 1:5).
Rabbijn Sacks ziet in de Moshé van deze parasha  een voorstander van het opgeven van haat en een oproeper tot vrede en verzoening. Binnen de grenzen van de Tora is deze leider  tolerant, ruimhartig en verzoeningsgezind. Graag ga ik daarin met de rabbijn mee, zeker als ik vermoed, dat hij de toestand in het Midden-Oosten rond Israël daarbij in gedachte had. Wilt u nog meer tot verzoening oproepende voorbeelden uit de Tora, denk dan aan de iconische verzoeningsscène van Ja'akov en Esav, die Jacob haatte, maar ‘ Esav snelde hem tegemoet, omarmde hem, viel hem om de hals en kuste hem; en zij huilden  (Ber.33:4)'. Een generatie daarvoor hadden Jishma'el, de voorvader van de Arabieren, en zijn halfbroer Jitschak samen hun vader Avraham begraven in de grot van Machpela (Ber. 25: 9).

Dat alles neemt niet weg, dat de parasha besluit met een slotakkoord van juist onverzoenlijkheid.
Het volk van Amalek, dat verraderlijk ooit de achterhoede van vrouwen en verzwakten aanviel toen het net aan de Egyptenaren ontsnapte volk van Israël de woestijn had betreden (Shemot 17:14-16 ) , dat volk moet worden vernietigd, de gedachtenis aan Amalek moet onder de hemel worden uitgewist. Vergeet het niet!(Dew. 25:19). Amalek zal de eeuwige vijand van alle generaties en alle tijden zijn. Of dat nu nog geldt? Het is één van de bepalingen die tegen zich zelf is gaan werken, hoe daar ben ik elders op ingegaan (zie  Amalek, eeuwige vijand, stereotype of archetype ).

Een groot deel van de bepalingen getuigen van waarden als naastenhulp, burgerzin, omzien naar de armen, veiligheid, respect voor dieren en zo meer.
Veel is gereguleerd – vaak met strenge of zelfs capitale bestraffingen - omtrent moraliteit in het huwelijk, binnen-  en buitenechtelijke seksuele omgang en de positie van de vrouw daarin. Het wekt de indruk, dat eer, taboe op de geslachtsorganen en het belang van procreatie een grote rol spelen, een rol, die in westerse zo sterk veranderde industriële, kapitalistische en technologisch ontwikkelde samenlevingen, waarin het begrip seksualiteit zijn intrede heeft gedaan, niet meer aanspreekt en geen toepassing meer vindt (koranistische, vaak nog strengere, varianten worden in orthodoxe islamistische kringen nog wel degelijk letterlijk genomen en gepraktiseerd). Toch zouden de onderliggende waarden van loyaliteit in het huwelijk, een zekere mate van schaamte en terughoudendheid in uiterlijk erotisch vertoon een woordje meer mogen meespreken. In mijn  vorige commentaar  op deze parasha heb ik daar meer over geschreven.

Ki tavo

De parasha Ki Tavo beslaat Dewariem 26 " 29 :9.
De zesde alija (stuk dat de voor Toralezing opgeroepene leest) is de langste alija van de hele Tora. In sommige synagoges is het gebruik dat degene die deze alija heeft bij de oproep niet met name wordt genoemd en dat het stuk met zachte stem wordt gelezen, als ware om "de goden niet te verzoeken".
Want in dit stuk komt de lange reeks vervloekingen voor, die over Israël zullen komen, als het volk niet naar de stem van de Eeuwige en zijn voorschriften luistert. De reeks heeft de naam "Tochacha' gekregen, berisping. Het is eigenlijk de tweede Tochacha, een eerdere reeks staat al in Wajikra, in de parasha Bechoekotai.

Maar deze Tochacha in Dewariem is uitgebreider; ze zijn geteld al die vervloekingen, 98 zijn het er; lees ze eens rustig door. Ze zijn met grote vindingrijkheid en dramatische begaafdheid bij elkaar gezet en met een fantasierijke welhaast aan perversie grenzende beeldrijkdom geformuleerd, beschreven met een barokke literair begaafde pen. Lees de beschrijving van de ouders die in de belegerde stad het vlees van hun kind eten en de moeder, die de nageboorte in het geheim opeet. De bedoeling was waarschijnlijk om de toehoorders in die ongeduldige massa en de latere lezers van het moreel immer belaagde volk te imponeren, af te schrikken en te brengen tot navolging van de voor hun bestwil uitgevaardigde geboden.

Hoe vergeefs is deze afschrikking geweest.
In de formulering van vele van de vloeken ligt al welhaast de profetie van hun verwerkelijking besloten. Lees de indrukwekkende beschrijving van het volk Israël dat onder alle volkeren verspreid zal worden en geen verademing zal krijgen, dag en nacht door angst bevangen, omdat het leven niet zeker is. Ze zijn allemaal uitgekomen. Gruwel je eerst van de beelden, even later besef je dat ze allemaal gerealiseerd zijn geweest (en eigenlijk nog steeds worden gerealiseerd op vele plekken van deze wereld).
Er is wel gezegd, dat die eerste Tochacha in Wajikra betrekking had op de eerste verwoesting van de tempel en de ballingschap die daarop volgde. Deze reeksvervloekingen besluit met de voorzegging dat De Eeuwige zich weer het verbond zal herinneren en na 70 jaar kwam er inderdaad een einde aan de ballingschap. De tweede Tochacha zou dan slaan op de tweede verwoesting van de tempel en de daarop volgende diaspora. De reeks vervloekingen eindigt niet met troostvolle woorden en een happy end. Er is geen suggestie van tijdschema, waarna alles weer goed komt.

Rav Soloveitchik wijst erop in navolging van Maimonides, dat alleen teshoewa (ommekeer uit afdwalingen) tot verlossing uit de benarde omstandigheden kan leiden. Dat deze algehele teshoewa ooit zal plaatsvinden wordt voorzegd in de volgende parasha Nietsawiem (Dewariem 30: 1-10)

Natuurlijk rijst ook naar aanleiding van deze Tochacha en de bewoordingen waarin al deze vloeken zijn vervat de vraag: bewerkt De Eeuwige dit nu allemaal, nu eens als een milde vader die het goede kind zegent en dan - in de reeks vloeken - weer als de boze vader, die zijn slechte zonen met afschuwelijke straffen kastijdt"
De tijd om alle filosofische en theologische artikelen en boeken van velerlei gezindten over deze vraag naar Gods werkzaamheid ontbreekt mij en ik veroorloof mij spontaan - met in mijn achterhoofd het bescheiden bezinksel van de paar door mij gelezen regels hierover - het volgende te zeggen.

In moderne religieuze en geestesstromingen is het beeld van de gepersonifieerde God al lang verlaten. Het beeld van een belonende en straffende God is als het ware gedeconstrueerd. Dit is nog de nasleep van de "God is dood' geschriften van de zeventiger jaren.
Wat God wél is is onvatbaar - misschien wel op metafysisch niveau raakbaar - , maar één ding is duidelijk: als hij werkzaam is, is hij dat dóór de mens heen.
De mens is het instrument, waardoorheen de Goddelijke werkzaamheid gestalte wil krijgen en dan moeten we er meteen aan toevoegen: de mens in relatie en in het bijzonder de mens samen met zijn medemensen in gemeenschap. God kan zich openbaren als het diep geweten verlangen om naar het goede voor zich, de naaste en de gemeenschap te streven. Wat is het goede" Hierover gaat de Tora .
Als wij trachten de grondwaarden uit de vele regels en voorschriften en uit de overvloed aan epoch-gedateerde details te destilleren dan gaat het over zorg en liefde voor de naaste, het delen van voedsel en goed, wederzijdse hulp, niet achter afgoden (in de ruimste zin) aanrennen, rechtvaardigheid naar de naaste en in de gemeenschap, trouw en eerlijkheid, compassie met en goede daden voor de minder bedeelden en behoeftigen, zorg voor de natuur en de leefomgeving, e..d.

Het wonderlijke van de Tora is dat dit in deze vorm - zo lang geleden al - zo totaal en samenhangend aan Israël is geopenbaard. Het is eigenlijk een groot recept om als volk in welvaart, overvloed, blijdschap samen te zijn en te werken met een helder besef van de plaats in de kosmos en een gevoel van grote dank voor het leven.

Zo gezien is het niet God die buiten de mens om beloont en straft, maar de mens zelf: hij heeft het aan zichzelf te wijten of te danken. We kunnen dan een poging wagen de Tochacha te parafraseren in een modernere logica: een samenleving, waarin het recht wordt verlaten, waarin oneerlijkheid, leugen, corruptie, onbetrouwbaarheid, bandeloosheid, disrespect, liefdeloosheid de overhand krijgt is gedoemd af te glijden naar anarchie, armoede, geweld, in laatste instantie (burger)oorlog of die samenleving wordt de prooi van vergelijkbare of ergere verschrikkingen. De voorbeelden in onze wereld passeren dagelijks de revue van de media of (hopelijk niet) onze eigen ervaring.
Deze waarheid kreeg Israël al in het begin van haar verbondsbestaan met de Eeuwige voorgeschoteld, onder andere in de specifieke vorm van de Tochacha.
In die vorm valt op, dat de toegesprokene het individu is, jij. Maar een jij binnen de volksgemeenschap. Dat wil zeggen dat ieder zijn verantwoordelijk heeft gesteld gekregen om zijn bijdrage te hebben aan het wel en wee van zijn samenleving.
Maar daarmee ook meedeelt in dat wel en wee. In die zin gaat het reilen en zeilen van de samenleving boven hem uit. Wij zijn afhankelijk van elkaars goede wil die bijdrage te leven en te leveren. Die ene rechtvaardige in een gemeenschap waar de waarden van rechtvaardigheid en compassie door een kritische massa van kwaadwillenden wordt genegeerd zal worden meegesleept in het afgeroepen onheil ondanks zijn rechtvaardigheid. Immers het verval en de ellende in de samenleving treft veelal de gemeenschap met man en muis. Dit maakt de verantwoordelijkheid van het individu om naar zijn beste kwaliteiten aan de gemeenschap bij te dragen juist extra groot. De rechtvaardige tilt zijn gemeenschap op, maar de verkeerd gerichten halen de gemeenschap naar beneden en kunnen hem in een neerwaartse spiraal brengen. En omgekeerd.

Blijft nog de grote vraag rond de Shoa: als het geen straf van God is, hebben de Joden dan dit aan zichzelf te danken?
Nee. Hier is iets anders aan de hand. Onze geneigdheid dit in verklaringen te willen vatten moeten we laten rusten.
Een gepast zwijgen is hier op zijn plaats.
Alleen dit: de Shoah is een gebeuren geweest in Europa, temidden van andere volken. Ook voor die volken gelden de universele basiswaarden, die de Tora doordesemen. Een groot deel van die volkeren hebben zelfs als Christenen de tien woorden (geboden) expliciet omarmd en de leer van liefde en compassie van de Jood Jezus. Waarom zou het principe van de Tochacha - dat bij veronachtzaming, ontkenning van basiswaarden, zoals ze hierboven zijn aangeduid, bij verval van maatschappelijke ordening, rampen en ellende het gevolg is - niet gelden?
Wat ik hiermee wil zeggen is dat het gebeuren van de Shoah niet een gebeuren is dat geïsoleerd als een lot van alleen het Joodse volk moet worden gezien.
De schuld ligt niet bij de Joden, ze zijn niet schuldig ondanks enkele extreme rabbijnse opvattingen die anders preken. Verder laat ik de ontelbare grote vragen hieromtrent open.

RobC 29 sept.

Parasjat Ki  tetsee   Devariem/Deuteronomium 21:10 tot 26  
Verafschuw de Egyptenaar niet!  

Deze parasja Ki Tetsee gaat verder met de ordening van maatschappij en samenleving en bevat een grote hoeveelheid bepalingen op uiteenlopende gebieden als oorlog, familie- en eigendomsverhoudingen, moraliteit in seksuele zaken. Daarnaast zijn nog tal van andere zaken aan de orde. 74 van de 613 mitswot stammen uit deze parasja, de meeste van alle parasjot.  
Het is goed te beseffen: het zijn bepalingen die drieduizend jaar geleden zijn geschreven, in de grond weliswaar ingegeven door een diepgaande inspiratie en de omliggende Semitische wereld ver vooruit, maar toch ook getekend door de situatie van een semi-nomadische maatschappij van zoveel eeuwen her.  Er zijn passages die ons verlicht aandoen. De loonarbeider die zijn loon dezelfde dag nog dient te krijgen. Het royale overlaten van het niet geoogste voor de behoeftige. De bepaling, dat je de gevonden eieren in een vogelnest mag meenemen maar de moedervogel moet laten vliegen, één van de bepalingen die zijn uitgewerkt tot het leerstuk over diervriendelijkheid ( Tzaär baälee chajiem) . Anderen roepen vanuit het huidige tijdsgewricht bij de moderne humanistisch georiënteerde mens weerstand op. De bepalingen omtrent huwelijk, verkrachting, overspel, de positie van de vrouwen. De wrede, in moderne ogen disproportionele sancties.

Latere rabbijnse uitleggingen hebben vele scherpe kanten van striktheid en wreedheid er vanaf geslepen, maar de vraag blijft iedere generatie: hoe moeten we er in Gods naam de dag van vandaag mee omgaan? Hoe begrijpen wij het intrinsieke eeuwige moment van de inspiratie, waarmee ook aan ons nog steeds iets gezegd en geboden wil zijn en hoe kunnen wij het drieduizend jaar oude stof van geschiedenis en de contingentie van het menselijk psychisme van het zo lang geleden moment ervan af schudden?

Ik denk, dat het helpt om de diverse bepalingen te zien, niet zozeer naar hun letterlijke inhoud als wel naar de intrinsieke waarden, waaruit zij voorvloeien en waarvan zij een door de historie gedetermineerde ‘operationalisatie' zijn.  
Zo getuigen de – voor die tijd revolutionair vooruitstrevende - bepalingen rond de mooie vrouw, die door de man als krijgsgevangene wordt meegevoerd en begeerd, van het streven impulsieve wreedheid aan banden te leggen en respect voor de weerloze mens te tonen ( Devariem/Deuteronomium 21:11-14). Het zijn regels die in vele regionen van de wereld ook nu nog hun nut zouden hebben.  
Opmerkelijk zijn de geboden om de Edomiet en de Egyptenaar niet te verafschuwen ( Devariem/Deuteronomium 23:8, 9). Het derde geslacht mag zelfs tot de gemeenschap van Israel toetreden. De Egyptenaar heeft ondanks alle latere wrede onderdrukking het volk van de hongersnood gered en woonplaats gegeven en de Edomiet is een afstammeling van de broer van Jaäkov, Esav. Als we de bepalingen uit Devariem hfst. 2 in herinnering brengen, dan waren ook de Moabieten en Ammonieten gevrijwaard van de veroveringsdrang van de Israëlieten; ze waren immers afstammelingen van Esav, respectievelijk Lot, de neef van Avraham.   Rabbijn Sacks   wijst er in zijn commentaar op, dat deze geboden oproepen tot een houding van verzoening met de onderdrukker van ooit en tot een wil niet te volharden in haat tegenover de vroegere vijand. Ook inzake non-discriminatie van huidskleur bevatten de geschriften opmerkelijke bepalingen. Zo neemt Mosjee een Koesjitische (andere vertaling NBV Nubische) tot vrouw. Mosjee's zuster Mirjam is daar niet gelukkig mee (Bemidbar/Numeri 12:1) en wordt bestraft wegens haar vooroordeel (volgens een mogelijke uitleg), over deze donker getinte (trouwens ook niet Israelitische) vrouw. De grenzen waren toen nog niet zo nauw getrokken. In Sjier Hasjiriem (het Hooglied) is de verliefde vrouwelijke zanger zelfs ‘zwart en mooi', sjechora ani ve-nava (Sjier Hasjieriem 1:5).  
Rabbijn Sacks ziet in de Mosjee van deze parasja een voorstander van het opgeven van haat en een oproeper tot vrede en verzoening. Binnen de grenzen van de Tora is deze leider tolerant, ruimhartig en verzoeningsgezind. Graag ga ik daarin met de rabbijn mee, zeker als ik vermoed, dat hij daarbij de toestand in het Midden-Oosten rond Israel daarbij in gedachte had. Wil je nog meer tot verzoening oproepende voorbeelden uit de Tora, denk dan aan de iconische verzoeningsscene van Jaäkov en Esav, die Jaäkov haatte, maar Esav snelde hem tegemoet, omarmde hem, viel hem om de hals en kuste hem; en zij huilden   (Beresjiet/Genesis 33:4). Een generatie daarvoor hadden Jisjmaël, de voorvader van de Arabieren, en zijn halfbroer Jitschak samen hun vader Avraham begraven in de grot van Machpela (Beresjiet/Genesis 25: 9).  

Dat alles neemt niet weg, dat de parasja besluit met een slotakkoord van juist onverzoenlijkheid.  
Het volk van Amalek, dat verraderlijk ooit de achterhoede van vrouwen en verzwakten aanviel toen het net aan de Egyptenaren ontsnapte volk van Israel de woestijn had betreden ( Sjemot /Exodus17:14-16   )   , dat volk moet worden vernietigd, de gedachtenis aan Amalek moet van onder de hemel worden uitgewist. Vergeet het niet!(Devariem/Deuteronomium 25:19). Amalek zal de eeuwige vijand van alle generaties en alle tijden zijn. Of dat nu nog geldt? Het is één van de bepalingen die tegen zich zelf is gaan werken, hoe daar ben ik elders op ingegaan (zie   Amalek, eeuwige vijand, stereotype of archetype   ).  

Een groot deel van de bepalingen getuigen van waarden als naastenhulp, burgerzin, omzien naar de armen, veiligheid, respect voor dieren en zo meer.  
Veel is gereguleerd – vaak met strenge of zelfs kapitale bestraffingen - omtrent moraliteit in het huwelijk, binnen- en buitenechtelijke seksuele omgang en de positie van de vrouw daarin. Het wekt de indruk, dat eer, taboe op de geslachtsorganen en het belang van procreatie een prominente rol spelen, een rol, die in westerse zo sterk veranderde industriële, kapitalistische en technologisch ontwikkelde samenlevingen, waarin het begrip seksualiteit zijn intrede heeft gedaan, niet meer aanspreekt en geen toepassing meer vindt (koranistische, vaak nog strengere, varianten worden in (ultra)orthodoxe islamistische kringen nog wel degelijk letterlijk genomen en gepraktiseerd). Toch zouden de onderliggende waarden van loyaliteit in het huwelijk, een zekere mate van schaamte en terughoudendheid in uiterlijk erotisch vertoon een woordje meer mogen meespreken. In een   ander commentaar   op deze parasja heb ik daar meer over geschreven.  

Herzien sept 2016


Parashat Ki tetsee 28 aug. 3015

Dewariem/Deuteronomium 21:10 - 26
Schaamte

De parasha


Deze parasha Ki Tetsee gaat verder met de ordening van maatschappij en samenleving en bevat een grote hoeveelheid bepalingen op uiteenlopende gebieden als oorlog, familie- en eigendomsverhoudingen, moraliteit in seksuele zaken. Daarnaast zijn nog tal van andere zaken aan de orde. 74 van de 613 mitswot stammen uit deze parasha, de meeste van alle parashot. Er zijn passages die ons verlicht aandoen. De loonarbeider die zijn loon dezelfde dag nog dient te krijgen. Het royale overlaten van het niet geoogste voor de behoeftige. De bepaling, dat je de gevonden eieren in een vogelnest mag meenemen maar de moedervogel moet laten vliegen. Anderen roepen vanuit het huidige tijdsgewricht bij de moderne humanistisch georiënteerde mens weerstand op. De bepalingen omtrent huwelijk, verkrachting, overspel, de positie van de vrouwen. De wrede, in moderne ogen disproportionele sancties, waarvoor de latere rabbijnen wegen hebben gevonden om ze te verzachten of buiten werking te laten

Een curieuze en wrede bepaling lokte mij tot nadere beschouwing: 25:11,12. Als twee mannen aan het vechten zijn en de vrouw van een van hen mengt zich erin om haar man te helpen en grijpt de ander bij zijn schaamdelen, dan moet haar hand worden afgehakt; toon geen medelijden .
Het is een bepaling, die bij de meeste moderne lezer afschuw oproept. Kennelijk betreft het een casus, die zo vaak voorkwam en dan zoveel geschoktheid opriep, dat de Tora er een voorschrift aan wilde te wijden. Een vechtpartij, waarbij de vrouw opkomt voor haar man en, misschien in een emotie van verontwaardiging of wanhoop de vijand van haar echtgenoot bij zijn geslacht grijpt. Dat moet ze bekopen met het afhakken van de delinquente hand. We kunnen dit voorschrift rustig terzijde schuiven en dat doet Rashi dan ook voor het deel van de sanctie in zoverre, dat hij - ondanks dat er staat 'geen medelijden te tonen' – het afhakken van de hand verstaat als een financiële sanctie, een boete.

naaktheid

Maar laten we eens dieper kijken en proberen te begrijpen, waarom deze bepaling is geschreven, vanuit een invoelen in hoe in de Tora aangekeken werd tegen seksualiteit in het algemeen en de schaamdelen van man en vrouw in het bijzonder. Ik wil dat doen vanuit een min of meer cultureelantropologisch perspectief (1).
Het valt dan op dat de Tora de wereld van liefde en erotiek - op te vatten als zelfstandige bron van genieting - amper kent (2)(3) Daarentegen valt het accent zwaar op de plicht en de macht van de voortbrenging van nageslacht. Het begint al in het begin, in Bereshiet: De Eeuwige schept de mens naar zijn beeld en in het volgende vers al luidt het: weest vruchtbaar, vermeerdert je. Een enigszins erotische bijbetekenis zou men kunnen zien in het lovende vers dat Adam toezingt aan zijn pasgeschapen vrouw in Bereshiet 2: 23. Veelzeggend is de mededeling daarop, dat zij naakt (' aroemiem ') waren, maar zich niet voor elkaar schaamden.
Maar die onschuld omtrent de naaktheid zal niet blijven.  
In het daaropvolgend gebeuren geschiedt er iets ingrijpends: door het eten van de boom van kennis van goed en kwaad worden man en vrouw zich bewust van de naaktheid, die zij vervolgens bedekken. Kennelijk heeft het weten omtrent goed en kwaad te maken met bewustheid van naaktheid.  Zonder nu uitgebreid in te gaan op alle aspecten van goed en kwaad waag ik te poneren, dat het mede gaat om het ontwaakte weten omtrent de voortbrenging middels de geslachtsdaad, anders gezegd, dat zij ontdekten "waar de kinderen vandaan kwamen" en dat hun naaktheid prominent toonde, welke delen van hun lichaam betrokken waren bij die voortbrenging.  
Hun naaktheid was niet langer meer een esthetisch of sensueel gegeven. Naaktheid getuigde voortaan steeds van de immense mogelijkheid en macht om nieuw leven te kunnen scheppen, maar was tegelijk beladen een bewustwording en besef van de diep ingrijpende consequenties van de volvoering van die macht, het kind.
Het roept bij mij het vermoeden op, dat in deze oerscene van Genesis misschien wel een herinnering van de mensheid resoneert: ooit zal in de oertijd een groepje mensen tot de verbijsterende ontdekking zijn gekomen dat hun geslachtsdaad kinderen tot gevolg had (tot voor heel kort wisten de bewoners van de Trobriand eilanden bij Nieuw Guinea dit nog niet). Ook ieder kind maakt deze oerscene een keertje op zijn eigen microniveau door.

Dit weten omtrent procreatie en vruchtbaarheid is bij vrijwel alle volken een intens onderwerp geworden van taboe, rituelen, religieuze ceremonies, magische handelingen en overtuigingen.  Het kenmerkende van de voorschriften van de Tora - in die zin is het een verlicht document - is dat het betrekken van seksualiteit, erotiek en vruchtbaarheid in godsdienstige ceremoniën en religieuze verering strikt worden verboden;  in zekere zin zou je kunnen zeggen dat zaken van seksualiteit en vruchtbaarheid worden ‘geseculariseerd', ontdaan van de duistere wereld van de magie. Een van de redenen waarom de religieuze praktijken van de volken van Kenaän zo worden verketterd.

schaamte

De erotiek met al zijn sensualiteit en verleiding tot ritualisering gaat buiten de religieuze wereld van Israel vallen, maar niet de procreatieve organen zelf; die worden het onderwerp van vele voorschriften. Ik breng dit in verband met de primordiale schaamte omtrent de naaktheid, die Adam en Eva al hebben ervaren. We vinden hem ook terug in de scène van de dronken Noach, die brutaal in zijn naaktheid wordt gezien door zijn zoon Cham (Ber/Gen 9:20). Die naaktheid is schaamtevol, omdat Cham zicht had op het geslacht van zijn vader, waaruit hij zich voortgekomen wist. De schaamte moet berusten op de diepe en heilige verwondering omtrent de procreatieve macht van de seksuele organen, die zich uitstrekt tot hun vloeibare afscheidingen, die van de man, zijn zaad, en die van de vrouw, de menstruele afscheiding. Vandaar, dat die organen en hun vloeistoffen omgeven zijn geraakt met een reeks van taboeïserende voorschriften, die tot taak hebben hun scheppende kracht zuiver te houden en te respecteren. Tegelijk wordt daarmee de procreatie, de voortbrenging van nageslacht, beter gereguleerd.  
Alles wat afwijkt van de gerichte aanwending van die scheppende eros tot procreatie van legitiem nageslacht, zoals masturbatie, homoseksualiteit, incest e.d. wordt ervare als een ontheiliging van de oerfunctie van de seksuele organen en is in laatste instantie in die zienswijze op te vatten als het in gevaar brengen van de overlevingskracht van het volk. Een overtuiging die nog steeds doorklinkt in b.v. de opvattingen in vele (ultra)orthodoxe vormen van jodendom, islam en christendom. Dat de sancties in de Tora niet mis zijn wijst op de intense irrationele fundering van deze overtuigingen.  
Nu wordt duidelijk waarom de bepaling omtrent de vrouw, die het geslacht van de vijand van haar man aanraakt, er staat. Het gaat niet om zomaar een brutaliteit. De daad van de vrouw - gezien tegen deze achtergrond - raakt de betrokken man in zijn elementaire waardigheid als voortbrenger van nageslacht, of sterker nog waarschijnlijk, ontneemt hem zijn kracht en vruchtbaarheid; of zijn mannelijke macht wordt op zijn minst onzuiver gemaakt en aangetast.  

Deze en dergelijke bepalingen, die omhuld zijn met de striktheid van het taboe, zijn uiteindelijk ontsproten aan het heilig ontzag voor het raadsel van de voortbrenging. Het raadsel dat gedeeltelijk geweten is geworden, - en door de wetenschap tot op grote hoogte in finesse is ontleed - maar voor een ander deel gehuld blijft in het mysterie, het mysterie dat het Scheppend principe gekozen heeft voor procreatie, voortzetting van het leven, op de manier, waarop het gebeurt: door geboorte en dood, met daartussen in de vereniging van een man en een vrouw in de lustvolle geslachtsdaad. Dit heilig ontzag vertaalt zich op het niveau van de beleving onder meer in: de schaamte.

De schaamte is in de loop der eeuwen geïnstitutionaliseerd tot een rigide bastion, in Nederland bijvoorbeeld in de zedigheid van een kleinburgerlijk calvinisme of in katholieke preutsheid. Ook het Jodendom heeft daaraan deelgehad, mede onder invloed van het christendom.  
In de zestiger jaren is dat bastion door mijn generatie behoorlijk gesloopt, in grote mate een verfrissende reactie. Ook ik heb daar in volle overtuiging aan meegedaan (al was ik niet eens zo succesvol in de uitvoering van het programma van de bandeloosheid).  
De schaamte is in de zestiger/zeventiger jaren bij grote delen van de bevolking overbodig verklaard.  Tot op grote hoogte zijn de seksuele organen daarbij ‘onttaboeïseerd', wat op zich een gezonde ontwikkeling mag worden genoemd.
Mij lijkt het, dat onze maatschappij daarin nu veel te ver lijkt doorgeschoten. Het ouderwetse woord bandeloosheid - dat als je het hoort het moderne hoofd grinnikend doet afwenden - dekt toch wel heel goed de lading, als je het woord ontleedt: zonder banden, zonder binding.
De schaamte is lastig; als je het hebt moet de therapeut het maar helpen afslijpen. De schaamte is verouderd, hinderlijk. Overal schreeuwt de naaktheid je toe. De naaktheid is een consumptieartikel geworden. Reclame in de media, series op de buis hebben de naaktheid tot middel gemaakt. De verleidelijkheid van het prikkelend naakte helpt de verkoop. Het meest grof is de ongevraagde porno, waarmee je af en toe wordt geconfronteerd. De naaktheid (en met name dus de schaamdelen, die daarin impliciet verwezen of expliciet geprononceerd worden) is schaamteloos geworden. Het sloopt ons gevoel voor maat, onze sensitiviteit voor de waardigheid van de ander en het respect voor de subtiele wegen van de natuur.
Het is tijd om de schaamte weer naar boven te halen.  
Niet door terug te gaan naar de bekrompen wereld van de kleinburgerlijke preutsheid van vroeger, naar de kwezels die met hel en verdoemenis zwaaien. Niet terug naar vroeger, maar naar een herbezinning op en omarming van de authentieke schaamte, die een menselijke behoefte is, die nu verdrongen en met de voeten getreden wordt.


noten

(1) Gebruik is gemaakt van enkele passages uit het boek "Eros and the Jews" van David Biale, University of California Press, 1992
(2) Seksualiteit is een begrip dat pas in de 19e eeuw C.E. ingang heeft gevonden
(3) Een uitzondering is de openlijke erotiek, die het Hooglied ( Shir Hashiriem ) uitstraalt. Hier mengt zich op unieke manier eros en devotie.
Eros als genieting op zich laat zich soms wel afleiden uit de verhalen in Tora en Tenach.
De ontroerende ontmoeting van Ja'akov en Rachel bij de put. De lust, die Juda zocht bij de prostituée, die zijn schoondochter Tamar bleek te zijn. De begeerte van David, toen hij de naakte Batsheva zag.

RC herzien 27/8 2015

Ki tetsé Dewariem/Deuteronomium 21:10 - 26
over de schaamte

Noachs mantelDit hoofdstuk, Dewariem/Deuteronomium 21:10 tot 26, is één van die parasjot, die bij mij als kind van de moderniteit een mengsel oproept van weerstand en verwondering. Verwondering over de verlichte passages: De loonarbeider die zijn loon dezelfde dag nog dient te krijgen. Het royale overlaten van het niet geoogste voor de behoeftige. De bepaling, dat je de gevonden eieren in een vogelnest mag meenemen maar de moedervogel moet laten vliegen.

Weerstand tegen de bepalingen omtrent huwelijk, verkrachting, overspel, de positie van de vrouwen. Afkeer van de wrede, disproportionele sancties.

Natuurlijk, het zijn maatregelen van voor die tijd ongekend progressieve strekking om de anarchistische massa bedding te geven en om de relaties te ordenen.  
Het is goed te beseffen: het zijn bepalingen drieduizend jaar geleden geschreven, in de grond weliswaar ingegeven door een diepgaande inspiratie en de omliggende Semitische wereld ver vooruit, maar toch ook getekend door de situatie van een semi-nomadische maatschappij van zoveel eeuwen her.  
Latere rabbijnse uitleggingen hebben vele scherpe kanten van striktheid en wreedheid er vanaf geslepen, maar de vraag blijft iedere generatie: wat moeten we er in Gods naam toch mee?
Hoe begrijpen wij het intrinsieke eeuwige moment van de inspiratie, waarmee ook aan ons nog steeds iets gezegd en geboden wil zijn en hoe kunnen wij het drieduizend jaar oude stof van geschiedenis en de contingentie van het menselijk psychisme van het zo lang geleden moment ervan af schudden.  

Ik wil dit eens proberen – op een min of meer antropologische manier - rond één van de meest confronterende bepalingen, die in Dewariem 25: 11-12. Die luidt:  

11. Als twee mannen aan het vechten zijn en de vrouw van een van hen mengt zich erin om haar man te helpen en grijpt de ander bij zijn schaamdelen, 12 . dan moet haar hand worden afgehakt; toon geen medelijden.

Zo op het eerste gezicht wil je dit niet eens gelezen hebben. Een vechtpartij, waarbij de vrouw opkomt voor haar man en, misschien in een emotie van verontwaardiging of wanhoop de vijand van haar echtgenoot bij zijn geslacht grijpt. Dat moet ze bekopen met de afhakking van de delinquente hand. We kunnen dit rustig terzijde schuiven en dat doet Rasji dan ook voor het deel van de sanctie in zoverre, dat hij - ondanks dat er staat 'geen medelijden te tonen' - de afhakking verstaat als een financiële sanctie, een boete.

Maar laten we eens dieper kijken en proberen te begrijpen, waarom deze bepaling is geschreven, vanuit een invoelen in hoe in de Tora aangekeken wordt tegen seksualiteit in het algemeen en de schaamdelen van man en vrouw in het bijzonder.

Voorlopig wil ik dat doen vanuit een min of meer cultureel-antropologisch perspectief, gebruikmakend van de verhandeling hierover in het boek "Eros and the Jews" van David Biale.  
Het valt dan op dat de Tora seksualiteit (een begrip dat pas in de 19 e eeuw C.E. ingang heeft gevonden) - op te vatten als bron van menselijke actie en begeerte, als erotiek - amper kent.

Daarentegen valt het accent zwaar op de procreatie en het weten omtrent de voortbrenging van nageslacht. Het begint al in het begin, in Bereshiet: De Eeuwige schept de mens naar zijn beeld en in het volgende vers al luidt het: weest vruchtbaar, vermeerdert je.  
Een enigszins erotische bijbetekenis zou men kunnen zien in het lovende vers dat Adam toezingt aan zijn pasgeschapen vrouw in Bereshiet 2: 23. Veelzeggend is de mededeling daarop, dat zij naakt ('aroemiem') waren, maar zich niet voor elkaar schaamden.

Maar die onschuld omtrent de naaktheid zal niet blijven.  
In het daaropvolgend gebeuren geschiedt er iets ingrijpends: door het eten van de boom van kennis van goed en kwaad worden man en vrouw zich bewust van de naaktheid, die zij vervolgens bedekken. Kennelijk heeft goed en kwaad te maken met bewustheid van naaktheid.  
Zonder nu uitgebreid in te gaan op alle aspecten van bewustheid van goed en kwaad waag ik te poneren, dat het mede gaat om het weten omtrent de voortbrenging, anders gezegd, dat zij ontdekten "waar de kinderen vandaan kwamen" en dat hun naaktheid prominent toonde, welke delen van hun lichaam betrokken waren bij die voortbrenging.  
Hun naaktheid was niet langer meer een esthetisch of sensueel gegeven, maar beladen met diep ingrijpende consequenties, met de immense mogelijkheid, maar ook verantwoording nieuw leven te kunnen scheppen.  
Het roept bij mij het vermoeden op, dat in deze oerscene misschien wel een herinnering van de mensheid resoneert: ooit zal in de oertijd een groepje mensen tot de verbijsterende ontdekking zijn gekomen dat hun geslachtsdaad kinderen tot gevolg had (tot voor heel kort wisten de bewoners van de Trobriand eilanden bij Nieuw Guinea dit nog niet). Ook ieder kind maakt deze oerscene een keertje op microniveau door.

Het is niet zomaar een weten, dat Adam en Eva overkomt, het is een heilig weten, een diep lotsbepalend inzicht, dat in het proces van de schepping besloten liggend, eens moest opduiken. In Bereshiet 3: 22 staat een monoloog van De Eeuwige:   "Zie, de mens is geworden tot één van Ons doordat hij weet van goed en kwaad".  
Ook in dit opzicht is de mens naar Gods beeld geschapen. Tegelijk betekent deze heilige wetenschap dat man en vrouw het paradijs van de onschuld zullen moeten verlaten.  

Dit weten omtrent procreatie en vruchtbaarheid is bij vrijwel alle volken een intens onderwerp geworden van taboe, rituelen, religieuze ceremonies, magische handelingen en overtuigingen.  
Het kenmerkende van de voorschriften van de Tora - in die zin is het een verlicht document - is dat alle vormen van ritualisering, van pogingen om seksualiteit, erotiek, vruchtbaarheid te trekken in de sfeer van godsdienstige ceremoniën en religieuze verering strikt worden verboden;  
in zekere zin zou je kunnen zeggen dat seksualiteit en erotiek worden ‘geseculariseerd'. Een van de redenen waarom vermenging met de religieuze praktijken van de volken van Kenaän zo wordt verketterd.

De erotiek met al zijn sensualiteit en verleiding tot ritualisering wordt in de niet-religieuze wereld getrokken, maar niet de procreatieve daad zelf; die wordt het onderwerp van vele voorschriften (en ook verhalen, te beginnen met Sara's onvruchtbaarheid).  
Zoals gezegd heeft het te maken de primordiale schaamte omtrent de naaktheid, die Adam en Eva al hebben ervaren. We vinden hem ook terug in de scène van de dronken Noach, die brutaal in zijn naaktheid wordt gezien door zijn zoon Cham. Die naaktheid is natuurlijk schaamtevol, omdat Cham zicht had op het geslacht van zijn vader, waaruit hij zich voortgekomen wist.

De schaamte moet berusten op de diepe en heilige verwondering omtrent de procreatieve macht van de seksuele organen, die zich uitstrekt tot hun vloeibare afscheidingen, die van de man, zijn zaad, en die van de vrouw, de menstruele afscheiding. Vandaar, dat die organen en hun vloeistoffen omgeven zijn geraakt met een reeks van taboeïserende voorschriften, die tot taak hebben hun scheppende kracht zuiver te houden en te respecteren. Tegelijk wordt daarmee de procreatie, de voortbrenging van nageslacht gegarandeerd.  
Alles wat afwijkt van de gerichte aanwending van die scheppende eros tot procreatie van legitiem nageslacht, zoals masturbatie, homoseksualiteit, incest e.d. staat gelijk aan belediging van de oerfunctie van de seksuele organen en is in laatste instantie in die zienswijze op te vatten als het in gevaar brengen van de overlevingskracht van het volk. Een overtuiging die nog steeds doorklinkt in b.v. de opvattingen in vele vormen van orthodox jodendom, de islam en de katholieke kerk. Dat de sancties in de Tora niet mis te verstaan zijn wijst op de intense irrationele fundering van deze overtuigingen.  

Nu wordt wel duidelijk waarom de bepaling omtrent de vrouw, die het geslacht van de vijand van haar man aanraakt, er staat. Het gaat niet om zomaar een brutaliteit, een schandalige daad.  
De daad van de vrouw - gezien tegen deze achtergrond - raakt de betrokken man in zijn elementaire waardigheid als voortbrenger van nageslacht, of sterker nog waarschijnlijk, ontneemt hem zijn kracht en vruchtbaarheid; of zijn mannelijke macht wordt op zijn minst onzuiver gemaakt en aangetast.  

Deze en dergelijke bepalingen, die omhuld zijn met de striktheid van het taboe, zijn uiteindelijk ontsproten aan het heilig ontzag voor het raadsel van de voortbrenging. Het raadsel dat gedeeltelijk geweten is geworden, maar voor een ander deel gehuld blijft in het mysterie, het mysterie dat het Scheppend principe gekozen heeft voor procreatie, voortzetting van het leven, op de manier, waarop het gebeurt: door geboorte en dood, met daartussen in de vereniging van een man en een vrouw in de lustvolle geslachtsdaad. Dit heilig ontzag vertaalt zich op het niveau van de beleving onder meer in: de schaamte.

Nu heeft de wetenschap veel van het proces van procreatie onthuld; het hoe - en binnen dit hoe het waarom - is en wordt steeds preciezer beschreven. Veel volksgeloof over de condities van vruchtbaarheid, die deels aan de taboesfeer zijn ontsproten, zijn of kunnen worden afgeschaft. De wrede en soms kapitale sancties die de Tora geeft hebben geen plaats meer. Maar aan het fundamentele raadsel van de voortbrenging doen ook de moderne wetenschappelijke inzichten en verlichte ideeën naar mijn idee niks af. Voor de schaamte rond de naaktheid is nog alle reden.  

Natuurlijk heeft de schaamte in de loop der eeuwen zijn rigide vormen gekregen, is geïnstitutionaliseerd tot een rigide bastion, in Nederland bijvoorbeeld in een kleinburgerlijk calvimisme of katholieke preutsheid. Ook het Jodendom heeft daaraan deelgehad.  
In de zestiger jaren is dat bastion door mijn generatie behoorlijk gesloopt, tot op zekere hoogte een verfrissende reactie. Ook ik heb daar in volle overtuiging aan meegedaan (al was ik niet eens zo succesvol in de uitvoering van het programma van de bandeloosheid).  
De schaamte is in de zeventiger jaren verder bij grote delen van de bevolking overbodig verklaard.  

Dezer dagen moet ik constateren, dat onze maatschappij daarin veel te ver lijkt doorgeschoten. Het ouderwetse woord bandeloosheid - dat als je het hoort het moderne hoofd grinnikend doet afwenden - dekt toch wel heel goed de lading, als je het woord ontleedt: zonder banden, zonder binding.
De schaamte is lastig; als je het hebt moet de therapeut het maar helpen afslijpen. De schaamte is versleten, verouderd, hinderlijk. Overal schreeuwt de naaktheid je toe. De naaktheid is een consumptieartikel geworden. Reclame in de media, series op de buis hebben de naaktheid tot middel gemaakt. Het meest grof is de ongevraagde porno, waarmee je af en toe wordt geconfronteerd, met name op de buis. De naaktheid (en met name dus de schaamdelen, die daarin impliciet verwezen of expliciet geprononceerd worden) is schaamteloos geworden. Dit is slecht, bijna in de zin van het Tora-woord voor slecht: rasha.

Het is tijd om de schaamte weer in te voeren.  
Niet door terug te gaan naar de bekrompen wereld van de kleinburgerlijke preutsheid van vroeger, naar de kwezels die met hel en verdoemenis zwaaien.  
Niet terug naar vroeger, maar naar een herbezinning op en omarming van de authentieke schaamte, die een menselijke behoefte is, die nu verdrongen en met de voeten getreden wordt.

herzien 15 aug. 2013

Parashat Shoftiem Dewariem / Deuteronomium 16:18 - 21:9
Zuiverheid van wapenen

Korte samenvatting van de parasha

In deze parasha worden belangrijke elementen geleverd voor de ordening van de maatschappij van de in Kenaän binnengetrokken stammen van Israël. Ordeningspunten die ook nu nog altijd spelen: de rechtspraak (het aanstellen van rechters en beambten en de eis van onpartijdig rechtspreken, bewijsvoering, getuigen (minimaal 2), asielregelingen. Heftig veroordeeld worden dwaalwegen: wichelarij, waarzeggerij, tovenarij, afgoderij wordt bestraf met de doodstraf. Alleen op deze plaats noemt Moshé zich zelf profeet. Ook na hem zullen profeten komen. Wie kan je vertrouwen? Een profeet is hij die waarheid spreekt, als het uitkomt wat hij zegt. De Eeuwige voorziet bij monde van Moshé, dat het volk ooit een koning wil, dat is goed dan. Het merendeel van de rabbijnse geleerden ziet er geen mitswa in, maar een concessie aan een lager volksverlangen. Die koning mag niet te veel paarden, vrouwen, goud en zilver hebben (dit heeft Shlomo ha-melech later vergeten). Verleg niet eigenmachtig de grensstenen van een stuk land.
Er staan regels van oorlogvoering in deze parasha; op zich revolutionair is het in dat millennium voor de westerse jaartelling om de barbaarse krijg enigszins aan banden te leggen; het is een combinatie van mildheid (op het gebied van vrijstellingen) en verstandigheid (begin met vredesvoorwaarden alvorens de oorlog te verklaren) en ouderwetse hardheid: de wrede sancties op overwonnen tegenstanders, waar de moderniteit officieel niet meer achter staat (al komen ze ook nu op deze wereld nog iedere dag voor). Een archaïsch ritueel met een maagdelijk kalf wordt voorgeschreven ingeval een dode in het veld wordt aangetroffen zonder achterhaalbare dader.

Terughoudendheid inzake geweld (1)

Laten we eens de bepalingen inzake het oorlog voeren (hoofdstuk 20) wat nader bekijken. In de eerste plaats is er de uitdrukkelijke en concrete verplichting om het land Kena'an te veroveren en de zeven Kena'anitische volkeren volledig uit te roeien (20: 15-18). We missen hier de kompassionele interventie die Avraham ooit deed ten behoeve van de bevolking van Sedom en ‘Amorra. Deze meedogenloze bepalingen zijn nooit zo uitgevoerd. In feite hebben naast de Joden ook altijd andere volken in Palestina gewoond, tot op heden. Overigens is deze opdracht van de Eeuwige alleen nog van historische waarde en dient dit niet meer als model voor oorlogvoering binnen het Jodendom. Een talmoedrabbijn verklaarde al in het begin van de gewone jaartelling de zeven Kena'anitische volken als niet meer te traceren.
Voor ‘gewone' oorlogen geeft deze parasha andere regels, samengevat:.
De oorlog wordt alleen gevochten door moedige en gelovige mannen, die geen andere zaken aan hun hoofd hebben zoals een nieuw huis, een nieuwe wijngaard of een nieuwe vrouw
Er moet altijd eerst een vredesaanbod met bepaalde voorwaarden worden gedaan.
Wordt dit aanbod geweigerd, dan worden de mannen van de tegenstander omgebracht, vrouwen en kinderen gevangen genomen en de stad geplunderd.
Tijdens de belegering van een stad mogen geen vruchtbomen worden omgehakt. Deze bepaling (vers 19) heeft aanleiding gegeven tot een heel ecologisch leerstuk over zorgvuldige omgang met het milieu en tegen verspilling onder de naam Bal Tashchiet (‘vernietig niet'). Zie daarvoor een
ander commentaar van mij.

In Tora of Tenach zijn geen grondbeginselen aangegeven voor wat een aanleiding voor oorlog (casus belli) kan zijn. Een vluchtige scan door de geschiedenis van rabbijnse commentaren geeft grond voor de het ontwaren van de tendens om voorzichtig en terughoudend met militaire middelen om te gaan.
Isaac Arama (1420–1494) ziet ook in het verbod om in tijd van oorlog vruchtbomen om te hakken aanleiding om te poneren, dat we des te meer ervoor moeten zorgen geen schade en dood toe te brengen aan mensen.
Isaac Abravanel (1437–1508), geeft in zijn commentaar op vers 20:10 drie redenen om een vredesaanbod te doen nog voor het begin van vijandelijkheden, nl: God wenst geen dood en destructie, maar vergeeft wie berouw heeft; de regeerder, die zonder geweld verovert, toont pas macht en grootmoedigheid; het uitbreken van oorlog heeft een onzekere uitkomst en veelal catastrofale gevolgen (2).
Samuel David Luzzatto (Italie, 1800-1865) verklaarde kort en goed, dat de enige toegestane oorlog de verdedigingsoorlog is. Hij zegt over Dewariem/Deuteronomium 20:10-11: ‘De tekst formuleert niet wat een toegestane aanleiding voor oorlog is of dat Israel een oorlog zonder reden mag voeren alleen maar om te roven en buit te maken. Maar de tekst zegt: “wanneer je ten strijde trekt tegen je vijand“, dat wil zeggen, dat je alleen oorlog mag voeren tegen je vijand; het woord vijand betekent niets anders dan degene, die ons wil schaden, dat wil zeggen, die binnenvalt om ons gebied te veroveren en die ons wil beroven'.

‘zuiverheid van wapenen'

De moderne tijd kent tegelijk met de ingrijpende en invloedrijke beweging van de Verlichting ook de uitbraak van barbaarse oorlogen. Het Joodse denken verschuift dan ook van een preoccupatie van Israel versus de wereld van afgodendom naar loyaliteit aan wereld van fatsoen en beschaving versus barbarisme en bijgeloof. De verdediging van democratische, liberale en humanitaire waarden kan daarmee een onderdeel van het mainstream Joods gedachtegoed worden. Wat in dat gedachtegoed een belangrijke invloed blijft hebben is de houding van terughoudendheid ten aanzien van geweld en militaire agressie. In de eerste helft van de 20 ste eeuw voelden de seculiere zionistische pioniers (zoals Vladimir Jabotinski) de noodzaak van zelfverdediging en werd de Hagana opgericht. Tegelijk drongen de religieuze leiders in die tijd, met name Avraham Kook, aan op uiterste terughoudendheid ( havlaga ) in het gebruik van geweld en een jongere rabbinale tijdgenoot ging zover, dat hij “zelfs als hij zeker wist, dat we de Uiteindelijke Verlossing zouden teweeg zouden brengen [door het doden van Arabieren] , dan zouden we met alle kracht zo'n ‘verlossing' moeten verwerpen om niet verlost te zijn door bloed”.
De tweede helft van de 20 ste eeuw heeft vele oorlogen op het pad van de nieuwe staat Israel gebracht, grotendeels voortkomend uit de pure noodzaak van lijfs- en landbehoud. Met dat al heeft het concept van terughoudendheid, ooit gesproten uit Tora en Halacha en ondersteund door het seculiere deel van Israel, stand gehouden als fundament van de officiële militaire ethiek. Men noemt dit concept tohar ha-nesheq of ‘zuiverheid van wapenen', wat betekent de eis van minimale toepassing van geweld om militaire doelen te bereiken en het maken van onderscheid tussen combattanten en non-combattanten. Dit is verder uitgewerkt in een officieel ethisch basisdocument van het Israëlische leger (IDF) (3).
In hoeverre deze nobele beginselen ook altijd de praktijk zijn geweest in de operaties van de IDF is een zaak van veel dispuut en onderzoek geweest – met name sinds de Libanonoorlog - en nog. Hoe dan ook , tohar ha-nesheq blijft als toetssteen overeind en dat kan niet gezegd worden van vele andere militaire groeperingen in het Midden-Oosten.

Noten
(1) In de volgende alinea's is dankbaar geput uit het artikel van Rabbi Norman Solomon (June 2005): "Judaism and the ethics of war" (PDF). International Review of the Red Cross. Uit dit artikel zijn een aantal passages vertaald, bewerkt en geciteerd.
(2) Het is interessant tegen de achtergond van dit voorschrift en zijn uitleggingen het recente nucleair akkoord met Iran te beschouwen. Is het akkoord voldoende garantie om af te zien van militaire middelen om de vijand Iran onder controle te houden? Lees de verschillende nieuwssites of Ha'arets hierover. Obama zegt van wel: "How can we in good conscience justify war before we've tested a diplomatic agreement that achieves our objectives?". Hij kiest de positieve invalshoek. Democratisch kopstuk en joodse senator Charles Schumer zegt nee en sombert,” It is because I believe Iran will not change, and under this agreement it will be able to achieve its dual goals of eliminating sanctions while ultimately retaining its nuclear and non-nuclear power.”
Netanjahoe heeft helemaal geen vertrouwen in de deal, "The agreement will allow Iran to arm itself with nuclear weapons either after adhering to the agreement for 10-15 years, or by violating it beforehand. In addition, [the deal] will pump billions of dollars to the Iranian terror and war machine, which threatens Israel and the entire world." De IDF zelf geeft de benefit of the doubt :” the accord poses a large number of risks, but also a number of opportunities for Israel's political leadership”.
Ik zou zeggen, de weerstand vanuit het belaagde Israel tegen het akkoord is begrijpelijk, maar Obama lijkt mij toch het meeste kans op een proces naar vrede te bieden en het meest in lijn met het Joods gedachtegoed over maximale benutting van vredeskansen alvorens een oorlog te beginnen .
(3) https://www.idfblog.com/about-the-idf/idf-code-of-ethics/ en zie ook een artikel over deze code van het Shalom Hartman Institute

Parajat Sjoftiem Devariem / Deuteronomium 16:18 - 21:9
Vernietig niet! Verspil niet!

Korte samenvatting van de parasha

In deze parasha worden belangrijke elementen geleverd voor de ordening van de maatschappij van de in Kenaän binnengetrokken stammen van Israël. Ordeningspunten die ook nu nog altijd spelen: de rechtspraak (het aanstellen van rechters en beambten en onpartijdig rechtspreken, beroepsmogelijkheid bij de Levieten) , bewijsvoering, getuigen (minimaal 2), asielregelingen. Heftig veroordeeld worden dwaalwegen: wichelarij, waarzeggerij, tovenarij, afgoderij wordt bestraf met de doodstraf. Alleen op deze plaats noemt Moshé zich zelf profeet. Ook na hem zullen profeten komen. Wie kan je vertrouwen? Een profeet is hij die waarheid spreekt, als het uitkomt wat hij zegt. De Eeuwige voorziet bij monde van Moshé , dat het volk ooit een koning wil, dat is goed dan. Het merendeel van de rabbijnse geleerden ziet er geen mitswa in, maar een concessie aan een lager volksverlangen. Die koning mag niet te veel paarden, vrouwen en goud en zilver hebben (dit heeft Shlomo ha-melech later vergeten). Verleg niet eigenmachtig de grensstenen van een stuk land.
Er staan regels van oorlogvoering in deze parasha , op zich revolutionair is het in dat millennium voor de westerse jaartelling om de barbaarse krijg enigszins aan banden te leggen; het is een combinatie van mildheid (op het gebied van vrijstellingen) en verstandigheid (begin met vredesvoorwaarden alvorens de oorlog te verklaren) en ouderwetse hardheid: de wrede sancties op overwonnen tegenstanders , waar wij niet meer achter staan (al komen ze ook nu op deze wereld nog iedere dag voor). Een archaïsch ritueel met een maagdelijk kalf wordt voorgeschreven ingeval een dode in het veld wordt aangetroffen zonder achterhaalbare dader.

Bal Tashchit
Onder de bepalingen van het oorlogsrecht treffen we een opmerkelijk vers (pasoek) aan. Was het oorlogsrecht al behoorlijk revolutionair voor die middenoosterse wereld van de samenstelling van de Tora, helemaal zijn tijd vooruit was wat er staat in hoofdstuk 20 pasoek 19 (iets bewerkte Dasbergvertaling): ‘Als je gedurende langere tijd een stad moet belegeren om die door middel van oorlog in te nemen, vernietig de vruchtbomen dan niet door de bijl erin te slaan, want je kunt ervan eten, vel hem dus niet. Is de boom van het veld soms een mens, die bij de belegering is betrokken?'
Niet-vruchtbomen mogen wel worden omgehakt ten behoeve van de belegering.
De Rabbijnse uitleggers redeneerden extrapolerend: als je vruchtbomen al niet in oorlogsomstandigheden mag omhakken, hoeveel te meer niet in tijd van vrede. Gaandeweg werd het principe, dat aan deze specifieke bepaling ten grondslag ligt, uitgebreid naar andere levensgebieden. Dat principe werd begrepen als een verbod om opzettelijk datgene wat voor mensen van nut is te vernietigen, inbegrepen ook nodeloze verspilling. Op grond hiervan is een heel leerstuk ontwikkeld onder het adagium ‘Bal Tashchit', ‘vernietig niet'.
Wie vaten breekt of kleding verscheurt, een gebouw vernietigt, een bron doet verstoppen, of voedsel vernietigt schendt het principe van Bal Tashchit, vonden de rabbijnen van de Talmoed. Men nam het principe zeer serieus. Rabbi Chanina dacht, dat de vroege dood van zijn zoon te wijten was aan het feit dat de jongen een vijgenboom had omgehakt. (Baba Kamma 91b). Het principe is uitgebreid besproken en becommentarieerd door de eeuwen heen. Rabbijn Samson Raphael Hirsch maakte het tot een zwaarwegend principe: ‘Dit is de eerste wet (Deuteronomium 20:19, 20) … Bezie de dingen als Gods eigendom en gebruik hen met gevoel voor verantwoordelijkheid ten behoeve van wijze menselijke doeleinden. Vernietig niet! Verspil niet!'.
In het moderne Jodendom geldt het principe van Bal Tashchit als een pijler onder de beweging van eco-kashroet, de leer die puttend uit de bronnen van oude Joodse wijsheid en traditie over de relatie tussen mens en aarde een nieuwe kijk wil ontwikkelen op wat een goede Joodse levenspraktijk is in het moderne leven van alle dag ( Arthur Waskow ). De ethische overwegingen van Bal Tashchit en eco-kashroet hebben een enorme impact op zowel consument als producent. Het gaat telkens om afweging in hoeverre een handeling een nodeloze belasting betekent van de natuur of nodeloze vernietiging met zich meebrengt. In het commentaar op de vorige parasha over vlees heb ik opgemerkt, dat het eten van vlees te veel kost, de aarde uitput en de voorziening van voedsel aan de wereldbevolking in gevaar brengt. Het ongeremd vlees eten van industrieel geproduceerd vlees kan je in de omstandigheden van deze 21 ste eeuwse omstandigheden rangschikken als een schending van het principe van Bal Tashchit. Een interessante keuze voor de ecologisch bewuste Jood is: als ik dan al af en toe een stukje vlees eet, wat is belangrijker, dat het kosher is of dat het diervriendelijk, duurzaam en met respect voor de natuur is behandeld.
De pas gewijde Rabbijn van het Verbond voor Progressief Jodendom in Nederland, Clary Roda, is een enthousiaste adept van eco-kashroet . Zij vertaalt het naar Nederland en naar zichzelf. ‘Wat voor energie gebruik je? Er is groene energie. Maar ook: bij welke bank breng je je geld onder. Als je weet waar sommige banken in investeren... Steeds weer is de vraag: kun je het voor jezelf verantwoorden? En hoe geef je eco-kasjroet dan een plek binnen traditioneel kashroet' ( interview Joods nu ). Roda pleit er voor, dat beetje bij beetje dat eco-kashroet ook ingang vindt bij de Progressief-Joodse gemeenschap. Zelf probeer ik een lijn te volgen die je eco-kosher style zou kunnen noemen.

(Bronnen o.a. http://www.reformjudaism.org.uk
http://www.chabad.org/library/article_cdo/

Vanaf de rouwdag Tisha Be'Av tot Rosh HaShana, vanaf de parasha Wa-etchanan tot en met de parasha Nitsavim, worden de zeven zogenaamde troost-haftarot ( shiva d'nechamta ) gelezen, stukken uit het boek Jeshajahoe (Jesaja), die tot strekking hebben het verbannen Israel troost te bieden. Bij de parasha Shoftim is dat Je saiah 51:12-52:12, waarin deze mooie regels (HSV): Hoe lieflijk zijn op de bergen
de voeten van hem die het goede boodschapt,
die vrede laat horen, die een goede boodschap brengt van het goede,
die heil laat horen,
die tegen Tsion zegt:
Uw God is Koning.

Afgelopen week is de maand Eloel aangebroken, de maand van reflectie, die uit zal lopen op Rosh HaShana.

Parasjat Sjoftiem   Devariem / Deuteronomium 16:18 - 21:9  
Rechtvaardigheid

De parasja start met voorschriften rond recht en rechtvaardigheid, Devariem 18-20: 
De maatschappij staat of valt met een stabiel rechtssysteem en een integere rechtspraak; niet voor niets luidt Devariem 20: ‘rechtvaardigheid, rechtvaardigheid moet je nastreven, opdat je zal leven en het land zal bezitten', tsedek, tsedek tirdof 

We gaan dieper in op deze uitspraak . 
Rechtvaardigheid, rechtvaardigheid moet je nastreven,  tsedek, tsedek tirdof
Waarom staat er tweemaal tsedek?
De Dasberg vertaling luidt: 'Alleen maar rechtvaardigheid moet je nastreven.' Dit doet de herhaling geen recht en is ook niet helemaal juist, lijkt mij. Rasji beschouwt deze zin als geschreven voor de procesvoerders en leest erin: zoek het best denkbare college op, het beste beet din
Op zich spreekt dat wel aan: voor jouw zaak wil je de beste advocaten en de beste rechters, voor jouw operatie het beste ziekenhuis. Maar met alle respect voor de heldere en nuchtere Middeleeuwse meester: er zit in dit tsedek tsedek tirdof toch méér.

Dit citaat, uit de Talmoed, Sanhedrin 32b werpt een origineel licht: 
(vertaald uit het Engels) 
‘ Er is geleerd: rechtvaardigheid, rechtvaardigheid zal je nastreven. 
De eerste rechtvaardigheid duidt op een beslissing gebaseerd op het strikte recht. 
De tweede rechtvaardigheid duidt op een compromis. Hoe dat zo?
Als twee boten elkaar op de rivier tegenkomen en ze allebei tegelijk willen passeren zullen allebei zinken. Als er een ruimte maakt voor de ander kunnen ze beiden verder. 
Evenzo als twee kamelen elkaar ontmoeten bij het beklimmen van de helling naar Beet Horon. 
Als ze beiden tegelijk willen klimmen, zullen ze vallen. Maar als de een na de ander klimt, kunnen ze beiden veilig naar boven. Hoe moet dat dan? Als de één is beladen en de ander onbeladen, moet de laatste de een voor laten gaan. Als de één dichter bij huis is dan de ander, moet de eerste de laatste voor laten gaan. Als ze allebei even ver van huis zijn, maak dan een compromis, waarbij degene die voorgaat de ander compenseert'.

Wat deze passage onder meer goed illustreert is dat rechtvaardigheid een essentiële waarde is, die zijn oorsprong vindt in de menselijke ontmoeting. Rechtvaardigheid ontstaat in relatie en maakt haar ook mogelijk. De kapiteins op de twee boten en de twee kamelendrijvers kunnen of alleen vóór zich zelf gaan of oog hebben voor elkaars belang. Ze moeten elkaar letterlijk in de ogen hebben gezien en hebben gesproken en misschien hebben ze een gebaar gemaakt, signalen gewisself; ze hebben iets afgesproken. 
Al lang geleden is ons samenleven geformaliseerd in een sociaal contract en een rechtssysteem, maar daar houdt het natuurlijk niet op; ook daarbuiten ons is ons samenleven doortokken van de opdracht rechtvaardigheid na te streven.

Zonder rechtvaardigheid kan het samenleven met elkaar niet bestaan, veilig zijn en niet tot bloei komen. Rechtvaardigheid heft ons op uit het geweld, de anarchie, de willekeur, de chaos, in zekere zin de hel zou je kunnen zeggen. 
Misschien kunnen we meegaan met Levinas en ik waag mijn poging tot begrip van deze moeilijke maar essentiële en intense Joodse filosoof onder deze woorden te vatten: 
Rechtvaardigheid gaat vooraf aan alle filosofie en wetenschap; het is niet het product van rationeel overleg of de conclusie van een gedegen sociale analyse. Het gaat daar aan vooraf. Als ik afzie van mijn vruchteloze pogingen de wereld en de ander te domineren, te manipuleren en te controleren dan komt de rechtvaardigheid mij tegemoet uit het gelaat van mijn naaste als een onontkoombaar appel, zeg maar een gebod. Daar - op dat tussenmenselijke veld - begint het uiteindelijk allemaal.

Zoiets bespeur ik ook in de woorden Tsedek, Tsedek, die herhaling maakt deze uitspraak ook tot een dringend appel, zo moeten we het denk ik ook opvatten. Streef rechtvaardigheid na bóven alles. Als een van de weinige geboden vermeldt de uitspraak in Devariem meteen een positieve consequentie, zeg maar voor het moment even: een beloning: ‘zodat je zal leven en het land zal bezitten'. 
Als we het appel van de rechtvaardigheid niet horen, zal het uiteindelijk uitlopen op ontworteling, vervreemding, ontheemding, geweld, oorlog. En dat misschien van het meest innerlijke, persoonlijke niveau tot het maatschappelijke, zelfs internationale en mondiale niveau. Het geldt voor onze relaties, onze familie, voor Nederland, voor Israël, voor de wereld.

Ik kwam dit vers van Jesaja (32, 17-18) tegen, dat een gelijke strekking heeft alleen met een meer profetische, zeg maar utopische aankleding: ‘ Het gevolg van rechtvaardigheid zal vrede zijn en de uitwerking van rechtvaardigheid zal rust zijn en vrede voor altijd. En mijn volk zal wonen in oorden van vrede en in veilige woningen en op onbekommerde rustplaatsen'.
Moge dat zo zijn en worden

Parasjat Sjoftiem Devariem / Deuteronomium 16:18 - 21:9

Rechtvaardigheid

korte inhoud

weegschaalIn deze parasja worden belangrijke elementen geleverd voor de ordening van de maatschappij van de in Kenaän binnengetrokken stammen van Israël.
Ordeningspunten die ook nu nog altijd spelen: de rechtspraak, bewijsvoering, getuigen (minimaal 2), asielregelingen.
Heftig veroordeeld worden dwaalwegen: wichelarij, waarzeggerij, tovenarij. Wie kan je wel vertrouwen" Een profeet. Wie is een profeet: hij die waarheid spreekt, als het uitkomt wat hij zegt.
Er staan regels van oorlogvoering, een combinatie van mildheid (op het gebied van vrijstellingen) en verstandigheid (begin met vredesvoorwaarden alvorens de oorlog te verklaren) en ouderwetse hardheid: de wrede sancties, waar wij officieel niet meer achter staan (al komen ze nog iedere dag voor).

De parasja start met voorschriften rond recht en rechtvaardigheid, Dewariem 18-20:
Rechtvaardigheid is de hoeksteen van alle verdere regelingen van de samenleving.
Stel rechters aan die rechtspreken volgens miesjpat-tsedek. Buig het recht niet om, wees niet partijdig, laat je niet omkopen.
In ons solide Nederland lijkt het zo goed voor elkaar, maar zie eens de terechte verontrusting en verontwaardiging als het vermoeden is gewekt dat het Openbaar Ministerie bewijs niet volledig zou hebben verstrekt aan de rechters, zoals bijvoorbeeld destijds aanwijzingen op grond van DNA sporen, in de zaak van de Schiedammer parkmoord.
De maatschappij staat of valt met een stabiel rechtssysteem en een integere rechtspraak; niet voor niets luidt Dewariem 20: rechtvaardigheid, rechtvaardigheid moet je nastreven, opdat je zal leven en het land zal bezitten.

tsedek, tsedek tirdof


We gaan dieper in op deze uitspraak .
Rechtvaardigheid, rechtvaardigheid moet je nastreven, tsedek, tsedek tirdof.
Waarom staat er tweemaal tsedek?
De Dasberg vertaling luidt: 'Alleen maar rechtvaardigheid moet je nastreven.' Dit doet de herhaling geen recht en is ook niet helemaal juist, lijkt mij.
Rasji beschouwt deze zin als geschreven voor de procesvoerders en leest erin: zoek het best denkbare college op, het beste 'beit din'.
Op zich spreekt dat wel aan: voor jouw zaak wil je de beste advocaten en de beste rechters, voor jouw operatie het beste ziekenhuis.
Maar met alle respect voor de heldere en nuchtere Middeleeuwse meester: er zit in dit tsedek tsedek tirdof toch méér.

Dit citaat, uit de Talmoed, Sanhedrin 32b vond ik en werpt een origineel licht:
(vertaald uit het engels)
"Er is geleerd: rechtvaardigheid, rechtvaardigheid zal je nastreven.
De eerste rechtvaardigheid duidt op een beslissing gebaseerd op het strikte recht.
De tweede rechtvaardigheid duidt op een compromis. Hoe dat zo?
Als twee boten elkaar op de rivier tegenkomen en ze allebei tegelijk willen passeren zullen allebei zinken.
Als er een ruimte maakt voor de ander kunnen ze beiden verder.
Evenzo als twee kamelen elkaar ontmoeten bij het beklimmen van de helling naar Beth Horon.
Als ze beiden tegelijk willen klimmen, zullen ze vallen. Maar als de een na de ander klimt, kunnen ze beiden veilig naar boven. Hoe moet dat dan? Als de één is beladen en de ander onbeladen, moet de laatste de een voor laten gaan. Als de één dichter bij huis is dan de ander, moet de eerste de laatste voor laten gaan. Als ze allebei even ver van huis zijn, maak dan een compromis, waarbij degene die voorgaat de ander compenseert."

Wat deze passage onder meer goed illustreert is dat rechtvaardigheid een essentiële waarde is, die zijn oorsprong vindt in de menselijke ontmoeting. Rechtvaardigheid ontstaat in relatie en maakt haar ook mogelijk.
De kapiteins op de twee boten en de twee kamelendrijvers kunnen of alleen vóór zich zelf gaan of oog hebben voor elkaars belang. Ze moeten elkaar letterlijk in de ogen hebben gezien en hebben gesproken en misschien hebben ze een gebaar gemaakt, signalen gewisself; ze hebben iets afgesproken.
Allang geleden is ons samenleven geformaliseerd in een sociaal contract en een rechtssysteem, maar daar houdt het natuurlijk niet op; ook daarbuiten ons is ons samenleven doortokken van de opdracht rechtvaardigheid na te streven.

Zonder rechtvaardigheid kan het samenleven met elkaar niet bestaan, veilig zijn en niet tot bloei komen. Rechtvaardigheid heft ons op uit het geweld, de anarchie, de willekeur, de chaos, in zekere zin de hel zou je kunnen zeggen.
Misschien kunnen we meegaan met Levinas en ik waag mijn poging tot begrip van deze moeilijke maar essentiële en intense Joodse filosoof onder deze woorden te vatten:
Rechtvaardigheid gaat vooraf aan alle filosofie en wetenschap; het is niet het product van rationeel overleg of de conclusie van een gedegen sociale analyse. Het gaat daar aan vooraf. Als ik afzie van mijn vruchteloze pogingen de wereld en de ander te domineren, te manipuleren en te controleren dan komt de rechtvaardigheid mij tegemoet uit het gelaat van mijn naaste als een onontkoombaar appel, zeg maar een gebod.
Daar - op dat tussenmenselijke veld - begint het uiteindelijk allemaal.

Zoiets bespeur ik ook in de woorden Tsedek, Tsedek, die herhaling maakt deze uitspraak ook tot een dringend appel, zo moeten we het denk ik ook opvatten. Streef rechtvaardigheid na bóven alles. Als een van de weinige geboden vermeldt de uitspraak in Dewariem meteen een positieve consequentie, zeg maar voor het moment even: een beloning: zodat je zal leven en het land zal bezitten.
Als we het appel van de rechtvaardigheid niet horen, zal het uiteindelijk uitlopen op ontworteling, vervreemding, ontheemding, geweld, oorlog. En dat misschien van het meest innerlijke, persoonlijke niveau tot het maatschappelijke, zelfs internationale en mondiale niveau. Het geldt voor onze relaties, onze familie, voor Nederland, voor Israël, voor de wereld.

Ik kwam dit vers van Jesaja (32, 17-18) tegen, dat een gelijke strekking heeft alleen met een meer profetische, zeg maar utopische aankleding:

"Het gevolg van rechtvaardigheid zal vrede zijn en de uitwerking van rechtvaardigheid zal rust zijn en vrede voor altijd. En mijn volk zal wonen in oorden van vrede en in veilige woningen en op onbekommerde rustplaatsen."

Moge dat zo zijn en worden



Voorpublicatie uit REIZEN DOOR DE TORA , DEEL II,
LEVITICUS, NUMERI EN DEUTERONOMIUM:

Parasjat Reëe Devariem /Deuteronomium 11:26–16:17ë

Vlees 

De aanwijzing van Jeruzalem als enige plaats voor het brengen van offers, het aanbieden van eerstelingen, het vieren van de heilige feesten etc. bracht een moeilijkheid met zich mee, die moest worden opgelost: hoe het slachten van dieren voor de vleesconsumptie te regelen. Want tijdens de reis door de woestijn was het eten van vlees altijd verbonden met de offers van gewijde dieren. Wilde men vlees eten, dan moest een dier ter wijding aan de priesters worden aangeboden, die het dan slachtten,  offerden en dan hun deel kregen. Daarna kon de familie pas aan het eten van hun deel beginnen. Maar nu de offers alleen in Jeruzalem plaatsvinden wonen velen te ver om deze procedure te volgen en deze mensen krijgen dispensatie: Wanneer de Ene, uw God, uw gebied ruim gemaakt heeft, zoals Hij tot u gesproken heeft, en u zegt: Ik wil vlees eten, omdat uw ziel ernaar verlangt om vlees te eten, dan mag u naar het volle verlangen van uw ziel vlees eten(Devariem/Deuteronomium 12: 20 ev). 

Het is interessant hoe de mysticus Rav Kook ( Rabbi Abraham Isaac Hakohen Kook (1865-1935) deze passage heeft opgevat. Hij hoorde namelijk in de wijze van formulering van deze zinsneden een licht verwijt doorklinken; met enige tegenzin stond de Ene het eten van vlees toe. Dit was een concessie aan de mensen gedaan om erger bloedvergieten onder elkaar te voorkomen. Oorspronkelijk was de mens vegetariër, immers er staat in Beresjet/Genesis 1: 29 ev:   En God zei: Zie Ik geef u al het zaaddragende gewas dat op heel de aarde is, en alle bomen waaraan zaaddragende boomvruchten zijn; dat zal u tot voedsel dienen; twee verzen later verklaart Hij dat al wat Hij geschapen had ‘zeer goed was ' (Beresjet/Genesis 1:30). Vegetariër zijn is dus spiritueel gezien de hoogste trede in de menselijke ontwikkeling. Maar sinds Noach konden de mensen die spirituele volmaaktheid niet meer opbrengen en hun verlangen naar vlees niet bedwingen. Daarom werd het in beperkte mate toegestaan (Beresjet/Genesis 9:3-5). Het eten van vlees is een neiging, die Rav Kook als negatief betitelt, maar die nu eenmaal moeilijk te bedwingen is. Vandaar dat de Schepper het eten van vlees heeft toegestaan. De mensen konden de energie, die het kostte om het verlangen naar vlees eronder te houden, beter besteden aan het verbeteren van de onderlinge relaties van mens tot mens. Echter, de ontheffing  betreft een tijdelijke maatregel! ‘De ontwikkeling van dynamische idealen zal niet voor altijd geblokkeerd zijn. Door algemene morele en intellectuele v ooruitgang (…)zal het latente streven naar rechtvaardigheid voor het dierenrijk doorbreken, wanneer de tijd rijp is', aldus de Rav. (1) Uiteindelijk is vegetarisme het uiteindelijke ideaal, dat de Messiaanse tijd zal kenmerken. Zelfs de dieren zullen dan een vegetarisch bewustzijn bereiken, zoals Jesjajahoe voorspelt in hoofdstuk 11: 

‘6   Een wolf zal bij een lam verblijven, 
een luipaard bij een geitenbok neerliggen, 
een kalf, een jonge leeuw en gemest vee zullen bij elkaar zijn, 
een kleine jongen zal ze drijven. 
7 Koe en berin zullen samen weiden, 
hun jongen zullen bij elkaar neerliggen. 
Een leeuw zal stro eten als het rund.' (2)

Overigens waarschuwde de rabbi tegen een al te radicaal vegetarisme, dat het gevaar inhield, dat de aanhanger te zeer los zou komen te staan van de nu eenmaal onvolmaakte wereld. Om zich zelf eraan te herinneren, dat de Messiaanse tijd nog niet was gekomen at Rav Kook, die verder vegetarisch leefde, op sjabbat een kippetje! 
De dispensatie ten aanzien van het eten van vlees is overigens niet grenzeloos. De slachtvoorschriften ( sjechieta ) en de voorschriften over welke dieren gegeten mogen worden en welke niet en onder welke voorwaarden het vlees moet worden bereid ( kasjroet ) dienen ertoe om de geest bewust te laten blijven van het voedsel, dat men eet en zullen , naar Rav Kook hoopt, ooit de motivatie te bevorderen om het vlees van het menu te schrappen. 

Naast messiaans-spirituele overwegingen zijn er ook argumenten van heel andere aard die oproepen om het eten van vlees te stoppen of in ieder geval te minderen. Het zijn argumenten van materiële en ecologische aard, die uiteindelijk ook zeker een ethische en zelfs spiritueel te noemen strekking hebben. Want het eten van vlees kost te veel , put de aarde uit en brengt de voorziening van voedsel aan de wereldbevolking in gevaar. 
De productie van vlees gaat gepaard met het verbruik van heel wat natuurlijke rijkdommen : Om een kilo vlees te produceren is evenveel tijd en evenveel ruimte (dus oppervlakte grond) nodig als om 160 kg aardappelen te telen. Met de hoeveelheid water die nodig is om een kilo rundvlees te produceren, zou je een jaar lang elke dag een douche kunnen nemen. Voor elke kilo rundvlees die op je bord terechtkomt, werd 7 liter benzine verbruikt. Wat de klimaatopwarming betreft: de productie van een kilo rundvlees brengt bijna 80 keer meer broeikasgassen voort dan een kilo tarwe. Dit komt overeen met een afstand van 60 km die wordt afgelegd met de wagen.(3)
Het geeft mij altijd wel voldoening als ik zie, dat bepalingen uit de Tora in combinatie met (spirituele) uitleg inzichten opleveren, die in een andere moderne vorm opduiken in wetenschappen als bijvoorbeeld sociologie, psychologie en ecologie. De rationele en materiële buitenkant van het weten is ingebed in een onafzienbare bedding van intuïtieve spirituele kennis. 

(1) geciteerd door Nechama Leibowitz, uit Tallelei Orot ‘Dauwdruppels van Licht'
(2) Het zo aansprekende beeld van de vreedzame leeuw die stro eet en naast het lam ligt treft mij tegelijk door tegensprakigheid in zoverre de essentie van de leeuw juist is dat hij een jager op wild is en lammeren eet. De mutatie naar een stroëter lijkt hem tot een wezenloos dier te maken.
(3) gegevens vermeld op http://documentatie.leefmilieubrussel.be. 

Parashat Reëe Deuteronomium / Dewarim 11:26–16:17 .
Zegen en vloek

Kort overzicht

Het begin van de parashat Re'é (‘Zie, besef') luidt een derde deel in van de grote laatste rede van de oude leider. Moshé houdt het vergaderde volk de grote keuze voor: Enerzijds de zegen, als het volk de geboden volgt en met name geen afgoden dient. Anderzijds is er de vloek als het volk afdwaalt van de geboden. Verder gaat de parasha over de centralisatie van de eredienst op één plaats (dat werd Jeruzalem), bepalingen rond slachten en vlees eten, tienden, de valse profeet ( navi sheker ), het shemieta-jaar, de vrijlating van de slaaf, het ten offer aanbieden van de eerstgeborenen van de kudde en ook de drie pelgrimsfeesten (Pesach, Shawoeot en Soekot) passeren weer de revue.

Is de zegen een beloning achteraf of een gegeven toestand vooraf?

De parasha begint met de grote keuze: (Dewarim 11:26-28 ) Zie, ik houd u heden zegen en vloek voor: de zegen, als jullie luisteren naar de geboden van de Ene, jullie God, die ik jullie heden gebied; de vloek, als jullie niet luisteren naar de geboden van de Ene, jullie God, en van de weg die ik jullie heden gebied, afwijken om achter andere goden aan te gaan, die jullie niet kennen. De mens heeft een vrije wil, impliceren deze woorden. Wie luistert naar de geboden en ze in praktijk brengt wordt de zegen beloofd en wie niet luistert, roept de vloek over zich af. De keuze is aan de mens.

De rabbijnse uitleg van deze tekst weet nog een belangrijke verduidelijking aan te brengen over de vraag of de wereld aanvankelijk slecht is en verlost moet worden door 's mensen goede daden of dat de wereld aanvankelijk goed is en dat ongeluk en ellende door de daden van mensen in de wereld worden gebracht. (1) Voor die uitleg moeten we in het Hebreeuws duiken en ik nodig je graag uit daar even voor een keer mee te gaan. We zullen zien, hoe twee voegwoorden – en hun vertaling - een groot verschil kunnen maken. We gaan naar de regels 27 en 28: de zegen, als als jullie luisteren naar de geboden van de Ene, jullie God, die ik jullie heden gebied; de vloek, als jullie niet luisteren naar de geboden van de Ene, jullie God, etc Wat de tekstlezers is opgevallen is dat het woordje ‘als' in deze regels in het Hebreeuws twee verschillende woorden zijn. Het eerste als is in het Hebreeuws ‘ asher ', dat eigenlijk gewoon ‘dat' betekent, het tweede als is in het Hebreeuws ‘ im ', dat ‘indien' betekent.
Heeft dat verschil enige betekenis?
De 19e eeuwse commentator Malbim (2) vindt dat inderdaad en hij legt uit, dat "Een zegen, dat je gehoorzaamt”, inhoudt dat juist die gehoorzaamheid aan het goddelijke voorschrift alleen al de zegen uitmaakt. ‘Denk niet', zegt deze leraar, ‘dat er een beloning in deze wereld bestaat buiten de daad zelf. Het lijkt niet op de meester die zijn slaaf beloont voor zijn trouw en straft voor zijn ongehoorzaamheid, zodat het loon van de slaaf afhangt van de grillen van zijn meester en niet in de handeling zelf zit. Het lijkt meer op de dokter, die zijn patiënt verzekert, dat het goed met hem zal gaan, zolang hij zich houdt aan het voorgeschreven regime en dat hij anders zal sterven. De gevolgen liggen besloten in de daad zelf'.
Het indien van ‘im' bij de vloek is veel voorwaardelijker gesteld. Het ‘asher' bij de zegen is niet zozeer voorwaardelijk maar meer een feit.

Deze duiding wordt ondersteund door de korte verhelderende opmerking van de middeleeuwse bijbelcommentator Rashi (3) bij die tekst over de zegen, ‘een zegen, dat je gehoorzaamt' noteert: Et ha-beracha: al menat asher tisjme'oe . Wat ongeveer neerkomt op: ‘De zegen: op grond van dat zij luisteren'
Hoe zou je al menat kunnen vertalen? Misschien met ‘on account of' of in het Nederlands ‘op grond van' of ‘in verband met'
Dat betekent, dat je aan het ‘on account of 'of het ‘op grond van' een terugwerkende kracht kan toekennen. Vergelijk enerzijds : ‘Ik betaal je uit, indien je een bepaalde taak hebt verricht' betekent een verplichting tot uitbetaling achteraf, na de gedane taak. En anderzijds : ‘Ik betaal je uit op grond van – of in verband met – een taak die je voor mij verricht', dat kan betekenen, dat ik verplicht ben je vooraf te betalen.
Nu komen we weer terug op ‘Een zegen, dat je gehoorzaamt'. Door de verfijning van het woord ‘asher' (‘dat, op grond van') kunnen we het zo interpreteren, dat die zegen de mens al gegeven is voordat hij zijn gehoorzaamheid aan de Goddelijke richtlijnen heeft vervuld.
Want de wereld is gegrond op divine genade. (4) Aan het einde van de scheppingsdagen ‘zag de Eeuwige alles wat Hij had gemaakt en zie, het was heel goed' (Bereshiet 1:31).
Die wereld werd aan de mens geschonken om ervan te genieten en om er te leven volgens de hem gegeven richtlijnen. De vloek – de rampen, oorlogen, misstanden, ellende - komen achteraf als nasleep van de afdwaling van de mens. Eenvoudig een kwestie van oorzaak en gevolg.
Dat betekent, dat de wereld niet van nature vol ongeluk en ellende is. Het goede van de wereld is de oorsprong en die oorspronkelijke goedheid is niet verloren gegaan maar ligt in principe voor de mensen klaar en kan weer worden teruggebracht. Het ongeluk, de ellende en de lelijkheid zijn het gevolg van menselijk toedoen, het is de vloek, ‘indien jullie niet luisteren naar de geboden van de Ene, jullie God, en van de weg die ik jullie heden gebied'.
Zoals wij zingen in de eerste voorbede van het dagelijkse ochtendgebed, het Shema: ‘Hoe talrijk zijn uw werken, Eeuwige; Alles hebt u met wijsheid gemaakt' (psalm 104: 24) Ma raboe ma'asecha, Hashem, koelam be-chochma asita.

noten

(1) Richtlijn voor dit commentaar is geweest het commentaar van Nechama Leibowitz of haar Studies in Devarim, WZO, 1980
(2) De Malbim : Meïr Leibush ben Jechiel Michel Wisser (1809 –1879), bekend onder het acronym Malbim, was een specialist in de Hebreeuwse grammatica en bijbel commentator
(3) Rashi, Rabbi Shlomo Yitzchaki, bekend onder zijn acronym Rashi (Februari 22, 1040 – Juli 13, 1105), was een middeleeuwse rabbijn en commentator van Tora en Talmoed en als zodanig hogelijk gewaardeerd
(4) Rabbi Jochanan
(overleden plm. 279), een rabbijn in de eerste jaren van de Talmoed, komt met deze zin uit de klaagliederen (3:38): Uit de mond van de Allerhoogste komt niet het kwaad noch het goede en noteert: ‘maar het kwade komt uit zichzelf naar de mens die kwaad doet en het goede naar de mens die goed doet'. Dat gaat meer in de richting van een amorele voorwereld. Het is mijn persoonlijke overtuiging dat we niet blanco ter wereld komen. We zijn geen tabula rasa. We zijn ook niet gepredestineerd. En evenmin inherent slecht of goed. Wel is in ons ieder geplant het zaad van het verlangen naar het goede, dat wil zeggen een verlangen naar ontplooiing van onze competentie en van ontvouwing van het primaire verlangen om – ieder op zijn specifieke manier – goed te doen aan medemens, groep en samenleving. Dit is voor mij de jetser ha-tov . Geleidelijk ontkiemt zich – natuurlijk in een relationeel proces met ouders, omgeving – het zaad van de jetser ha-tov. Natuurlijk worden daarbij vele hindernissen ondervonden. Sprookjes, mythen en ook de aggadische vertellingen uit Tora, Talmoed en midrash zijn daar vol van. De reis van het leven gaat soms door barre landen.

Parashat Re'é Deuteronomium / Dewarim 11:26–16:17.
Vlees

Kort overzicht

Het begin van de parashat Re'é (Zie, besef) luidt een derde deel in van de grote laatste rede van de oude leider. Het begint met de grote keuze: (Dewarim 11:26, 27 ) Zie, ik houd u heden zegen en vloek voor: de zegen, als u luistert naar de geboden van de Ene, uw God, die ik u heden gebied; 28 de vloek, als u niet luistert naar de geboden van de Ene, uw God, en van de weg die ik u heden gebied, afwijkt om achter andere goden aan te gaan, die u niet gekend hebt.
De mens heeft een vrije wil, impliceeren deze woorden. Wie luistert naar de geboden en ze in praktijk brengt wordt de zegen beloofd en wie niet luistert, roept de vloek over zich af. De keuze is aan de mens. Elders ben ik op die vrije wil verder ingegaan. Zie hier en hier . Verder gaat de parasha over de centralisatie van de eredienst in Jeuzalem, bepalingen rond slachten en vlees eten, tienden, de valse profeet ( navi sheker ), het shemieta-jaar, de vrijlating van de slaaf, het ter offer aanbieden van de eerstgeborenen van de kudde en ook de drie pelgrimsfeesten (Pesach, Shawoeot en Soekot) passeren weer de revue.

Jeruzalem

In hoofdstuk 12 in pasoek (vers) 11 e.v. wordt verordonneerd, dat, als het volk zich heeft gesetteld in het beloofde land er één plaats moet zijn voor de eredienst Dan zal daar de plaats zijn die de Ene, uw God, zal uitkiezen om Zijn Naam daar te laten wonen. Daarheen moet u alles brengen wat ik u gebied: uw brandoffers, uw slachtoffers, uw tienden, de hefoffers uit uw hand en heel de keur van uw gelofteoffers die u de Ene belooft .
Veel van de bepalingen in Dewarim worden ook al eerder elders , soms in wat kortere soms in uitgebreidere vorm behandeld, maar deze centralisering van de eredienst op één plaats is uniek voor dit bijbelboek. Hoewel de stad nergens in Dewarim of ook de andere Mozaïsche boeken met name wordt genoemd, wordt met de plaats natuurlijk Jeruzalem bedoeld. Bijbelhistorici brengen dit in verband met de zuivering door de vrome koning Joshiahoe, die beval, dat overal in het land alle vaak afgodische altaren en dubieuze plaatsen van verering moesten worden vernietigd en dat de offers en de feesten alleen in Jeruzalem zouden mogen plaatsvinden. Misschien heeft hij deze centralisatiebepaling laten invlechten in de geschriften om aldus deze aanwijzing van Jeruzalem meer gezag te verlenen. Die geschriften zijn misschien de boekrol geweest, die tijdens de restauratie van de tempel werd gevonden: Toen zei de hogepriester Hilkia tegen de schrijver Safan: Ik heb het wetboek in het huis van de HEERE gevonden. Hilkia gaf die boek rol aan Safan, en die las het etc. (2 Melachim 22: 8 ev}. De geleerden veronderstellen, dat dit de oertekst van Deuteronomium is geweest of een voorloper daarvan.

vlees

De aanwijzing van Jeruzalem als enige plaats voor offers, aanbieden van eerstelingen, de heilige feesten etc. bracht een moeilijkheid met zich mee, die moest worden opgelost: het slachten van dieren voor de vleesconsumptie. Want tijdens de reis door de woestijn was het eten van vlees altijd verbonden met de offers van gewijde dieren. Wilde men vlees eten, dan moest een dier ter wijding aan de priesters worden aangeboden, die het dan slachtten en offerden en dan hun deel kregen. Daarna kon de familie pas aan het eten van hun deel beginnen. Maar nu de offers alleen in Jeruzalem plaatsvinden wonen velen te ver om deze procedure te volgen en deze mensen krijgen dispensatie: Wanneer de Ene, uw God, uw gebied ruim gemaakt heeft, zoals Hij tot u gesproken heeft, en u zegt: Ik wil vlees eten, omdat uw ziel ernaar verlangt om vlees te eten, dan mag u naar het volle verlangen van uw ziel vlees eten (Dew. 112: 20 ev).

Het is interessant hoe de mysticus Rav Kook ( Rabbi Abraham Isaac Hakohen Kook (1865-1935) deze passage heeft opgevat. Hij hoorde namelijk in de wijze van formulering van deze zinsneden een licht verwijt doorklinken; met enige tegenzin stond de Ene het eten van vlees toe. Dit was een concessie aan de mensen gedaan om erger bloedvergieten onder elkaar te voorkomen. Oorspronkelijk was de mens vegetariër, immers er staat in Genesis:   En God zei: Zie Ik geef u al het zaaddragende gewas dat op heel de aarde is, en alle bomen waaraan zaaddragende boomvruchten zijn; dat zal u tot voedsel dienen . (Ber. 1: 29) en twee verzen later verklaart Hij dat al wat Hij geschapen had ‘ zeer goed was ' (Ber. 1:30). Vegetariër zijn is dus spiritueel gezien de hoogste trede in de menselijke ontwikkeling. Maar sinds Noach konden de mensen die spirituele volmaaktheid niet meer opbrengen en hun verlangen naar vlees niet bedwingen. Daarom werd het in beperkte mate toegestaan (Ber. 9:3-5). Het eten van vlees is een neiging, die Rav Kook als negatief betitelt, maar die nu eenmaal moeilijk te bedwingen is. Vandaar dat de Schepper het eten van vlees heeft toegestaan. De mensen konden de energie, die het kostte om het verlangen naar vlees eronder te houden, beter besteden aan het verbeteren van de onderlinge relaties van mens tot mens. Echter, het betreft hier een tijdelijke maatregel! ‘ De ontwikkeling van dynamische idealen zal niet voor altijd geblokkeerd zijn. Door algemene morele en intellectuele v ooruitgang (…)zal het latente streven naar rechtvaardigheid voor het dierenrijk doorbreken, wanneer de tijd rijp is ', aldus de Rav (geciteerd door Nechama Leibowitz uit ‘Tallelei Orot' Dauwdruppels van Licht). Uiteindelijk is vegetarisme het uiteindelijke ideaal, dat de Messiaanse tijd zal kenmerken. Zelfs de dieren zullen dan een vegetarisch bewustzijn bereiken, zoals Jesjajahoe voorspelt in hoofdstuk 11:
6   Een wolf zal bij een lam verblijven,
een luipaard bij een geitenbok neerliggen,
een kalf, een jonge leeuw en gemest vee zullen bij elkaar zijn,
een kleine jongen zal ze drijven.
7 Koe en berin zullen samen weiden,
hun jongen zullen bij elkaar neerliggen.
Een leeuw zal stro eten als het rund.
Overigens waarschuwde de rabbi tegen een al te radicaal vegetarisme, dat het gevaar inhield, dat de aanhanger te zeer los zou komen te staan van de nu eenmaal onvolmaakte wereld. Om zich zelf eraan te herinneren, dat de Messiaanse tijd nog niet was gekomen at Rav Kook, die verder vegetarisch leefde, op shabbat een kippetje!
De dispensatie ten aanzien van het eten van vlees is overigens niet grenzeloos. De slachtvoorschriften ( shechieta ) en de voorschriften over welke dieren gegeten mogen worden en welke niet en onder welke voorwaarden het vlees moet worden bereid ( kashroet ) dienen ertoe om de geest bewust te laten blijven van het voedsel, dat men eet en zullen , naar Rav Kook hoopt, ooit de motivatie te bevorderen het vlees van het menu te schrappen.

Naast messiaans-spirituele overwegingen zijn er ook argumenten van heel andere aard die oproepen om het eten van vlees te stoppen of in ieder geval te minderen. Het zijn argumenten van materiële en ecologische aard, die uiteindelijk ook zeker een ethische en zelfs spiritueel te noemen strekking hebben. Want het eten van vlees kost te veel , put de aarde uit en brengt de voorziening van voedsel aan de wereldbevolking in gevaar.
De productie van vlees gaat gepaard met het verbruik van heel wat natuurlijke rijkdommen : Om een kilo vlees te produceren is evenveel tijd en evenveel ruimte (dus oppervlakte grond) nodig als om 160 kg aardappelen te telen. Met de hoeveelheid water die nodig is om een kilo rundvlees te produceren, zou u een jaar lang elke dag een douche kunnen nemen. Voor elke kilo rundvlees die op uw bord terechtkomt, werd 7 liter benzine verbruikt. Wat de klimaatopwarming betreft : de productie van een kilo rundvlees brengt bijna 80 keer meer broeikasgassen voort dan een kilo tarwe. Dit komt overeen met een afstand van 60 km die wordt afgelegd met de wagen. (gegevens vermeld op http://documentatie.leefmilieubrussel.be/ ).

Het geeft mij altijd wel voldoening als ik zie, dat bepalingen uit de Tora in combinatie met (spirituele) uitleg inzichten opleveren, die in een andere moderne vorm opduiken in wetenschappen als bijvoorbeeld sociologie, psychologie en ecologie. De rationele en materiële buitenkant van het weten is ingebed in een onafzienbare bedding van intuïtieve spirituele kennis.

RC aug. 2014

Parashat Re'é Deuteronomium / Dewarim 11:26–16:17.

In deze parsje houdt Mosjé het vergaderde volk de keuze voor:

Enerzijds de zegen, als het volk de geboden volgt en met name geen afgoden dient. Dan volgen in dit hoofdstuk vele voorschriften, die de afgodendienst betreffen en de sancties daarop, maar ook de kasjroetvoorschriften worden weer genoemd, evenals de regels omtrent het sjmita-jaar en ook de drie pelgrimsfeesten passeren de revue en nog vele andere voorschriften, in deze en de andere parashot.

Anderzijds is er de vloek als het volk afdwaalt van de geboden. Uitgebreid zijn de meest wrede schilderingen – van ziekten, onderdrukking, marteling, natuurrampen, verbanning - te lezen in de parasja Ki Tavo.
De zegen wordt gelijkgesteld met leven en de vloek met dood (Deut. 30:19).

Om mijn commentaar vorm te geven over deze passages moet ik met mijzelf – en met jullie als je wilt – een aantal denkstappen ondernemen.

Stap één gaat over hoe de schepper in woorden te benaderen, in woorden die mij voor even kunnen helpen. Want woorden schieten per definitie te kort. De Schepper is de grootst (on)denkbare dimensie die het geschapene heeft opgeroepen en omvattend en scheppend doordraagt in een proces van welks doel wij geen notie hebben. Zodra de Schepper dit dragen een nanoseconde niet doet is er geen geschapene. In deze hoedanigheid is de schepper voor ons mensen het volstrekt andere, hij is transcendent. Een persoonlijk voornaamwoord (hij, zij, het) doet al af aan zijn onmetelijke en onpersoonlijke oneindigheid. Hij is voor ons onzichtbaar achter de gemanifesteerde wereld verborgen.

Wij mensen vragen echter een ‘gezicht', we zoeken een doorgang naar de transcendentie en roepen de vorm te hulp. We zoeken het gezicht van de Schepper.
We trachten aan het transcendente te raken en ons voorrecht als mensen is dat we dat af en toe kunnen. Omdat de Schepper in het proces van scheppen is verwikkeld en betrokken (zich erin ‘geïnvesteerd' heeft), zijn er tekenen van zijn doorstraling te vinden.

Wij mensen zijn zo geschapen dat wij die tekenen kunnen ontwaren. We kunnen in de schepping die kant zien die de schepper naar ons toegewend heeft, zijn ‘gezicht', dat echter alleen gelezen kan worden – uiteraard – met menselijke middelen.  
Dit gezicht is voor het Joodse volk een Joods gezicht.
Aan andere volken en andere groepen heeft hij een ander gezicht getoond, dat andere trekken vertoonde. Ook hier zijn goede en wijze zaken uit voortgevloeid evenals duistere.
Maar zoals alle gezichten toch gezichten zijn, omdat ze de constituerende kenmerken vertonen, die ze tot gezicht maken, kunnen we misschien nu en in de toekomst steeds meer het universele in al die gezichten zien.  

Als mensen trachten wij het gezicht van de Schepper te lezen met menselijke middelen, dat kan uiteraard niet anders.
Dit lezen heeft vele vormen en één van die vormen is het luisteren naar de openbarende stem die daalt in het innerlijk. Een ander middel is het geschonken zicht op wat achter de dingen schuilt. Omdat het lezen gebeurt met de beperkte en eindige middelen (het oor en het oog in de meest uitgebreide en ook metaforische zin) is de perceptie van de Schepper en Zijn wil per definitie onvolmaakt. Vele grillige vervormingen doen zich voor, beïnvloed door de beperkingen van ons bevattingsvermogen, de materialiteit van ons waarnemingsvermogen, de gelocaliseerdheid op plaats en in cultuur en tijd, de begeerten van het ego, de psychologische geschiedenis in groep en gezin en vele andere factoren.
Wel lijkt er een soort evolutie ingebouwd in de schepselen inzake de gradatie van helderheid van die perceptie.

Met name vijfendertighonderd, drieduizend jaar geleden werden trekken van de Schepper helderder gezien door Joden, te beginnen met Abraham. Gezien werd dat er één scheppend principe is en dat die Schepper één is en niet gelocaliseerd kan worden in stoffelijke objecten (afgoden, magie). Daarnaast werd verstaan dat met de Schepper intrinsiek een opgave verbonden is om met elkaar om te gaan op een zorgvolle, rechtvaardige en liefdevolle manier en niet vanuit louter egoïstische of instinctieve impulsen. De kern ervan werd vastgelegd in de meerduidige tekens van het woord, in de taal en het idioom van die tijd.

Deze wonderbaarlijke en revolutionaire onthullingen werden begrepen in de specifiek Joodse vormen en werden ingebed in de cultuur van die tijd, waarvan de typische taal, de vele rituele voorschriften (b.v. de dierenoffers), de sociaal-culturele voorschriften (b.v. rond man-vrouw verhoudingen) getuigen. De essentie staat majestueus overeind in  
de Tien Uitspraken en vele andere uitspraken (b.v. in Leviticus 19), die de historische en sociaalculturele context hebben ontstegen; het is de grote gift van het Jodendom aan de mensheid, doorklinkend in het beste deel van het Christendom en in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.

Het is die essentie van zorg, rechtvaardigheid en liefdevolheid voor de medemensen, die, als hij in de samenleving regel is en geen uitzondering, welzijn en voorspoed garandeert; als dit geen regel is dan is de kiem gelegd voor anarchie, geweld, vernietiging en oorlog. Dat is - denk ik - de essentie van de keuze die in deze parasja wordt voorgelegd. De rampen brengt de Eeuwige niet eigenhandig over de mensen, daar zorgen ze zelf voor.
De geschiedenis van het Joodse volk laat een dramatische worsteling zien met de grote inzichten die het ten deel is gevallen en de keuze die hen steeds wordt voorgehouden.  
Maar geldt de grote keuze in zijn kernachtige inhoud niet voor alle mensen, Joden of niet-Joden? Israël is in die zin een paradigma voor de mensheid als geheel.

De specifieke vormen van de voorschriften, wier precieze nakoming ook in vorm en detail wordt geëist, zijn alleen van belang als ze de realisatie van de essentiële inhoud dienen; iedere generatie heeft het recht die sociaal-culturele vormen en versieringen te toetsen, te waarderen en eventueel te veranderen of weg te laten. Traditie en geaccepteerd leiderschap zijn daarbij onmisbaar.
De panische angst om de vorm-details gedetailleerd op te vatten en uit te voeren kan het zicht op de essentie verduisteren en de rampzalige verdeeldheid onder mensen, die het heil zoeken, alleen maar bevorderen.


Parasha Re'é
goed, kwaad en vrijheid. Deuteronomium / Dewarim 7:12–11:25

Parasha Re'é begint aldus:
(Dewarim 11:26 ) Zie, ik houd u heden zegen en vloek voor: 27 de zegen, als u luistert naar de geboden van de Ene, uw God, die ik u heden gebied; 28 de vloek, als u niet luistert naar de geboden van de Ene, uw God, en van de weg die ik u heden gebied, afwijkt om achter andere goden aan te gaan, die u niet gekend hebt.

In deze passages komen een aantal wezenlijke vragen aan de orde.
Aan de hand van het commentaar van Nechama Leibowitz kunnen we kijken wat uit deze paar woorden is af te leiden over wezenlijke vragen als.

Is er een vrije wil?.
De vraag in religieuze bewoordingen: Heeft God het kwaad geschapen?
De vraag in seculiere termenr: Bestaat het kwaad van nature in de wereld?


De passage spreekt zich omomwonden uit: de mens heeft een vrije wil. Wie luistert naar de geboden en ze in praktijk brengt wordt de zegen beloofd en wie niet luistert, roept de vloek over zich af. De keuze is aan de mens.

Leibowitz haalt nu de midrash aan, waar R. Eliezer de beginwoorden ‘Zie, ik houd u heden zegen en vloek voor' in verband brengt met klaagliederen 3:38, waar de profeet zich uitspreekt over de rol van de Allerhoogste in het creeeren van het goede en kwade daden.
Wat staat daar?
Als we in de Nederlandse vertaling van de Herziene Statenvertaling kijken staat er:
HSV Klaagliederen:3:38 Komt niet uit de mond van de Allerhoogste voort het kwade en het goede? 39 Wat klaagt dan een mens die leeft? Laat ieder klagen over zijn zonden!

Dat lijkt onomwonden te kiezen voor een actief opperwezen in de toedeling van goed en kwaad.
Maar in het Hebreeuws is de eerste zin ook te lezen - niet als een vraag – als een statement, en dat maakt een wereld van verschil. En zo vatten vele joodse uitleggers het ook op:
Eicha:3: 38 Uit de mond van de Allerhoogste komt niet het kwaad (eigenlijk ha-ra'ot = de kwade zaken) noch het goede. 39. Waarover zou een levend mens moeten klagen? Een kerel over zijn zonden.

Rashi in zijn commentaar op deze regels blijft vinden, dat zowel goede gebeurtenissen als kwade toch gebeuren op instigatie van de Eeuwige maar hij vermeldt ook de uitleg van Rabbi Jochanan:

Naar aanleiding van de uitspraak in Dewarim 30:15: Besef goed, vandaag stel ik u voor de keuze tussen voorspoed en tegenspoed, tussen leven en dood. 16  Wanneer u zich houdt aan de geboden van de Allerhoogste , uw God etc . – vergelijkbaar met de uitspraak, waarmee deze parasha Re'é begint – komt rabbi Jochanan ook met deze zin uit de klaagliederen: “ Uit de mond van de Allerhoogste komt niet het kwaad noch het goede. .,” en noteert: maar het kwade komt uit zichzelf naar de mens die kwaad doet en het goede naar de mens die goed doet.

Daar schets deze Talmoedrabbijn eveneens de mens die een grote mate van vrijheid geniet om zijn keuze in goede of verkeerde richting te maken.
Interessant is nog een commentaar uit de 19 e eeuw - Ha'amek Davar – , dat n.a.v deze passage uit Klaagliederen toevoegt
Waarom staat er ‘ ra'ot – dus meervoud: kwade zaken – en niet gewoon ha-ra , het kwaad, terwijl er wel staat ha-tov , het goede? Omdat “de Almachtige in zijn overvloedige genade zijn schepselen voorziet van het goede nog voor de daad, als een prikkel om goede daden te doen. Daarom komt er maar één goedheid vanuit de Allerhoogste, terwijl straf en ontberingen niet van Hem komen, maar de mens overvallen in relatie met zijn daden en verkeerde handelingen”.

Is het goede een beloning achteraf of is het er al en kan je het verliezen?

Deze opvatting, dat het goede er al is en het kwaad een zaak van de mensen is ook uit de tekst van deze beginregels van de parasha Re'é zelf te halen Ook hiervoor moeten we een beetje in het hebreeuws duiken.
Wat de tekstlezers is opgevallen is dat in de regels
27 de zegen, als u luistert naar de geboden van de Ene, uw God, die ik u heden gebied; 28 de vloek, als u niet luistert naar de geboden van de Ene, uw God, etc

het woordje ‘als' in het Hebreeuws twee verschillende woorden zijn. Het eerste als is in het Hebreeus ‘ asher ', dat eigenlijk gewoon ‘dat' betekent, het tweede als is in het Hebreeuws ‘ im ', dat ‘indien' betekent.

Heeft dat verschil enige betekenis?
De grammaticaal gespecialiseerde 19 e eeuwse commentator Malbim vind dat inderdaad en hij legt uit:

"Een zegen, dat je gehoorzaamt”, dat houdt in dat juist die gehoorzaamheid aan het goddelijke alleen al de zegen uitmaakt. Denk niet dat er een beloning in deze wereld bestaat buiten de daad zelf. Het lijkt niet op de meester die zijn slaaf beloont voor zijn trouw en straft voor zijn ongehoorzaamheid, zodat het loon van de slaaf afhangt van de grillen van zijn meester en niet in de handeling zelf zit. Het lijkt meer op de dokter, die zijn patiënt verzekert, dat het goed met hem zal gaan, zolang hij zich houdt aan het voorgeschreven regime en dat hij anders zal sterven. De gevolgen liggen besloten in de daad zelf.
Het indien van ‘im' bij de vloek is veel voorwaardelijker gesteld. Het ‘asher' bij de zegen is niet zozeer voorwaardelijk maar meer een feit.
Dat wordt nog ondersteund door de korte verhelderende opmerking van Rashi bij de zegen:

De zegen: 'op grond van' dat zij luisteren
Et ha-beracha: al menat asher tisjme'oe .

Hoe zou je al menat kunnen vertalen? Misschien met ‘on account of' of in het Nederlands ‘op grond van' of ‘in verband met'
Dat betekent, dat je aan het ‘on account of'of het ‘op grond van' een terugwerkende kracht kan toekennen.

Ik betaal je uit, indien je een bepaalde taak hebt verricht betekent een verplichting tot uitbetaling na de gedane taak achteraf

Ik betaal je uit op grond van – of in verband met – een taak die je voor mij verricht, dat kan betekenen, dat ik verplicht ben je vooraf te betalen.

Nu komen we weer terug op "Een zegen, dat je gehoorzaamt”, Die zegen is de mens al gegeven voordat hij zijn gehoorzaamheid aan de Goddelijke richtlijnen heeft bewezen.
Want de wereld is gegrond op divine genade. Aan het einde van de scheppingsdagen “zag de Eeuwige alles wat Hij had gemaakt en zie, het was heel goed” (Bereshiet 1:31).
Die wereld werd aan de mens geschonken om ervan te genieten en om er te leven volgens de hem gegeven richtlijnen. De vloek – de rampen, oorlogen, misstanden, ellende - komen achteraf als nasleep van de ongehoorzaamheid van de mens.
Dat betekent, dat de wereld niet van nature vol ongeluk en ellende is. Het goede van de wereld is de oorsprong en die oorspronkelijke goedheid is niet verloren gegaan maar ligt in principe voor de mensen klaar en kan weer worden teruggebracht. Het ongeluk, de ellende en de lelijkheid zijn het gevolg van menselijk toedoen, het is de vloek, “indien u niet luistert naar de geboden van de Ene, uw God, en van de weg die ik u heden gebied”
Zoals wij zingen in de eerste voorbede van het dagelijkse ochtend Sjema: Hoe talrijk zijn uw werken, Eeuwige; Alles hebt u met wijsheid gemaakt (psalm 104 24)
Ma raboe ma'asecha. Hashem, koelam be-chochma asita.

RC aug. 2013

noten

Rabbi Jochanan
: (overleden plm. 279) was een rabbijn in de eerste jaren van de Talmoed

Rashi : Shlomo Yitzchaki , bekend onder zijn acronym Rashi (Februari 22, 1040 – Juli 13, 1105), was een middeleeuwse rabbijn en commentator van Tora en Talmoed en hogelijk als zodanig gewaardeerd

De 19 e eeuwse poolse commentator bijgenaamd de Netziv (R. N aftali Tz vi Y ehudah B erlin), schreef een bekend Tora-commentaar Ha'emek Davar

De Malbim
: M eïr L eibush b en J ehiel M ichel Wisser (1809 –1879, bekend onder het acronym Malbim was een specialist in de Hebreeuwse grammatica en bijbel commentator.

Bekijk ook Rabbijn Vorst over deze parasha , die in het begin van zijn betoog ook het verschil behandelt, dat ‘asher' en ‘im' uitmaakt.

Parashat Ekev Deuteronomium / Dewarim 7:12–11:25
Een veeleisende God

Korte samenvatting van de parasha

In de parashat Ekev zet Moshé zijn lange laatste toespraak tot de Bené Jisrael voort. De spreker houdt het volk een God voor die het volk met machtige daden beschermt, liefheeft, vruchtbaarheid van mens, land en vee bevordert, het volk oproept niet bang te zijn, vijanden op de vlucht jaagt en vele andere zegeningen teweeg brengt. Maar die ook voortdurend waarschuwt geen afgoden te dienen en de geboden in acht te nemen, dat is de absolute voorwaarde voor de welvaart en overwinningen, die Hij bij monde van Moshé in het vooruitzicht stelt. De oude leider roept de herinnering op aan de lange woestijnreis , waar er vele beproevingen zijn geweest van honger en dorst, maar dat waren toetsen om te leren, dat niet door brood alleen de mens leeft maar ook de redding van zijn machtige Schepper nodig heeft. Waak voor hooghartigheid en overmoed houdt Moshé zijn mensen voor, want alle rijkdom valt je toe uit de hand van de Ene.
De spreker schildert nog eens de gebeurtenissen op en rond de Sinaj. De machtige stem uit het vuur, de stenen platen, de grote zonde van het gouden stierkalf, de woede van de Eeuwige, Moshé's uiteindelijk effectieve smeekbeden het volk te sparen. Ook andere voorbeelden van verkeerde daden, van de woede van de Eeuwige, maar ook van wonderdaden van uitredding haalt Moshé op, dit alles om het volk in te prenten om de goede weg te volgen van ontzag voor de Ene en het houden van de geboden. Aan het slot van de Parasha keert Moshé terug naar de beschrijving van het land, dat de Israëlieten op het punt staan te betreden, het land, dat vruchtbaar zal zijn en op de juiste tijden beregend zal worden, maar: de hemelpoorten zullen worden gesloten en geen regen zal er meer vallen, als het volk afdwaalt en andere goden gaat dienen. Deze laatste passages (Dewarim 11:13-21) zijn deel uit gaan maken van het Shema gebed als de tweede alinea daarvan.

De boodschap van het Jodendom en de bron van antisemitisme

Deze parasha Ekev is representatief voor de aard van de God van de Tora, die monotheïsme paart aan een tot op dan ongekende opdrachten om als volk en als individu boven zichzelf uit te stijgen tot bijna onhaalbare volmaaktheid. Deze strenge maar rechtvaardige God, die geen andere goden naast zich duldt, maar ook geen tastbare zichtbaarheid in beeld toestaat legt bij monde van Moshé de lat voor de onvolkomen mens bijzonder hoog, niet alleen en zozeer in ritueel opzicht, maar vooral ook in ethisch opzicht. Neem alleen al 'Heb uw naaste lief als uzelf'. De invloed van deze God van Israel op de religieuze praktijk en cultuur rond de Middellandse Zee en Europa in de eeuwen tot op de dag van vandaag is niet te onderschatten. Dat geldt zeker als we het christendom meetellen, het christendom, dat door Paulus en de latere kerkvaders flink wat concessies deed aan het monotheïstisch ideaal , door meer picturale permissies (de drie-eenheid, de figuur van Christus, Maria, de heiligen) maar wel veel van de ethische geboden en psychische attituden om de eigen driften en belangen niet centraal te stellen van het Jodendom overnam (we zien dus even af van het antagonisme tussen Jodendom en christendom).

Heinrich Heine, George Steiner, Abel Herzberg

Vele schrijvers zien in de eis om een nergens visueel bespeurbare God te aanvaarden en daarmee ook de opdracht om een ideaal van beteugeling van driften, impulsieve verlangens en eigenbelang te verwezenlijken als enerzijds het unieke en revolutionaire van de missie van het Jodendom, maar anderzijds ook als de bron van het lot van het Joodse volk om als object van haat en vervolging te fungeren. Hun redenering is niet zozeer een historische, culturele of sociale (hoewel die ook hun gelding hebben), maar een meer theologische poging het antisemitisme te benaderen. De algemene trend van hun redenering:
De last die de Tora aan de (Joodse) mens oplegt is een te zware, zeg maar voor het grote merendeel een onhaalbare. Steeds dringt de drang tot uitleving van de alledaagse verlangens, de drang om met desnoods met geweld de onmiddellijke eigen behoeften te bevredigen. Die drang te beteugelen en in dienst te stellen van een hoger streven is een zware taak. Het gevaar, dat na lange onderdrukking van ‘de heiden in ons' deze op een bepaald moment losbreekt is groot, zo niet haast statistisch voorspelbaar. Moshé zelf besefte dit al, hij houdt niet op het volk te bezweren die last op zich te nemen en niet te vervallen tot de afgoden van de heidenen; tegelijk voorziet hij het grote falen al aankomen, Dew/Deut. 4:27-28: De Eeuwige zal u uiteenjagen en u wegvoeren naar vreemde volken, waar maar een klein aantal van u zal overblijven. Daar zult u dan andere goden vereren, goden van hout en van steen, door mensen gemaakt, goden die niet kunnen horen en zien, niet eten en niet ruiken.
Het Christendom nam deze beteugelende taak van het Jodendom in zijn eigen vormen over, maar slaagde er niet in de ‘heidense' verlangens naar botviering van de eigen driften en de viering van geweld (en de bijbehorende mythen) uit te wissen. Ze leidden lange tijd een broeirig bestaan in het halfbewustzijn, waarin een schuldig besef van tekortschieten zich paarde aan wrok tegen de dictatuur van een opgelegde en onhaalbare ethiek.

De broodkatholieke Joodse schrijver Heinrich Heine besefte al in 1834, dat deze spanning ooit tot een uitbarsting moest komen. ‘ Christendom - en dat is zijn beste verdienste - heeft deze brutale Germaanse vechtlust tot op zekere hoogte gestild, vernietigen kon hij het niet, en als eenmaal de temmende talisman, het kruis, breekt, dan laait weer de wildheid van de oude krijgers op, de zinloze razernij, waarvan de noordelijke dichters zoveel zingen en spreken. Die talisman is broos geworden, en komen zal de dag dat hij jammerlijk breekt. De oude stenen goden stijgen dan op uit het puin en wrijven zich het duizendjarig stof uit de ogen en uiteindelijk springt Thor met zijn gigantische hamer op en breekt de gotische kathedralen (1)

De veroorzaker van en schuldige aan al deze onaangename spanningen was niet ver te zoeken. Hij stond al eeuw in eeuw uit klaar: de Jood. George Steiner zegt - in zijn weidse, controversiële cultuuranalyse (2) - onomwonden: ‘ Er lag een gemakkelijkere wraak voor de hand , een eenvoudiger manier om de eeuwen van mauvaise foi goed te maken, eeuwen van onderbewuste maar pijnlijke wrok tegen het onbereikbare ideaal van de ene God . Door het doden van de Joden , zou de westerse cultuur hèn uitroeien, die God had " uitgevonden", die hoe gebrekkig en weerspannig ook Zijn ondraaglijke Afwezigheid hadden bekendgemaakt.
De Holocaust is een reflex, heftiger naarmate langer onderdrukt, van natuurlijke zintuiglijke gewaarwording, van polytheïstische. instinctieve en animistische behoeften. Hij getuigt van een wereld, die zowel ouder als nieuwer is dan Nietzsche'.

Gelijke geluiden laat Abel Herzberg horen in zijn vlak na de oorlog verschenen prachtige bundel ‘Amor Fati' in het gelijknamige essay (3). Hij zegt o.a.: ‘Want het doel van Hitler bestond in het afschaffen van de beschavingsfactor, die door het jodendom in de wereld was gebracht en met het christendom door Europa was aanvaard. Zijn ideale mens was niet zozeer de Germaan, als wel in het algemeen de mens zoals hij was, voordat hij voor de eerste maal (voor zover wij ons tenminste historisch bewust zijn) door de monotheïstische idee aan banden was gelegd. Daarom had hij ook groot gelijk wanneer hij beweerde, dat er geen groter tegenstelling bestond dan tussen nationaal-socialisme en jodendom'.
De 'heiden' in de mens verlangt zijn vrijheid terug en haat daarom de Jood die hem gebonden heeft. 'De heiden haat de Jood omdat de christen hem knevelt.'
De ‘heiden' is te vinden in ieder mens, atheïst, christen, moslim, ook in de Jood, ook in jou en mij. Herzberg: ‘Hij wacht, als een huurling in reserve, totdat er op een goede dag een doffe roffel wordt getrommeld, die hij zich herinnert uit de dagen zijner vrijheid. Dan treedt hij aan de dag met zijn onbedwingbaar heimwee naar het oerwoud, waarvan hij zulke schone mythen te vertellen weet. Zijn gastheer luistert en geeft toe'.

De twee tegenpolen hebben elk hun eigen rol. Het antisemitisme wordt een primitief verlangen terug te keren naar een amoreel bestaan, een onbeteugeld driftleven. Het Jodendom wordt het verlangen naar moraal, beschaving, zelfoverwinning. Het zijn twee tegenstrijdige verlangens die in elk mens leven, ongeacht geloof of wat dan ook, en die ten eeuwigen dage in gevecht zullen zijn. Dat te beseffen is amor fati. De Jood beseft de hem toegevallen rol in de geschiedenis en aanvaardt hem steeds weer. Voor mij betekent dat allerminst apathie, maar steeds weer een positieve stellingname met kracht. Het werk is nooit voltooid, maar je mag je er ook niet aan onttrekken.


noten

(1) Heinrich Heine uit: Zur Geschichte der Religion und Philosophie in Deutschland

(2) George Steiner In: Bluebeard's Castle. Some Notes Towards the Redefinition of Culture (2)

(3) Abel J. Herzberg, Amor fati, 1946

Parashat Ekev Deuteronomium / Dewarim 7:12–11:25
Fundamentele logica

Korte samenvatting

In de parashat Ekev zet Moshé zijn lange laatste toespraak tot de Bené Jisrael voort. De spreker houdt het volk een God voor die het volk met machtige daden beschermt, liefheeft, vruchtbaarheid van mens, land en vee bevordert, het volk oproept niet bang te zijn, vijanden op de vlucht jaagt en vele andere zegeningen teweeg brengt. Maar die ook voortdurend waarschuwt geen afgoden te dienen en de geboden in acht te nemen, dat is de absolute voorwaarde voor de welvaart en overwinningen, die Hij bij monde van Moshé in het vooruitzicht stelt. De oude leider roept de herinnering op aan de lange woestijnreis , waar er vele beproevingen zijn geweest van honger en dorst, maar dat waren toetsen om te leren, dat niet door brood alleen de mens leeft maar ook de redding van zijn machtige Schepper nodig heeft. Waak voor hooghartigheid en overmoed houdt Moshé zijn mensen voor, want alle rijkdom valt je toe uit de hand van de Ene.
De spreker schildert nog eens de gebeurtenissen op en rond de Sinaj. De machtige stem uit het vuur, de stenen platen, de grote zonde van het gouden stierkalf, de woede van de Eeuwige, Moshé's smeekbeden het volk te sparen. Ook andere voorbeelden van verkeerde daden, van de woede van de Eeuwige, maar ook van wonderdaden van uitredding haalt Moshé op, dit alles om het volk in te prenten om de goede weg te volgen van ontzag voor de Ene en het houden van de geboden. Aan het slot van de Parasha keert Moshé terug naar de beschrijving van het land, dat de Israëlieten op het punt staan te betreden, het land, dat vruchtbaar zal zijn en op de juiste tijden beregend zal worden, maar: de hemelpoorten zullen worden gesloten en geen regen zal er meer vallen, als het volk afdwaalt en andere goden gaat dienen. Deze laatste passages (Dewarim 11:13-21) zijn deel uit gaan maken van het Shema gebed als de tweede alinea daarvan.

Fundamentele logica

Het beeld van de Ene, dat Moshé de kinderen van Israle voorhoudt is dat van een strenge maar rechtvaardige vader, er staat letterlijk: ‘ Laat ieder van u dan beseffen dat de Eeuwige, uw God, u opvoedt zoals een vader zijn kind opvoed .' (Dew. 8:5).
Nu moet ik zeggen, dat wat betreft het beeld, dat voor mij uit het boek Dewarim oprijst, het beeld van strengheid overheerst. De vele waarschuwingen van vaak kleurrijk geschilderd onheil, dat het volk te wachten staat, als het de fout ingaat, werken dat bij mij wel in de hand, met als toppunt de passages verderop in de parasha Ki Tavo. Ook als je beseft, dat Dewarim is geschreven naar het model van middenoosters contract of verbondsovereenkomst uit die tijd met vervloekingen aan het slot voor als het contract niet wordt nagekomen. Ook als je beseft – meer vanuit psychologisch uitlegniveau - in de huid van Moshé kruipend beseft, dat hier nog eenmaal een oude leider spreekt met een bijna wanhopige vastbeslotenheid , wetend dat het koppige volk ooit eenmaal weer voor de verleiding zal bezwijken (zie bijvoorbeeld Dewarim 30:1).
In een persoonlijke God, een hemelse vader, die rechtstreeks ingrijpt en ‘goed gedrag' beloont met welvaart enerzijds en ‘slecht gedrag' met rampen en ellende anderzijds geloven velen (de meesten?) en ook ik niet meer.
Toch is er een fundamentele logica onder Dewarim wel aan te wijzen. Die zou ongeveer als volgt kunnen luiden: een volk, dat erin slaagt essentiële waarden van rechtvaardigheid, integriteit en compassie te realiseren in de intermenselijke omgang en de maatschappelijke ordening heeft een grotere kans op welvaart en vrede dan een volk dat daar niet in slaagt; dat volk, waarin die essentiele waarden niet worden gerealiseerd of zelfs met de voeten getreden, dat volk loopt een gerede kans op anarchie, burgeroorlog en verdrijving, eigenlijk een kwestie van oorzaak en gevolg. Dat bewijst de geschiedenis en is denk ik statistisch aan te tonen.
Deze fundamentele logica ligt als een kiembesef besloten in de menselijke ziel, maar moet wel tot bewustzijn worden gewekt. Dat gebeurt in met veel vallen en opstaan in de lange evolutionaire weg van de geschiedenis. In de Tora komt dit oerinzicht voor het eerst tot expressie bij monde van Moshé en kan alleen door de het gewone volk worden geaccepteerd als het ervaren wordt als komend van een boven ieder staande metafysische autoriteit, met de kenmerken van een ideale oervader, de Eeuwige, Hij zij gezegend. In het bewustzijn van de westerse moderniteit heeft God zich als vaderlijke regisserende autoriteit teruggetrokken, hij is ‘dood' sinds Nietzsche.
Om in ‘Joods-theologische' termen te blijven - waag ik te zeggen als amateur – zou je kunnen spreken van een doorgaande ‘tzimtzum' van de Schepper, een proces, waarin de Eeuwige zich steeds meer terugtrekt als beheerder van de schepping en de wereld overlaat aan de mens en zijn verantwoordelijkheid.
Is God niet meer de regisseur en de beloner of straffer, de fundamentele logica met zijn essentiele waarden, die aan Dewarim ten grondslag ligt, zoals ik die net verwoord heb, blijft wel bestaan en gelding hebben.
Wel kunnen we aan de eigenschappen, die Moshé aan de Eeuwige in deze parasha toekent, iets zien van de essentiele waarden, die een goed mens of een ideale samenleving zou moeten nastreven. Bijvoorbeeld:   Want de Ene, uw God, is de hoogste God en Heer. Hij is de grote, de machtige, de ontzagwekkende God. Hij handelt zonder aanzien des persoons en is onomkoopbaar; 18 hij verschaft weduwen en wezen recht, neemt vreemdelingen in bescherming en voorziet hen van voedsel en kleding (Dewarim 10: 17, 18).
Een andere essentiele waarde, die deel uitmaakt van de fundamentele logica van Dewarim is de liefde. Rabbijn Jonathan Sacks vestigt de aandacht op de liefde, als kenmerkend voor de Eeuwige, met name in het boek Dewarim. Daar komt de wortel a-h-v (liefde, ahava,liefde, ahav, houden van) 23 keer voor, in Shemot 2 keer, in Wajikra 2 keer en in Bemidbar niet een keer. Het is uit liefde(van God), dat de schepping voortkomt en die liefde heeft mede een ethische strekking, dat is heel kort door de bocht het thema van Jonathan Sacks commentaar. Wat vrij vertaald zegt hij o.a. :
“Het radikale van dit idee is, dat ten eerste de Tora met stelligheid beweert, tegen praktisch heel de oude wereld in, dat de essentie, die de werkelijkheid bepaalt, niet vijandig of onverschillig is ten opzichte van de mensheid. We zijn hier omdat iemand of iets ons wil. We zijn hier omdat iets of iemand om ons geeft, over ons waakt, streeft naar ons welzijn.”
Als dat de essentie van de werkelijkheid is – and ‘you better believe it' en of men dat nu in een opperwezen legt of niet – het is aan mij en u om dat in onze mind en in ons doen en laten te spiegelen en tot expressie te brengen.

Het is de kunst om niet ontmoedigd te raken als we in onze moderne wereld om ons heen zien, hoezeer die fundamentele logica van Dewarim niet wordt gezien, wordt genegeerd, niet wordt (h)erkend; als we zien in welke mate menselijke rampen, ellende het gevolg zijn van afgunst, haat, fanatisme, onverschilligheid, vooroordeel, overmoed, corruptie en zo meer.

RC 15 aug. 2014

Parashat Ekev
(Dewariem | Deuteronomium 7:12 – 11:26 )

herverteld

In deze parasha hervertelt Mosjé een aantal van de wonderlijke gebeurtenissen uit de omzwervingen in de Sinaj om het volk ontzag en gehoorzaamheid in te prenten. Hij brengt het manna in herinnering.
Zelfs zegt de oude leider: veertig jaar lang raakten jullie kleren niet versleten en zwollen jullie voeten niet op (Deut. 8:4).
Waarover de beroemde middeleeuwse commentator Rasji verrassend poëtisch zegt:
´de wolken van Goddelijke glorie wreven het roet van hun goed en streken ze als gestreken klederen; en tegelijk dat hun kinderen groeiden, groeiden hun kleren met hen mee, zoals de bedekking van de slak (zijn huis) met hem meegroeit´ (in de Eng. vertaling op www.tachash.org).
In geuren en kleuren beschrijft Mosjé het wonderbaarlijke gebeuren op de Sinaj; de eerste twee tafelen, de afvalligheid bij het gouden kalf, de door Mosjé bewerkte vergiffenis door de Eeuwige.

historiciteit

Even een paar woorden over de historiciteit van het hele gebeuren, de uittocht uit Egypte, de wondere wetgeving op de berg, de latere veertigjarige omzwerving. Velen refereren eraan dat archeologisch gezien er praktisch geen bewijs bestaat van al deze dingen en dat het verblijf in Egypte, de uittocht en de omzwerving zeer waarschijnlijk nooit hebben plaatsgevonden. Is dat een argument om de Tora terzijde te kunnen schuiven?
De Tora kunnen we benaderen op verschillend niveau's. Als geschiedschrift, als historisch verslag of als letterlijke Goddelijke openbaring.  
Of als een zeer bijzonder fenomeen dat zich aan categorisering onttrekt.  
Het is een neerslag van zeer bijzondere gebeurtenissen en wonderlijke openbaringen die in de mist van de tijden hebben plaatsgevonden en die in eeuwen zijn samengeboetseerd tot wat het nu is.   Martin Buber   zegt in deze trant in zijn boek over Mosjé, dat het bijbelverhaal is op te vatten als een soort sage, echter niet als een verheerlijking achteraf, maar als de neerslag van een organische herinnering. Belangrijk is om in te zien, dat de kern van de sage wordt gevormd door het enthousiasme van een overweldigende, aan het volk overkomen, gebeurtenis en dit enthousiasme, dat aanleiding gaf tot de herinneringen die de sage vormden, is wel degelijk een deel van de geschiedenis: de ervaring van gebeurtenissen als wonder, is geschiedenis in het groot en vanuit geschiedenis te begrijpen en in historische samenhang in te passen. Zo zijn de gebeurtenissen rond de Sinai niet de historisering van de mythe, maar veel meer een mythisering van de historie.

brokstukken

Na die eerste zondeval van het gouden kalf gaat Mosjé weer de berg op, op 18 Tammoez, rekent Rasji uit. Veertig dagen van smeekbeden volgen. Dan, op de 29e Av, krijgt Mosjé de opdracht twee nieuwe stenen tafelen uit te hakken en dan volgen weer veertig dagen op de berg en op 10 Tisjri volgt de algehele vergiffenis van zonde van het volk, mede waarom dan op die datum Jom Kipoer valt.
De meeste betreffende passages, met name die in Dewariem, vermelden de Eeuwige als de beschrijver van de tafelen. Maar in Sjemot 34:28 staat: hij, d.w.z. Mosjé die tweede versie schreef. Als we het dan over historiciteit hebben, dan lijkt dat het waarschijnlijkste: een geïnspireerde profeet met een geleide hand.
De tweede editie van de tafelen wordt gelegd in de ark van Mosjé; de definitieve ark zal – als we de gegevens logisch bij elkaar voegen – later worden vervaardigd door Betsalel.

Wat gebeurde er met de brokken van de stukgegooide tafelen?
Volgens de midrasj (verhalen en uitleggingen rond de Tora) werden ook die bewaard.
Ze zouden, toen de definitieve ark klaar was, in die eerste ark van Mosjé worden bewaard. Maar volgens anderen werden ze samen met de hele tafelen in de ark van de tabernakel gelegd en werd de ark van Mosjé buiten gebruik gesteld.

volmaaktheid

Misschien mogen we zeggen in termen van de sage: De Eeuwige schreef de eerste versie van de twee stenen tafelen. Deze versie was te hoog, te hemels voor de mensen. Nog lager in de stof moesten de voorschriften dalen om begrepen en uitgevoerd te worden. Verloren is de eerste volmaakte versie. De volmaaktheid moest gebroken worden om in deze wereld te kunnen bestaan. Mosjé beitelde de tweede versie uit zijn goddelijk geïnspireerde herinnering op de stenen tafels. Daarmee konden de mensen vooruit.
En het was nog moeilijk genoeg.
” Straks brengt de Eeuwige, uw God, u naar een goed land, een land van beken, bronnen en waterstromen, die ontspringen in de valleien en op de bergen, een land van tarwe en gerst, van wijnstokken, vijgenbomen en granaatappelbomen, een land van olijven en honing, een land waar u niet slechts schamel brood zult eten, maar waar het u aan niets zal ontbreken, een land waar u ijzer vindt in het gesteente en waar u koper delft uit de bergen. Wanneer u daar in overvloed leeft, dank de Eeuwige, uw God, dan voor het goede land dat hij u gegeven heeft.”  
Dat zegt Dewariem 8: 7—11. Maar dit zo wonderlijk goede, vruchtbare en rijke land zou nog een gebied vol voetangels en valkuilen blijken te zijn.

De gebroken tafelen

De gebroken tafelen werden ook in de ark meegevoerd.
Voor zover ze symbool waren van alles dat stuk was,
van alles dat was verloren,  
waren ze de wet van de gebroken dingen,  
van het blad in een storm van de steel gescheurd,
een wang ooit aangeraakt in liefde  
wiens naam nu is vergeten.
Hoe moeten ze op weg hebben gerammeld en gekletterd,
al werden ze nog zo omzichtig door de woestijn gevoerd,
hoe moeten ze hebben gerammeld tot ze
in stukken braken, tot de randen zacht werden
en verkruimelden, stof zich verzamelde op de bodem van de ark,
schimmen van oude letters en oude wetten. Voor zover
een gebroken wet nog wordt herinnerd
werden deze wetten gehoorzaamd. En voor zover herinnering
het patroon van gebroken dingen bewaart
werden deze stukjes steen bewaard
door vele reizen en dagen van verwoesting heen
tot zelfs, zeggen ze, in het beloofde land

(gedicht van   Rodger Kamenetz , schrijver van o.a. The Jew in the Lotus)

Wa'etchanan, Dewarim/Deuteronomium 3:23-7:11
De Ene en zijn tolk (zie ook ander commentaar)


Mozes op de berg Nebo; Jozef Israëls. Op menukaart t.g.v. het achtste zionistische congres, 1907

Wa-etchanan is de tweede parasha van het boek Dewariem, het vijfde boek van de Tora.

Rav lach – genoeg voor jou

Ook de parasha Wa-etchanan balt met dramatische woorden een aantal essenties van Israëls opdracht samen, zoals Mosjé die met nadruk en bij herhaling aan het volk voorhoudt. Centraal staat daarbij de steeds ingewreven waarschuwing tegen afgodendienst.

Maar de parasha begint met een heel menselijk gebeuren: Mosjé wil zo graag de Jordaan oversteken en het beloofde land betreden. Hij smeekt de Eeuwige. Maar hij mag niet. Aan zijn gebed wordt geen gehoor gegeven.
Zelfs de gebeden van een bijna volmaakt en heilig man als Mosjé met zoveel ontelbare verdiensten worden niet verhoord. Hoe kan dat? Het heeft de Oude Wijzen veel hoofdbrekens gekost om verklaringen te vinden.
”Rav lach – Genoeg voor jou - , spreek mij er niet meer over”   was het antwoord aan Mosjé.

In de Talmoed in het tractaat Berachot wordt er wel op gewezen, dat Mosjé weliswaar geen toestemming krijgt de Jordaan over te steken, maar hem wordt wel geopperd de berg Pisgah te betreden, zodat hij het land kan zíen. Zonder de smeekbeden had hij dat waarschijnlijk niet gedaan.

Maar toch. Waarom geen complete verhoring van de smeekbeden, waarvan er volgens de Midrasj wel 515 waren?
Volgens een plaats in de Talmoed (Rosh Hashana) is er een moment dat het oordeel over iemand onherroepelijk wordt. Berouw is dan niet meer effectief zeggen de Wijzen.
Tenminste voegt een ander commentaar toe: in déze wereld. Maar in de komende wereld kan het wel helpen, dat gebed en het berouw, om je toestand te verbeteren en te helen.
Dit bedoelt ook het commentaar van Rasji, als hij over dat “Rav lach – Genoeg voor jou” zegt dat het misschien ook betekent: “Genoeg is er voor jou in de komende wereld, een heleboel goeds wacht daar voor jou”.

Volgens het commentaar van R. Ari Kahn is de functie van het gebed niet de Eeuwige ‘om te praten' zodat hij zijn raadslagen verandert. Want God is onveranderlijk, Hij is altijd dezelfde. Het gebed wil de verloren verbondenheid met de Eeuwige herstellen, zodat de toestand van verwijderdheid, die onderwerp van het gebed is, b.v. ziekte, kan veranderen, c.q. herstellen.
In het geval van Mosjé was er geen sprake van een of andere gebrek of verkeerdheid.
Daarom ziet deze uitlegger in het “Rav lach” de betekenis: laat de Shechina, de presentie van de Eeuwige, genoeg voor je zijn.

In de Zohar (in de versie op Kabbalah.com) staat bij deze passage:
'”En de Eeuwige zei mij, laat het voor jou genoeg zijn”(Dew. 3:26).
Rabbi Chiya zei, De Heilige, gezegend zij Hij, sprak tot Mosjé, “Laat het voor jou voldoende zijn” d.w.z. je verenigd te hebben met de Shechina. Van nu af aan: “spreek niet meer”.  
Rabbi Yitschak zei,' “laat het voor jou voldoende zijn”, d.w.z. het licht van de zon; de maan kan niet schijnen totdat de zon is ingezameld. “Maar geef Josjoea orders, bemoedig hem en sterk hem” (Dew. 3:28). Jij die de zon bent zou de maan moeten verlichten. Zo leerden wij.'

Dat is een mooi beeld: de zon gaat onder, zijn tijd is gekomen, maar als de zon onder is, wil hij via de maan nog licht geven. Na zijn dood wil Mosjé, dat zijn licht temidden van het volk blijft schijnen.  
Dringend is die zorg, want heen en weer geslingerd lijkt zijn gemoed. Hij is er niet zeker van dat het goed blijft gaan zonder zijn leiding. Het kan alleen als het volk zich steeds zijn wonderbaarlijke redding uit Egypte blijft herinneren en de openbaring van de Eeuwige bij de Sinaj en al de voorschriften en geboden die vanaf toen zijn gegeven.
Het brengt de oude leider ertoe nog eens het indrukwekkend gebeuren bij de Chorew in herinnering te brengen, de berg met het laaiend vuur, duisternis, nevel en de stem zonder gestalte.  
Hij herhaalt de tien uitspraken woordelijk. Luister goed, Israël, zegt hij steeds maar en in Dewariem 6:10 begint de zesde alija met wat later de kern van het hoofdgebed ‘Sjema Jisraël' - Hoor Israël - zal worden: de erkenning dat er maar één God is.

In de verzen 4:6-7 lijkt even een rijk toekomstperspectief geschilderd te zijn: wijs en verstandig zal het volk beschouwd worden in het oog van andere volken.
In 4:27-28 wordt een somberder perspectief geschetst: de verstrooiing wordt in één donkere pennestreek geschilderd. Alleen voor de weinige overgeblevenen worden redding en terugkeer voorzegd.
Mosjé kent zijn volk. “Want ik ken jullie weerspannigheid”, zegt hij zelf in Dew. 31:27 – “en hardnekkigheid; als jullie, toen ik dagelijks te midden van jullie leefde, al weerspannig waren tegen de Eeuwige, hoeveel te meer dan na mijn dood.”

Twee keer lijkt het er sterk op dat Mosjé zijn onmogelijkheid om het land te betreden wijt aan het weerspannige volk:   “Om jullie (lema'anchem) bleef de Eeuwige boos op mij.”   (3.26)
En:   “De Eeuwige werd door jullie daden (al-diwréchem) boos op mij” (4:21)
De vraag is: is hier sprake van verwijt (o zo menselijk begrijpelijk, maar minder heilig niveau) of van edelmoedig de verantwoordelijkheid op zich nemen van het geheel (hoog niveau van heiligheid).

De Eeuwige, straffer of gelegenheidschepper?

Ik moet zeggen dat Dewariem niet mijn meest geliefde boek is; er staan wat mij betreft wel erg veel passages in waarin de liefde gepaard gaat met moeten, geboden, dreigingen, straffen, vervloekingen en donkere voorspellingen. Als Mosjé zegt: “Besef dan goed dat zoals een man zijn zoon tuchtigt, zo tuchtigt de de Eeuwige, jullie G-d, jullie, dan vraag ik mij af op wie dat slaat, de Ene of zijn tolk: Is het eigenlijk niet Mosjé zelf, die zielsveel van zijn volk heeft gehouden, maar heeft gemerkt hoe hardleers en weerspannig de mens is? Is hìj niet de strenge vader? Als instrument en tolk van de Schepper is hij tenslotte ook een mens.
Is het eigenlijk niet het leven en de wereld die een harde leerschool biedt. Als Schepper van het universum en creator van de wonderlijke, liefdevolle en tegelijk wrede wereld is Hij de gelegenheidgever. We kunnen kiezen voor (het verlangen naar) het in relatie staan tot de G-d en deel hebben aan de eindeloze gelegenheid om te veranderen en te groeien – en de Tora en zijn uitleggingen geven daar ook richting aan. Er hoeft geen bovenwereldse straffer te zijn, de rampen en de ellende komen van zelf wel als wij en de maatschappij waarin we leven de relatie met G- d steeds maar afwijzen en alleen voor onze eigen onmiddellijke materiële bevrediging leven.

De Eeuwige is dan niet meer te zien als een strenge Vader, die mooie beloningen van rijkdom en welvaart belooft en straffen van rampen en kwelling uitdeelt aan de ongehoorzamen. Dat beeld kunnen wij toch niet meer onderschrijven?  
God is de Onmetelijke en Oneindige, ook in de voorraad aan mogelijkheden ten goede die ons in genade steeds wordt voorgehouden en waaruit we kunnen putten als we daar verbinding mee maken.

Ik besluit met een aardig citaat dat ik op internet tegen het lijf liep.

‘Het vers uit Spreuken 3:34 zegt: „Wie zich tot de spotters voelt aangetrokken, die zal spotten, maar wie tot de nederigen wordt aangetrokken, die zal gunst vinden.” Reisj Lakisj legt uit: wanneer iemand zich wil bevuilen, dan wordt hem daartoe de gelegenheid gegeven, maar als iemand zich wil reinigen, dan wordt hij geholpen door de Hemel [d.w.z. als iemand zich aangetrokken voelt om slechte dingen te doen, dan laat de Hemel hem zijn gang gaan, maar wie het goede zoekt, zal daarbij gesteund worden door de Hemel (Rasji)].
Wanneer een klant komt voor petroleum, dan mag de winkelier tegen hem zeggen dat de klant het zelf moet afmeten. [Zo komt de winkelier niet in contact met de onaangenaam ruikende petroleum.] Maar als een klant komt voor balsem, dan kan de winkelier zeggen dat hij het zelf wil afmeten, zodat ook hij lekker zal ruiken.
‘Zonden verstoppen het hart.‘  
(Talmoed Joma 39)

Ook dit citaat is lezenswaardig en het overdenken waard:

Men is verplicht een beracha te zeggen over iets slechts, net zoals men een beracha zegt voor iets goeds, zoals er geschreven staat [Deut. 6:5]: „En je zult de Eeuwige je G-d liefhebben met heel je hart, met heel je ziel en met heel je vermogen. „Met heel je hart,” [dat wil zeggen] met alle twee je neigingen: je goede neiging en je slechte neiging; „en met heel je ziel,” [dat wil zeggen] zelfs al neemt Hij je leven; „en met heel je vermogen,” [dat wil zeggen] met al je geld, en een andere verklaring voor „ met heel je vermogen” is: met wat voor maat Hij je ook meet, je moet Hem steeds ten zeerste bedanken.   (Berachot. misjna 5)

* in dit commentaar is gebruik gemaakt van het commentaar op Aish.com van R. Ari Kahn

(Rob Cassuto 16 juli 2006, herzien juli 2013)

Parashat Wa'etchanan Dewariem / Deuteronomium 3:23-7:11

Een schurk op gezag van de Tora

Korte inhoud

Na de inleidingen van Moshé in de eerste parasha van het boek Dewariem begint in de tweede parasha Wa'etchanan de eigenlijke wetgeving. Vele herinneringen aan de verlossing uit Egypte, oproepen tot dankbaarheid en gehoorzaamheid wisselen af met de recapitulatie van belangrijke voorschriften en de introductie van enkele nieuwe. Het lijkt wel of er meerdere beginnen zijn ( 4:1,4:44, 5:1 ), wellicht terug te brengen op het feit dat een oertekst met de kern van wetsbepalingen telkens wat is uitgebreid.
Als prelude klikt het verzoek van Moshé om toch mee de Jordaan over te mogen steken, wat de Eeuwige niet toestaat, maar wel mag hij het Cis-Jordaanse landschap, dat hij nooit zal betreden, aanschouwen van de bergtop van de Pisga (1).
Dan volgen een aantal fundamentele teksten, met als hoogtepunt de Tien Woorden in een in detail afwijkende versie van Exodus 20. Ook de tekst van het Shema – het centrale dagelijkse Joodse gebed - is hier te vinden en de regels op grond waarvan de geboden om gebedsriemen (tefillin) te gebruiken en om mezoezot aan de deurpost te slaan zijn gebaseerd. De oude leider voorziet overigens al, dat ooit zijn volk in de fout zal gaan en verstrooid zal worden onder vele volken. Maar dan zal zult u daar de Eeuwige, uw God, zoeken en u zult Hem vinden, als u Hem met heel uw hart en met heel uw ziel zoekt (4,29). Tenslotte verbiedt de Eeuwige exogamie en laat hij bij monde van Moshé even het nobele ethische standpunt varen en laat Hij zijn oude stammengodgezicht zien in het gebod om de zeven Kena'anitische volken te doden (7:2, of met de ban staan, de vertalingen verschillen) of vernietigen/doden (7:16, in de volgende parashat Ekev), wat trouwens nooit zo is uitgevoerd.

Voorbij aan de maat van het recht

Een van de vele aansporingen om de voorschriften te volgen, die in deze parasha te vinden zijn bevat een aantal woorden, die aanleiding zijn geweest tot het destilleren van een belangrijk beginsel in de praktische toepassing van die voorschriften. Dat beginsel wordt gevonden in uit Dewariem/Deut. 6:17-18   Leef de geboden, de bepalingen en de wetten die de Eeuwige, uw God, u heeft voorgehouden, zorgvuldig na en doe wat recht en goed is in Gods ogen.
Dat laatste doe wat recht en goed is in Gods ogen , omvat dat nu alle in de Tora gegeven regels of is dat nu een heel nieuwe en zelfstandige bepaling? Dat was de vraag, waar geleerden uit alle eeuwen mee bezig zijn geweest.
De gezaghebbende middeleeuwse bijbelcommentator Rabbi Shlomo ben Jitschak (Rashi, 11 e eeuw) vindt het laatste: het is een nieuwe bepaling. Rashi zegt: Recht en goed, dat betekent een compromis, handelen voorbij aan de strikte eisen van de wet. zè peshara, lifniem mishoerat ha-dien ' . Dat is het principe , lifniem mishoerat ha-dien, voorbij aan de maat van het recht.
Nachmanides (13 e eeuw) is het daarmee eens en licht verder toe. ‘Tora schrijft vele richtlijnen voor. Je kunt je daar in alle details aan houden, aan de voedselwetten, aan de huwelijkswetten etcetera en je toch als gulzigaard te buiten gaan aan voedsel en drank en je vrouw slecht behandelen. Je bent dan een ‘ naval bi resjoet ha-Tora ', een schurk op gezag van de Tora.' Je houdt je keurig aan alle regels, je kan zelfs met je vroomheid te koop lopen, maar bent in feite een grote egoïst.

Waar gaat het nu om? Dat je ook op dat enorme gebied, waar de Tora of het recht geen gedragsregels of richtlijnen geven je toch handelt in de geest van de Tora. Soms is het zelfs nodig om af te zien van de regels en rechten die de Tora of het recht je formeel geven, als ze leiden tot onrechtvaardigheid of onmenselijkheid. Soms doe je meer dan de Tora vraagt, soms vraag je minder dan de Tora toekent.
Anekdote uit Talmoedische tijd:  Rav Safra had een hoeveelheid wijn te koop en een potentiele koper kwam langs, net toen hij het Sjema zei. De koper zei: ik bied zo en zoveel, maar Rav Safra wildezijn gebed niet laten onderbreken en bad door. De koper, kennelijk een niet-jood, dacht dat zijn bod werd afgewezen, dus hij deed een hoger bod. Dat ging zo nog een tijdje door, het bod werd steeds hoger.  Toen Raf Savra klaar was met zijn gebed, zei hij: ‘Al bij je eerste bod besloot ik, dat ik dat aanvaardde, dus meer dan dat mag ik niet nemen'. (Sheiltot Vayehi , No. 38)(2)
Rabbijn Yehuda Aschkenasy z.l. omschrijft in zijn afscheidscollege als hoogleraar: lifniem meshoerat hadien , naar aanleiding van een andere anekdote uit de Talmoed (Bava Metsia 83a): ‘“Rabba bar bar Chanan gebeurde het dat sjouwers [door onvoorzichtigheid] een vat wijn aan duigen lieten vallen. Hij nam bun kleren in beslag [om daarmee de prijs van de wijn vergoed te krijgen]. Men ging Rav vertellen wat bij gedaan bad. Die zei hem: geef ze bun kleren terug. Hij wierp tegen: Is zo de wet?! Hij antwoordde: la, want er staat (Spr. 2,20): opdat je gaat in de weg van de goeden. Hij gaf bun hun kleren terug. Ze zeiden hem: We zijn arm en we hebben de hele dag gesloofd en we zijn hongerig en hebben niets. Daarop zei Rav tegen Rabba bar bar Chanan: Ga en geef ze hun loon. Hij wierp tegen: Is zo de wet?! Hij antwoordde: ja, want de tekst gaat aldus verder: En hoedt de wegen van de rechtvaardigen”. Rav besliste aldus, ook al is heel goed vol te houden dat de sjouwers door hun onvoorzichtigheid aansprakelijk waren en misschien niet langer recht hadden op loon. Het verhaal wil zeggen dat van ons meer gevraagd wordt dan we strikt volgens bet recht verplicht zijn. De Talmoed duidt dat aan met de uitdrukking lifniem meshoerat ha-dien, dat wil zeggen: dat we bet strikte recht steeds moeten duiden naar de actuele situatie. Het komt erop neer dat ik tot meer verplicht ben dan de ander en dat de ander meer van mij mag vragen dan ik van hem. De Frans-Joodse filosoof Levinas noemt dit de asymmetrische verantwoordelijkheid. In de woorden van de zojuist besproken tekst: opdat we 'doen wat goed en recht is in Zijn ogen'. Antropocentrisme en theocentrisme vallen dan samen' (3)
Marcel Poorthuis haalt in het herdenkingsnummer rond Yehuda deze passage aan en redeneert hierop door: ‘Er is iets bijzonders met dit beginsel van Lifniem mishoerat ha-dien aan de hand. Geldt de wet voor allen, het beginsel van lifniem mishoerat ha-dien kan niet worden afgedwongen, het spoort ieder individu persoonlijk aan om zijn verantwoording te nemen in iedere concrete situatie, om meer te doen of te laten dan waartoe hij juridisch of volgens de wet verplicht is. Deze rabbijnse ethiek en de Bergrede ademen dezelfde sfeer; beiden houden een correctie in op het idee, dat ik mag doen wat ik wil, zolang ik de ander niet schaadt. De ander is dan slechts een stoorzender van mijn vrijheid. Het gaat er dan om mijn medemens te zien als constitutief voor mijn vrijheid en niet als een bedreiging'. (4)
Hoe belangrijk dit principe al werd gevonden in het begin van de gangbare jaartelling, blijkt uit het gezegde van de alom gerespecteerde Talmoedgeleerde Rabbi Jochanan (3 e eeuw), dat Jeruzalem alleen maar verwoest was, ‘ omdat de joden (strikt) handelden volgens de letter van het recht (Tora) en niet voorbij wilden gaan aan de maat van het recht' (Bava Metzia 30b).(5)


noten

(1) Over de smeekbede van Moshé zie een ander commentaar van mij
(2) De casus van Rav Safra is uit de website My Jewish learning
(3) Rabbijn prof. Y. Aschkenasy: Herorientatie van de theologie, een doorgaand leerproces, openbaar afscheidscollege, 1989
(4) prof. Marcel Poorthuis: Binnen de maat van het recht, in: Tenachon, augustus 2012
(5) Mogelijk klinkt een echo van dit beginsel door in Mattheüs 5:20: Want Ik zeg u: Tenzij uw gerechtigheid overvloediger zij, dan die der schriftgeleerden en der farizeeën, dat gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins zult ingaan. Weliswaar worden al die schriftgeleerden en Farizeeën hier wel op een hoop gegooid volgens de anti-Joodse strekking van dit evangelie, Maar de strekking is conform Dewariem/Deut. 6:17-18  dat louter formeel vroomheidsgedrag allerminst voldoende is.

Parashat Wa'etchanan Dewarim/Deuteronomium 3:23-7:11 moderniteit en religie

Korte inhoud
In de parasha wa'etchanan begint de eigenlijke wetgeving. Vele herinneringen aan de verlossing uit Egypte, oproepen tot dankbaarheid en gehoorzaamheid wisselen af met de recapitulatie van belangrijke voorschriften en de introductie van enkele nieuwe Het lijkt wel of er meerdere beginnen zijn ( 4:1 ,4: 44, 5: 1 ), wellicht terug te brengen op het feit dat een oertekst met de kern van wetsbepalingen telkens wat is uitgebreid.
Als prelude klikt het verzoek van Moshé om toch mee de Jordaan over te steken, wat de Eeuwige niet toestaat, maar wel mag hij het Cis-Jordaanse landschap, dat hij nooit zal betreden, aanschouwen van de bergtop van de Pisga.
Dan volgen een aantal fundamentele teksten, met als hoogtepunt de Tien Woorden in een in detail afwijkende versie van Exodus 20. Ook de tekst van het Shema is hier te vinden en de regels op grond waarvan de geboden om gebedsriemen (tefillin) te gebruiken en om mezoezot aan de deurpost te slaan zijn gebaseerd. De oude leider voorziet overigens al, dat ooit zijn volk in de fout zal gaan en verstrooid zal worden onder vele volken. Maar dan zal zult u daar de Eeuwige, uw God, zoeken en u zult Hem vinden, als u Hem met heel uw hart en met heel uw ziel zoekt (4,29) .

Als commentaar gebruik ik een deel van een paar jaar geleden gehouden lezing.

de moderniteit
We passeren heel snel een aantal stations op deze lange mars door de eeuwen en komen via de renaissance en de wetenschappelijke omwentelingen in de 17e eeuw bij de Verlichting. Deze beweging, gekenmerkt door een vernieuwde en scherpere toepassing van de rede op de feiten van de wereld (met name door experimentele toetsing) deed de oude gebouwen van het dogmatiek en kerkelijke autoriteit wankelen. De wereld werd kleiner en de analyserende blik van de mens reikten naar onvermoede verten. Ook God moest eraan geloven.
Ik beschouw de fase van de Verlichting als een fase in de evolutie van het religieus bewustzijn en beleven van de mens en ik zie de gave tot objectief onderzoek van feiten met behulp van rede en experiment als een ongekende expansie van het bewustzijn van de mens en een enorme verruiming van zijn mogelijkheden, ook om de oude absolute dogma's en benauwende claims van de religieuze instituten van de religie te overstijgen. Het is een progressie in de ontwikkeling van het menselijk bewustzijn met een onpeilbaar grote invloed ook op levensbeschouwing en religie. De moderniteit was aangebroken. Met alle voordelen en de prijs die de mensen ervoor betalen.
De mogelijk van secularisatie werd door brede massa's aangegrepen. Voor de joden betekende de verlichting emancipatie uit het getto. Het gaf de mogelijkheid de overgeleverde tradities in een nieuw en ruimer licht te zien. Sommigen stapten helemaal van hun geloof af en kozen voor assimilatie.
Omdat de mensen toch niet zonder perspectief kunnen en opgenomen willen zijn in een enthousiasmerend perspectief dat hun eigen leven ontstijgt ontstonden in de moderniteit pseudo-religieuze bewegingen, die een enorme impact op de wereld zouden hebben. Nationalisme, het materialistische marxisme of het kapitalistisch-liberale vooruitgangsgeloof. Onder de seculiere profeten die opstonden konden we trouwens nogal wat Joden ontwaren zoals Karl Marx met zijn socialistisch-messiaanse theorieën en Sigmund Freud, die als een moderne Mozes door de wildernis van het innerlijk trok.

We zijn inmiddels aangeland in de postmoderne periode . De net genoemde surrogaatgeloven zijn van hun voetstuk zijn gevallen en hebben hun magnetische impact op geest en ziel hebben verloren. Wat er overgebleven is aan kerk of geloofsinstituut probeert krampachtig nog een bestaansrecht te claimen. De barsten in het seculiere vooruitgangsgeloof zijn maar al te zichtbaar en voelbaar.
Het rationele tijdperk heeft zoals elke fase zijn vervorming; het is de absolutistische en uitsluitende pretentie, die het als het ware heeft overgenomen van de oude religieuze instituten, maar nu om het niet manifeste, het innerlijk, het spirituele en God te ontkennen. Alleen wat gemeten en bewezen kan worden is waar. De ratio is geen instrument meer maar absoluut heerser en zijn neef ‘ het objectief aantoonbaar nut' zijn vazal. Met de enorme technologische ontwikkelingen lijkt de triomf compleet. Wij staan in deze nieuwe eeuw in al onze ontnuchtering voor de vraag, wat nu?

Wat langzaam tot velen doordringt is hoe de wereld is veranderd. Communicatie reikt tot de verte uithoeken en is razend goedkoop. De media brengen de wereld bij de zitbank thuis. Reizen is gedemocratiseerd. De productie is geoutsourced. De digitale informatierevolutie woedt in al zijn overstelpende dynamiek. Welvaart is in het westen alom. Maar tegenstellingen verscherpen zich. De kloof tussen arm en rijk wordt alarmerend groter. De armoede in vele delen van de wereld komt iedere dag in onze huiskamer. Aanstormende economieën eisen hun gigantisch deel in welvaart. Hulpbronnen worden zwaar belast en raken op. De planeet blijkt een subtiel en kwetsbaar systemisch geheel. De aarde is het grote schip van ons allen, dat met ons door de eindeloze ruimte vaart. Spasmen voor de grote ramp of barensweeën van een nieuwe tijd? We hebben een nieuwe visie nodig en we hebben ook iets onmetelijks verloren.

We kunnen natuurlijk onze ogen sluiten en gewoon lekker leven. Een joodse witz brengt dat aardig in beeld: Rabbijn Goldberg stormt zijn huis in en roept:
Rivka, Rivka, ik heb net doorgekregen, over twee weken komt de masjieach!
Rivka: Oj gewalt, waarom net nu, we hebben net ons nieuwe huis afbetaald, nieuw bankstel gekocht en een moderne keuken laten installeren...
Rabbijn: Ach Rivka, je moet denken, we hebben Farao overleefd, Haman, Bergen Belsen, de Masjieach overleven we ook wel...

Maar Rivka kan de problemen niet voortdurend ontkennen.
Wat nu? Hebben de religies ons nog iets te bieden.
Een kwart van de Nederlanders is 'ongebonden spiritueel' stelt een rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid vast. De gangbare theorie dat spirituele mensen vooral oude hippies zijn –de flowerpower- adepten van weleer– en dat ze vanzelf wel uitsterven, klopt volgens het rapport niet. „Ons onderzoek laat zien dat spirituele mensen ook onder jongeren goed vertegenwoordigd zijn. Gemiddeld zijn ze 42 jaar en bovendien zijn het blijvertjes." Uit het onderzoek blijkt eveneens dat de 'ongebonden spirituelen' (mensen die naar eigen zeggen spiritueel zijn, maar zichzelf tot geen enkele groepering rekenen) niet alleen maar met hun eigen spirituele verrijking bezig zijn. Spirituelen zijn juist betrokken bij milieubescherming, mensenrechten en vluchtelingen, en ze geven gul aan goede doelen.

We kunnen best wel zonder al die oude godsdiensten, zou je kunnen denken. Wat verlies je als je bijvoorbeeld jodendom en christendom zou afschaffen.
Toch wel wat belangrijks. Ik zet het even op een rij voor jodendom - en het geldt mutatis mutandis ook wel voor andere godsdiensten - : ethiek, gemeenschap en geschiedenis

ethische essentie
De essentie van de jodendom is naast het numineuze (en wellicht daarmee verbonden) de ethische richtlijn. In het Boeddhisme is dat bijv. opgenomen in het achtvoudige pad. In het jodendom is dat te vinden in de Tien Geboden – Uitspraken zegt met in het jodendom – en in vele andere voorschriften in de Tora zoals die te vinden zijn in bijv. Leviticus 19, waarvan de bekendste is: ‘Heb je naaste lief als jezelf' en Deuteronium 4 ev. Ik ben de Eeuwige'. Deze richtlijnen voor omgang tussen de mensen en met de Schepper, deze geboden van rechtvaardigheid en compassie, zijn een ooit een vrucht van diep inzicht geweest van de joden in oerverbinding met wat hun als God werd geopenbaard. Deze ethische essenties zijn verder opgenomen door Jezus in zijn verkondiging en zo ook een wezensbestanddeel van het christendom geworden. Eigenlijk hebben deze ooit aan de joden gegeven geboden uiteindelijk doorgewerkt in een door de meerderheid aanvaard humanisme met name in westerse samenlevingen; dank zij hen is onze maatschappij met een aantal rechtsregels van menselijkheid en omgangsafspraken van fatsoen en respect onderbouwd en mogelijk gemaakt. Het is evident dat het wegvallen van een religieus draagvlak voor deze regels ondermijnend werkt en uitbuiting, decadentie, anomie en anarchie in de hand werkt. Het normen en waarden-debat.

gemeenschap
Religie en dus ook jodendom is gemeenschap. Religie verbindt mensen met elkaar rond het centrum van de primordiale vraag naar hun bestemming. Dit is ook de oplossing voor de existentiële eenzaamheid en het antwoord op de oervraag naar zin, die soms met stille fluisterstem spreekt. Het is de niet op nut of productie of doel gerichte gemeenschap, die mensen wezenlijk zoeken. In het jodendom wordt die gemeenschap uitgewerkt in het Verbond, dat is gesloten tussen God en het volk van Israël, dat concreet wordt beleefd in de synagogale gemeente. Daar worden ook de grote levensmomenten rond geboorte, huwelijk, verlies en dood samen gedeeld.

geschiedenis
Religie – en jodendom bij uitstek - is geschiedenis. Religie verbindt de generaties met elkaar in een gemeenschappelijk verhaal en een gedeeld lot. Van vader en moeder op zoon en dochter wordt het familieverhaal, het gedachtegoed en een context om het te begrijpen doorgegeven. Geschiedenis geeft een verleden en plaatst ook het eigen levenslot in het perspectief van een verleden en een toekomst. Daarin heeft het individu deel aan het drama van de wereld- en volksgeschiedenis.
Bij de joden is het evident dat deze geschiedenis een complexe is met vele vragen. De zogenoemde uitverkorenheid is bij vele niet-joden verkeerd begrepen als superioriteit. Het gaat in feite om de opdracht tot een bepaalde bestemming in de reis van mensheid.

Parashat Dewariem / Deuteronomium 1:1–3:22
De week van Tisha be-Av, katastrofe en veerkracht

Het boek en de parasha Dewariem

Dewariem is het vijfde en laatste boek van de Tora. Soms is wel gesproken over een Tora van vier boeken, een ‘tetrateuch' in plaats van een ‘pentateuch' en Dewariem is dan een tweede Tora; dat betekent de naam ook eigenlijk: Deuteronomium = tweede wet. Dewariem is ook wel genoemd Mishné Tora = herhaling van het onderricht. Inderdaad, qua inhoud is Dewariem een compacte herhaling van vele voorschriften uit de vorige boeken. De vorm is grotendeels een homiletische, een grote laatste toespraak van Mosjé, voordat het volk het Beloofde Land intrekt en hijzelf tot zijn vaderen zal worden vergaderd.
Dewariem is ook de naam van de eerste parasha van het boek Dewariem, naar de eerste woorden, die luiden: “Dit zijn de woorden, ‘ eileh ha-dewariem' , die Moshé etc.” De parasha begint haar verhaal op het moment, dat het volk van Israël na ruim veertig jaar omzwerving gelegerd is bij de Jordaan, klaar om de rivier over te steken. Moshé beklimt als het ware het spreekgestoelte en begint met een terugblik op de afgelopen veertig jaar. In een ander commentaar ga ik daar verder op in.

Tisha be-Av, de negende van de maand Av

Waar in de parasha Dewariem Moshé erugblikt op veertig jaar reizen door de woestijn, kijken wij nu terug op drieduizend jaar reizen door de tijd; in deze week valt de rouwdag, die een aantal grote rampen in drie milennia herdenkt, Tisha be-Av, de negende van de Joodse maand Av . Tisja be-Av is een rouw- en vastendag – dit jaar valt het vasten op zondag 26 juli, aangezien op shabbat niet wordt gevast. De voorschriften zijn dezelfde als die voor Jom Kippoer. Naast niet eten en drinken ook niet wassen of leren schoenen dragen.
Vele tragische gebeurtenissen in de afgelopen drieduizend jaar vonden plaats in de maand Av (plm eind juli-augustus) en de overlevering heeft de negende dag gepind als de dag waarop dit alles plaats vond. Laten we deze rampzalige gebeurtenissen eens de revue passeren middels een aantal getuigenissen uit vroeger tijden.

Op de negende Av besloot – volgens de Oude Wijzen - de Eeuwige, dat de Israelieten veertig jaar in de woestijn moesten blijven alvorens het beloofde land te mogen binnentrekken, dit als gevolg van de zonde van de verspieders (1)

Op de negende Av werd eerste Tempel   verwoest, 586 voor de gewone jaartelling .
Jeremia (Jirmejahoe) vertelt (2): ‘Op de tiende dag van de vijfde maand, in het negentiende regeringsjaar van koning Nebukadnessar van Babylonië, trok diens vertegenwoordiger Nebuzaradan, de commandant van zijn lijfwacht, Jeruzalem binnen. Hij stak de tempel van de Eeuwige in brand, en ook het koninklijk paleis en alle andere huizen van Jeruzalem; alle huizen van de welgestelden gingen in vlammen op. Het Chaldese leger, dat onder zijn bevel stond, haalde de stadsmuren van Jeruzalem neer. De mensen die nog in de stad overgebleven waren, onder wie de armen, werden door commandant Nebuzaradan als ballingen weggevoerd, evenals degenen die naar de koning van Babylonië waren overgelopen en de overgebleven handwerkslieden. Slechts de allerarmsten liet hij achter om voor de wijngaarden en akkers te zorgen.

De tweede Tempel werd verwoest, 70 in gewone jaartelling .
In de Joodse oorlog van het jaar 70 in gewone jaartelling bereikt de Romeinse generaal Titus de Tempelberg. Op de 9de Av wordt de Tempel vernietigd. De geschiedschrijver Josephus beschrijft de vernietiging van de Tempel: ‘Terwijl de Tempel in brand stond, werd er van alles geplunderd en tienduizenden die werden gepakt werden afgeslacht; iedereen werd afgeslacht ongeacht leeftijd, kinderen en oude mannen...en priesters, allen werden op dezelfde manier afgeslacht. Er was geen medelijden voor leeftijd, geen respect voor rang; kleine kinderen en oude mannen, leken en priesters allenl werden afgeslacht; elke bevolkingsgroep zat geklemd in de ijzeren greep van de oorlog, of ze zich nu verdedigden of schreeuwde om genade'.
In de Talmoed wordt gevraagd: ‘waarom werd de Tweede Tempel verwoest, waar toch Tora werd geleerd, mitzwot werden gedaan en goede daden? Het antwoord: Omdat er binnen redeloze haat (" sinat chinam ') was' (3).
Een dergelijk uitspraak is ook te vinden in het Tweede Testament, waarin Jezus voorzegt over Jeruzalem: Want er zal een tijd komen dat je vijanden belegeringswerken tegen je oprichten, je omsingelen en je van alle kanten insluiten. Ze zullen je met de grond gelijkmaken en je kinderen verdelgen, en ze zullen geen steen op de andere laten, omdat je de tijd van Gods ontferming niet hebt herkend.' (4)

Betar, het laatste fort dat de Romeinen weerstond tijdens de opstand van Bar Kochwa viel op 9 AV in het jaar 135 .
De Joden, geprest door de onbarmhartige verboden van keizer Hadrianus – o.a. om te besnijden – en zijn plan om een Romeinse tempel op de plaats van de in 70 verwoeste tempel te bouwen, waren in het jaar 132 een nieuwe oorlog begonnen onder militaire leiding van Shimon bar Kochwa en onder spirituele leiding van Rabbi Akiva. Ruim twee jaar was er even weer een Joods Rijk, van 133 tot 135. Shimon bar Kochwa werd door velen als Mashieach gezien en hij kreeg de titel ‘nassi', vorst. Maar de Romeinen rukten ten slotte met overmacht op en belegerden het hoofdkwartier en laatste toevlucht van Bar Kochwa, het fort Betar. Dat werd, zo wil de overlevering op 9 Av 135, ingenomen. Duizenden en duizenden Joden werden door de Romeinse legers afgeslacht. Rabbi Akiva werd gekruisigd.
De Talmoed geeft nog een echo van de verschrikkingen: ‘Rabbi Zera zei in de naam van rabbi Abbahu, die rabbijn Jochanan citeerde: “Dit zijn de tachtigduizend strijdtrompetten, die in de stad Betar waren verzameld toen de stad werd ingenomen en mannen, vrouwen en kinderen werden gedood, zodat hun bloed in de grote zee stroomde. (Denkt u dat het vlakbij was? Het stroomde zes kilometer ver)”' en ‘(…) In een baraita (uitspraak buiten de Mishna) is onderwezen: ".. zeven jaar lang hebben de Romeinen hun wijngaarden bevrucht met het bloed van Israël zonder mest te gebruiken'”(5)
Een jaar na de val van Betar werd het gebied van de Tempel omgeploegd , de voorzegging van de profeet Micha waarmakend: 'Daarom, door jullie toedoen, zal de Tsion als een akker worden omgeploegd, zal Jeruzalem een ruïne worden en de tempelberg een overwoekerde heuvel' (6).
Tot nu volgen wij de opsomming van deze gebeurtenissen zoals die als de te herdenken rampen op 9 Av wordt gegeven in de Talmoed, die niet lang daarna is opgetekend, (7) Wij vullen nog aan:

In 1492, vaardigde Koning Ferdinand van Spanje het besluit uit dat de Joden het land moesten verlaten met de negende Av als uiterste datum,
Historicus Simon Schama geeft verslag: ‘Totdat de nieuwigheid eraf was, kwamen mensen van hun huis of hun akkers om in rijen langs de weg of het pad te kijken naar de lange stoet mensen, die zo goed en zo kwaad als het ging in de verzengende hitte van de Spaanse zomer naar de kust en de Portugese grens liepen. Deze keer werden de Joden niet achtervolgd door kreten van haat en dood, zoals in de tijd van de onlusten, maar trokken ze voort in een gelouterde, verbaasde stilte. Zelfs een verbitterde judeofoob als de priester Andres Bernaldez was onverwacht aangedaan, niet het minst door de waard igheid en kracht van zovelen onder de beproeving.
Ze trokken over de wegen en door de velden [...] moeizaam en met veel tegenslag. Mensen vielen en stonden weer op, gingen dood en werden geboren, nog anderen werden ziek en er was geen christen die geen mededogen met hen voelde, en waar ze ook gingen, smeekten (de christenen] hen om zich te laten dopen, en sommigen bekeerden zich in hun ellende en bleven, maar dat waren er heel erg weinig, en de rabbijnen spraken hun voortdurend moed in en gelastten de vrouwen en meisjes te zingen en op de tamboerijn te spelen om de mensen op te vrolijken.' (8)

De Eerste Wereldoorlog , waarmee het neerwaartse proces naar de Shoa inzette, begon op Tisha be-Av
Een persoonlijke getuigenis (9): ‘Hetwas op de dag van 9 Av - Tisj'a be'Av - de dag waarop er getreurd wordt om de verwoesting van de tempel te Jeruzalem. Met grote "koppen" brachten de kranten het bericht dat de Russen samen met Engeland en Frankrijk aan Duitsland en Oostenrijk de oorlog hebben verklaard. De rouw om de verwoesting van de tempel veranderde ineens in een grote verontrusting over wat ons, Joden, in Rusland en in Polen nu te wachten stond. Want de ervaring had ons geleerd dat bij elke wijziging van de situatie de Joden het slachtoffer ervan werden. En inderdaad brachten de eerste berichten over de overwinningen die de Duitse troepen op de Russen behaalden, een golfvan ellende over de Joden in Polen. Uit de kleinere plaatsen werden de Joden verdreven met achterlating van al hun bezittingen. Vooraanstaande Joden werden door de Russen als gijzelaars gevangen genomen, waarvan velen zonder enige vorm van proces doodgeschoten of opgehangen werden. De smadelijke nederlagen van de Russische legers werden op de Joden gewroken. De grote steden, zoals Warschau en Lodz, kregen een stroom van vluchtelingen te verwerken. Want alleen omdat het ondoenlijk was de honderdduizenden Joden uit de grote steden op de vlucht te jagen mochten deze blijven. Maar de Russische overheid legde aan hen zware "brandschattingen" op. Om de paar weken kwam er een nieuwe order om millioenen roebels te betalen, zogenaamd vanwege de sabotage door de Joden gepleegd. Aan de Joden werd ten laste gelegd da1 zij de militaire telefoondraden doorknipten en meer van dat soorl lasterpraatjes. Honderden joodse jongelui boden zich aan als vrijwilligers om dag en nacht wacht te lopen en te letten op de telefoondraden dat zij niet doorgeknipt zouden worden. Het bleken uit de duim gezogen praatjes te zijn, die alleen maar ten doel hadden om de Joden te vernederen en hen te dwingen geld op te brengen voor het Russische oorlogsapparaat.
In de wintervan 1915 hadden de Duitse troepen heel het Russische deel van Polen veroverd en bezet. Na een drieweekse belegering veroverden de Duitse troepen ook Lodz.

Veerkracht


Deze selecte bloemlezing van katastrofes vindt een tegenhanger in een mogelijke lijst van voorbeelden van de enorme veerkracht van het Joodse volk om zich na en ondanks alle vervolgingen weer op te richten en nieuwe plekken te creeeren waar volgende generaties konden leven en zelfs tot nieuwe bloei komen. Mijn eigen voorouders vonden na 1492 een nieuw thuis in Italie, in Florence, waar Moïse Cassuto – weliswaar in het getto – een bloeiende juwelenhandel heeft opgezet. Niet in de slachtoffer modus blijven steken, maar zonder het verleden te vergeten altijd weer de toekomst ingaan met oog voor nieuwe mogelijkheden, is het motto.
Niet in de laatste plaats noem ik het wonder van de staat Israel, waar berooiden uit Europa, Afrika en Azie na de Tweede Wereldoorlog samen met de pioniers van voor die oorlog een moderne natie hebben gesticht. Een moderne natie, zoals alle andere naties, met alle deugden en ondeugden vandien; niet altijd hebben de vaak ongelooflijk dapperen acties om temidden van een harde en hatende omwereld te overleven de schoonheidsprijs verdiend. De vraag is, hoe hoog mogen zowel anderen als de Joden zelf de (ethische) lat leggen voor een Joodse staat? Dat deze vraag blijft leven en onderwerp van discuaaie blijft is misschien wel belangrijker dan een definitief antwoord.
Ergens blijft in mij waarschuwend doorzingen het Talmoedische antwoord op de vraag waarom de Tweede Tempel verwoest werd. Niet omdat men niet vroom of religieus genoeg was, maar omdat er binnen de stad redeloze haat heerste.


noten


(1) Bemidbar/Numeri 13 en 14, zie parashat Shelach Lecha
(2) Jirmejahoe/Jeremia 52
(3) Talmoed, Joma 9B
(4) Lucas 19: 43
(5) Talmoed, Gittin 57a-b
(6) Micha 3:12. Lees ook het verhaal van Rabbi Akiva, die lachte toen een hij een vos zag glippen uit de ruïne waar eens het heilige der heilige was, terwijl zijn metgezellen huilde. Want de ene [profeet (Micha, Uria) had de ruines voorspeld en dat was uitgekomen; dus zou ook de voorspelling van Zecharja uitkomen, dat eens (8:4): ‘Opnieuw zullen er op de pleinen van Jeruzalem oude mensen zitten, steunend op hun stok vanwege hun hoge leeftijd, en de straten zullen krioelen van de spelende kinderen (Talmoed, Makkot 24b)
(7) Talmoed, Ta'anit 29a. Rabbijn Simon Jacobson geeft de uitleg, dat we in deze 5 tragedies een proces kunnen zien van de steeds verder teloorgegane verbinding tussen spirit en materie, een les die oproept dieze verbinding weer te herstellen.
(8) Simon Schama, De geschiedenis van de Joden, deel 1, Atlas Contact, 4 e druk, 2014
(9) uit: Bladen uit mijn levensboek, S.P. Tabaksblatt

Parashat Dewariem / Deuteronomium 1:1–3:22

Dewariem is het vijfde en laatste boek van de Tora. Soms is wel gesproken over een Tora van vier boeken, een ‘tetrateuch' in plaats van een ‘pentateuch' en Dewariem is dan een tweede Tora; dat betekent de naam ook eigenlijk: Deuteronomium = tweede wet. Dewariem is ook wel genoemd Mishné Tora = herhaling van het onderricht.

Inderdaad, qua inhoud is Dewariem een compacte herhaling van vele voorschriften uit de vorige boeken. De vorm is grotendeels een homiletische, een grote laatste toespraak van Mosjé, voordat het volk het Beloofde Land intrekt en hijzelf tot zijn vaderen zal worden vergaderd.
Een aantal hoofdbestanddelen kunnen worden onderscheiden:

+ Mozes recapituleert de laatste twee jaar van de omzwervingen, m.n. de oorlogen tegen Sichon en Og, Dewariem 1- 4

+ de eigenlijke wetgeving, die begint met intensieve vermaningen tegen afgodendienst. Het lijkt wel of er meerdere beginnen zijn ( 4:1 ,4: 44,
5: 1 ), wellicht terug te brengen op het feit dat een oertekst met de kern van wetsbepalingen telkens wat is uitgebreid. Vele herinneringen aan de verlossing uit Egypte, oproepen tot dankbaarheid en gehoorzaamheid wisselen af met de recapitulatie van belangrijke voorschriften en de introductie van enkele nieuwe. Dit gaat door tot 27.

+ capita selecta, waaronder de zegen en de vloek bij opvolging resp. verwaarlozing van de voorschriften, en het wijzen op de keuze die het volk steeds heeft. Dit besluit de toespraak van Mozes.

+ afsluiting met het afscheid van Mozes dat in verschillende toonaarden wordt beschreven, waaronder het ‘lied van Mozes', zijn zegenen van de stammen en zijn uiteindelijk dood op de berg Newo.

Gewezen is op de vorm van een de in die tijden gebruikelijke vorm van een overeenkomst tussen G-d en het volk (covenant), dat het boek heeft, een introductie, inhoud en bezegeling met zegen of vloek.

Vanuit historisch oogpunt is interessant het verslag in 2 Koningen 22 over het hervinden van een wetboek tijdens de restauratie van de tempel tijdens de regering van de hervormingsgezinde koning Josia (Joshijahoe) plm. 700 voor de gebruikelijke jaartelling).

" De hogepriester Chilkia zei tegen hofschrijver Safan: "Ik heb hier in de tempel van de HEER een boekrol gevonden met de tekst van de wet.' Safan nam het boek in ontvangst en las het. Daarop ging hij terug naar de koning om verslag uit te brengen. Hij zei: "Uw dienaren hebben het zilver dat in de tempel bewaard wordt, te voorschijn gehaald en overhandigd aan de bouwmeesters die belast zijn met de herstelwerkzaamheden aan de tempel van de HEER .' Vervolgens vertelde hij dat de priester Chilkia hem een boekrol had gegeven, en hij begon de koning eruit voor te lezen. Bij het horen van de tekst van het wetboek scheurde de koning zijn kleren. Hij beval de priester Chilkia, Achikam, de zoon van Safan, Achbor, de zoon van Micha, de hofschrijver Safan en zijn persoonlijke dienaar Asaja: "Ga ter wille van mij en heel het volk van Juda de HEER raadplegen over de inhoud van de boekrol die we gevonden hebben, want het kan niet anders of de HEER is in hevige woede ontstoken omdat onze voorouders zich niet hebben gehouden aan wat er in dit boek staat en niet hebben gedaan wat ons is voorgeschreven.' "

De maatregelen die Josia (Joshijahoe) nam tegen de afgodendienst, de zuivering van de eredienst en de centralisatie van die dienst in Jeruzalem komen sterk overeen met de voorschriften daarover in Dewariem.

Het is speculatie, maar ook weer niet uit te sluiten - met beroep op wat fantasie - , dat het boek de vrucht is van samenspel tussen Koning Josia en een aantal priesters vanuit hun verlangen om de oude opdracht van Israël en de autonomie van het volk naar de machtige omliggende rijken nieuw leven in te blazen: Josia of zijn priesters zouden dan het boek, althans de kern van Dewariem, hebben samengesteld op basis van oudere teksten (deels uit de andere boeken); daarbij hebben zij Mosjé als spreker van de inhoud opgevoerd om het geschrift gezag te verlenen. Vervolgens hebben zij de dramatische ‘vondst' in de tempel geënsceneerd om zo indruk te maken op het volk ten einde zijn bereidheid te wekken om de hervormingen te accepteren en een hernieuwd commitment aan de oude wetten aan te gaan.

Maar misschien heeft de hogepriester Chilkia wel echt oude rollen ontdekt en heeft dit de stoot geven tot de zuiverende renaissance van de kant van zijn koning.
Het hangt af van de mate van sophistication, die je de koning en zijn regering wil toedichten of de mate van wonderlijkheid, die je de realiteit toeschrijft, welke optiek je voorkeur heeft.
Misschien begint het met een wonderlijke realiteit die met sophistication wordt gehanteerd.

Parashat Dewarim Dewarim / Deuteronomium 1:1–3:22
terugblikken

Het boek Dewarim

Dewariem is het vijfde en laatste boek van de Tora. Soms is wel gesproken over een Tora van vier boeken, een ‘tetrateuch' in plaats van een ‘pentateuch' en Dewariem is dan een tweede Tora; dat betekent de naam ook eigenlijk: Deuteronomium = tweede wet. Dewariem is ook wel genoemd Mishné Tora = herhaling van het onderricht. Inderdaad, qua inhoud is Dewariem een compacte herhaling van vele voorschriften uit de vorige boeken. De vorm is grotendeels een homiletische, een grote laatste toespraak van Mosjé, voordat het volk het Beloofde Land intrekt en hijzelf tot zijn vaderen zal worden vergaderd.
Bijbelwetenschappers zijn het er bijna allemaal over eens, dat het geschrift is gecomponeerd in de tijd van de koningen Chizkijahoe en Joshiahoe uit bestaande orale of al geschreven teksten. Men identificeert Deuteronomium dan met de boekrol die wordt vermeld in 2 Koningen/Melachim 22, waarin vermeld wordt dat bij de restauratie van de tempel een boekrol is gevonden met heilige teksten, die aan de vrome koning Joshiahoe onthulden hoezeer het volk was afgedwaald van de rechte leer. Het kwam de koning goed uit in zijn strijd tegen de afgodendienst, voor de zuivering van de eredienst en de centralisatie van die dienst in Jeruzalem.
Waarschijnlijk was het oorspronkelijke geschrift korter dan het huidige boek en is het later verrijkt met een epiloog en een proloog waarin Moshé als spreker wordt ingevoerd om het boek het nodige gezag te geven.
Een interessante inleiding in het boek geeft G. Plaut in zijn 'Torah, a modern commentary'.

In het boek Dewarim zijn een aantal onderdelen te onderscheiden:
+ Mozes recapituleert de laatste twee jaar van de omzwervingen, m.n. de oorlogen tegen Sichon en Og, Dewariem 1- 4
+ de eigenlijke wetgeving, die begint met intensieve vermaningen tegen afgodendienst. Het lijkt wel of er meerdere beginnen zijn ( 4:1 ,4: 44, 5: 1 ), wellicht terug te brengen op het feit dat een oertekst met de kern van wetsbepalingen telkens wat is uitgebreid. Verder vele herinneringen aan de verlossing uit Egypte, oproepen tot dankbaarheid en gehoorzaamheid wisselen af met de recapitulatie van belangrijke voorschriften en de introductie van enkele nieuwe. Dit gaat door tot 27. + capita selecta, waaronder de zegen en de vloek bij opvolging resp. verwaarlozing van de voorschriften, en het wijzen op de keuze die het volk steeds heeft. Dit besluit de toespraak van Mozes. 27-29
+ afsluiting met het afscheid van Mozes dat in verschillende toonaarden wordt beschreven, waaronder het ‘lied van Mozes', zijn zegenen van de stammen en zijn uiteindelijk dood op de berg Newo. 29-34

De parasha Dewarim


de Jordaan

Dewarim is ook de naam van de eerste parasha van het boek Dewarim, naar de eerste woorden, die luiden: “Dit zijn de woorden, ‘ eileh ha-dewarim' , die Moshé etc.” De parasha begint haar verhaal op het moment, dat het volk van Israël na ruim veertig jaar omzwerving gelegerd is bij de Jordaan, klaar om de rivier over te steken. Delen van het Transjordaanse land zijn al veroverd en toegedeeld aan de stammen Rueven, Gad en de halve stam van Menashe. Moshé beklimt als het ware het spreekgestoelte en begint met een terugblik op de afgelopen veertig jaar.
Er zijn als het ware twee terugblikken.

De eerste terugblik put uit de geschiedenis van de eerste generatie, de eerste 38 jaar woestijnverblijf. Opvallend zijn de highlights die de terugblikkende leider uit die lange periode kiest om te memoreren. Je zou verwachten, dat hij bijvoorbeeld het gebeuren bij de Sinaj nog eens ophaalt of de grote misstap van het gouden kalf. Maar Moshé noemt de aanstelling van de stamhoofden en rechters, in deze versie voorgesteld door het volk en niet door zijn schoonvader Jitro, zoals Exodus verhaalt. Moshé memoreert, dat de rechters onpartijdig, neutraal en zonder aanzien des persoons moeten oordelen. Dat hij juist hier nogmaals over uitwijdt benadrukt, hoe belangrijk de waarde van onpartijdige rechtspraak voor een samenleving is, de hoeksteen van rechtvaardigheid en vrede.
De andere gebeurtenis , die Moshé terughaalt, is de geschiedenis van de verkenners van het beloofde land, toen ze na twee jaar aan de grenzen daarvan waren aangeland, waarbij de spreker nog eens het mismoedig verslag van de verkenners vermeldt en waarbij hij het gebrek aan geloof van het volk in een voorspoedige en gezegende voortgang van zijn missie breed uitmeet. Uitgebreid verhaalt de oude leider de gebeurtenissen nog eens en memoreert hoe het volk van Israel gedoemd werd in de woestijn te blijven tot een nieuwe generatie was volgroeid.
Dat Moshé juist op dit drama nog eens terugkomt is begrijpelijk als we beseffen, dat het die nieuwe generatie van jongeren is, die hij toespreekt. Juist het falen van de vorige generatie bij de grenzen van het beloofde land destijds houdt hij hen voor, alsof hij impliciet zegt: nu wij weer aan de Jordaan staan, maak niet dezelfde fout als jullie ouders en vertrouw en geloof daarentegen in eigen kunnen en de hulp van de Eeuwige.

De tweede terugblik behandelt de afgelopen twee jaar, het langzaam oprukken vanaf de oase van Kadesh – waar ze het merendeel van de 38 jaar hadden verbleven - langs de Jordaan, eerst om het land van de Edomieten – die als broedervolk en afstammelingen van Esav niet mochten worden aangevallen – en dan omheen het land van de Ammonieten – ook een broedervolk en afstammelingen van Lot, de neef van Avraham – en dan verder noordwaarts het land in van koning Sichon en het land Bashan van koning Og, waar succesvol strijd tegen werd gevoerd. Genoemde laatste twee landen werden toegedeeld aan de stammen van Reuven en Gad en de halve stam van Menashé, mits de mannen wel aan de verovering van het Cisjordaanse land zouden deelnemen, zelfs als stoottroepen. Dat is ongeveer en goeddeels de inhoud van de inleiding van Moshé en de eerste parasha van het boek Dewarim. Daarna komt hij toe aan de werkelijke boodschap, de richtlijnen voor het juiste leven van de Israelieten, nodig voor het overleven als natie.
In de volgende parasha Wa'etchanan krijgen we even nog de onroerende scene, dat Moshé verzoekt om toch mee de Jordaan over te steken, wat de Eeuwige niet toestaat, maar wel mag hij het Cis-Jordaanse landschap, dat hij nooit zal betreden, aanschouwen van de bergtop van de Pisga. Dan begint in hoofdstuk 4 de wetgeving met als hoogtepunt de Tien Woorden in een in detail afwijkende versie van Exodus 20.

RC aug. 2014

Parashat Matot Bemidbar/Numeri 30:2–32:42
De kracht van woorden

Deze week worden om redenen van de kalender de parshiot Matot en Mas'é ( Bemidbar/Numeri 33:1–36:13) tezamen genomen. Wij richten ons nu alleen op de parashat Matot. De parashat Mas'é rond het boek Bemidbar af en komt een andere keer aan de orde.

korte inhoud

De parashat Matot (‘stammen') begint met het onderwerp van de gelofte en de eed. Speciale aandacht krijgt - na omschrijving van het algemene voorschrift een eed of gelofte ook gestand te doen - de gelofte of de eed die dochters en vrouwelijke echtgenoten doen ter onthouding van iets; daarbij wordt uitgebreid de macht omschreven van vaders en echtgenoten om wanneer zij ervan op de hoogte rakn in de gelofte of eed te berusten of deze teniet te doen. In dat opzicht is in deze patriarchale samenleving de juridische positie van de vrouw vergelijkbaar met een minderjarige.
In de daaropvolgende passages wordt de oorlog tegen en de overwinning op Midjan verhaald, inclusief de dood van Bil'am. Vooral in het oog valt de uitgebreide behandeling van de reiniging van de soldaten en de door hen gebruikte voorwerpen, die bij het ombrengen van zoveel tegenstanders in contact met dode lichamen zijn geweest. Vuur en water moesten eerst hun zuiverend werk doen, voordat de krijgslieden weer onder het volk konden komen. Gedetailleerd wordt de verdeling van de buit geregeld. De slag met Midjan moet een historisch beslissende gebeurtenis zijn geweest die een gedetailleerde kroniek rechtvaardigde. Opvallend is, dat het feit dat de schoonvader van Moshé een prieser van Midjan was geen rol meer speelt.
Tenslotte wordt veel aandacht gegeven aan het speciale verzoek van de stammen Re'oeven en Gad om tegen de oorspronkelijke plannen in een groot stuk van het transjordaanse in bezit te mogen nemen; na aanvankelijke aarzeling stemt Moshé toe op voorwaarde dat de mannen wél deelnemen aan de verovering van het oorspronkelijk beloofde land.

eed en gelofte

Ik ga verder in op de eerste regels (30, 3) van deze parasha:
" Wanneer iemand een gelofte tegenover de Eeuwige doet of een eed aflegt om zich van iets te onthouden, laat hij zijn woord niet schenden, al wat over zijn lippen is gekomen moet hij doen ." Gelijke bepalingen vinden we in Wajikra/Lev. 19:12 en Dewariem/Deut. 23: 22 en 23.

In het oude Israel was het een ware rage om geloften af te leggen. Het bracht de vaak overijlde afleggers van geloften in moeilijkheden en bezorgde hen materiële en psychische problemen. Al in de Tora zelf wordt de status van geloften gerelativeerd en terughoudendheid aanbevolen. Zie Dewariem/Deuteronomium 23:23: Maar als u ervan afziet een gelofte te doen, is er geen zonde in u.

Die bepaling heeft niet echt geholpen. In de loop der eeuwen ontstond er dan ook een ritueel om van geloften ontslagen te worden door een rabbijn. Maar het kwam toch vaak voor, dat geloften onbedoeld werden gebroken of zelfs vergeten, zodat men met een bezwaard gemoed. het Joods Nieuwjaar (Rosh Hashana) tegemoet ging..
In de vroege middeleeuwen is daarom het beroemde gebed Kol Nidré (‘alle gloften') ontstaan en toegevoegd aan de eredienst op Grote Verzoendag; in het gebed werden alle religieuze geloften van het afgelopen jaar geannuleerd. Voor de geschiedenis van Kol Nidré zie verder andere bronnen (bv de Jewish Encyclopedia ).

In de rabbijnse en vroomjoodse sfeer van de eerste eeuwen van de westerse jaartelling ging men een radicale weg en velen wilden geheel afzien van eden en geloften om zo een omheining op te werpen tegen de overtreding van het breken ervan.
Ook was er een afkeer gegroeid om Gods heilige namen voor de eed of de gelofte te gebruiken omdat dit grensde aan niet-inachtneming van het gebod om “ de Naam van de Eeuwige, uw God, niet ijdel (te) gebruiken ” (Shemot/Ex 20:7). Ook omschrijvingen als ‘de hemel', de ‘de Barmhartige' , of de ‘Genadige' of ‘Jeruzalem' vielen op den duur in ongenade.

Jezus en de rabbijnen


Ook Jezus bekent zich een aanhanger van de weg der vromen, die via verzwaringen zo ver mogelijk van overtreding van voorschriften weg wilden blijven ten einde zo een opperste zuiverheid te bereiken. Ook de sekte van de Essenen, die invloed op Jezus had, weigerde te zweren. In de Bergrede (1) zegt Jezus: Jullie hebben ook gehoord dat destijds tegen het volk werd gezegd: “Leg geen valse eed af, voor de Heer gedane geloften moeten worden ingelost.” En ik zeg jullie dat je helemaal niet moet zweren, noch bij de hemel, want dat is de troon van God, noch bij de aarde, want dat is zijn voetenbank, noch bij Jeruzalem, want dat is de stad van de grote koning; zweer evenmin bij je eigen hoofd, want je kunt nog niet één van je haren wit of zwart maken. Laat jullie ja ja zijn, en jullie nee nee; wat je daaraan toevoegt komt voort uit het kwaad . ( Mat. 5:33-37) 
Jezus doelt hier op de genoemde voorschriften van Bemidbar/Numeri 30.3 en Wajikra/Leviticus 19:12, Dewariem/Deuteronomium 23:22 en 23 betreffende eden en geloften, waaromtrent gemaand wordt die naar waarheid te doen, respectievelijk na te komen. Dat placht men dan te doen onder aanroepen van de hemel, of andere heilige zaken zoals die, waarvan Jezus in dit vers voorbeelden geeft.
Interessante parallellen zijn te vinden in Tenach en rabbijnse geschriften.
Prediker/Kohelet zei al onomwonden: Je kunt beter geen gelofte doen dan een gedane gelofte niet inlossen. Sta je mond geen loze, zondige geloften toe en zeg niet naderhand tegen de priester dat ze een vergissing waren (Koh/Pred 5:4,5).
In de kringen van Talmoedgeleerden werd er flink over gediscussieerd. Een voorbeeld: En er is ook geschreven: Beter geen gelofte te doen dan een gelofte doen en niet betalen. En er is onderwezen: beter dan beide is hij die helemaal geen belofte doet, dat is de mening van Rabbi Meïr. Rabbi Juda zegt: beter dan beide is hij die een gelofte doet en betaalt. Maar Rabbi Juda doelt alleen op het geval van iemand die een offer aan de Tempel belooft. (Choellin 2a)

Veel in Tora, Tanach, midrash en Tweede Testament waarschuwt dus voor de lichtvaardigheid waarmee eden en beloften worden gedaan en roept op de kracht van woorden te respecteren. Ook de eigen levenservaring, een blik in de politiek, de kennisneming van plots en scenario's van roman en drama overladen ons met voorbeelden van de relativiteit, kortstondigheid en lichtvaardigheid van beloften, toezeggingen, eden.
Daarom laat ik nu weer even het licht vallen op de woorden: " lo jacheel dewaro ke-chol hotsé mipaw ja'asé ": laat hij zijn woord niet schenden, al wat over zijn lippen is gekomen moet hij doen.
Deze zinsnede verwijst toch vooral ook naar de scheppende kracht van exacte woorden. Met woorden kan je een nieuwe realiteit voor jezelf en anderen creëren, ze hebben de macht nieuwe gebieden te openen maar ook om grenzen te in het leven te roepen, bijna even krachtig als de geboden en richtlijnen van de Tora zelf. Navenant is de destructieve kracht, die niet ingeloste, onjuiste of zelfs kwade woorden kunnen losmaken.
Zoals De Eeuwige met de tien scheppingswoorden van Bereshiet de schepping heeft geschapen en nog steeds schept, zo zijn wij, jij en ik, in onze woorden medeschepper van de wereld.

Wanneer je je dat realiseert ga je anders met de taal om. Als je schrijft, maar ook als je spreekt. Je woorden worden minder slordig, minder nonchalant. Je verlangen is je woorden te richten, te focussen, in overeenstemming te brengen met je intentie medeschepper te zijn. Zodat je aandacht geeft aan wat over je lippen komt, ervoor zorgt dat dat exacte woorden zijn omdat ze ook zo gedaan moeten worden. De oorsprong van elk conflict tussen mij en mijn medemensen is dat ik niet zeg wat ik bedoel, en dat ik niet doe wat ik zeg (Martin Buber). (2)

RC juli 2015

Noten
(1) Zie ook mijn artikel over de Bergrede
(2)Geraadpleegd: dr. Marcus van Loopik: Balk en Splinter, Joodse achtergronden van de Bergrede , Pardes, 2011
Peter J. Tomson, ‘Als dit uit de hemel is... ', B. Folkertsma Stichting voor Talmudica, 1997

Parashat Mas'é Bemidbar/ Numeri 33:1–36:13.

Het hoofdstuk Mas'é (‘tochten, marsen') is het laatste hoofdstuk van het boek Bemidbar/Numeri. Het sluit het verhaal van de woestijntocht en de wetgeving rond het volk van Israël, dat is begonnen in Sjemot/Exodus en vervolgd in Wajikra/Leviticus, af.
Het vierde boek Dewariem/Deuteronomium (vijde in de Tora) is eigenlijk een recapitulatie van de voorgaande drie boeken.

Mas'é begint met een uitputtende opsomming van de pleisterplaatsen, die de kinderen van Jisraël in hun veertig jaren hebben aangedaan. Op bevel van de Eeuwige - nu het einde van de lange reis is aangebroken - heeft Mosjé ze nu op een lange lijst genoteerd.
Vervolgens komt de verdeling van het land Kena'an aan de orde, de grenzen worden globaal aangegeven, een ‘commissie van verdeling van het erfgoed' wordt aangewezen.
Dan worden bepalingen omtrent de Levieten en hun steden gegeven, 48 krijgen ze er, waarvan 6 steden asielsteden zullen zijn.

Het asiel-aspect geeft aanleiding tot een uitgebreid aantal bepalingen omtrent moord en doodslag en onder welke condities asiel bestaat en hoe dit verder in de praktijk uit te voeren. Wat opvalt is de rücksichtloosheid - in onze moderne ogen - van vele bepalingen. Tegelijk ontwaren we in deze regels, die in de tijd dat ze werden geconcipieerd, waarschijnlijk ongekend modern en menselijk waren, een zorgvuldige hand om een orde van rechtvaardigheid en symmetrie te waarborgen.
Verder lezen we ook de fundamentele regel, dat men slechts mag terechtstellen op basis van getuigenverklaringen en dat één verklaring niet voldoende is. Op basis hiervan hebben de rabbijnen later nadere bepalingen uitgewerkt, die terechtstellingen tot een zeer zeldzame gebeurtenis maakten.

Tenslotte krijgt het verhaal van de dochters van Tselofchad (Bemidbar 27) nog een staartje: ze mogen, nu er geen zonen zijn, wel van hun vader erven, maar het erfgoed moet binnen de stam blijven. Dus komt nu de nadere bepaling dat deze dochters, en andere dochters in hun situatie, wél moeten trouwen met mannen binnen de stam. Merkwaardig dat het grote epos en de imposante wetgeving besluit met deze casuïstiek.

Nog wat meer over de passage 33, 1-2, waarbij ik dankbaar gebruik maak van de overgeleverde uitspraken van de Isbitzer Rebbe, zoals die zijn neergelegd in het Tora-commentaar Mei HaShiloach; ik doe niet veel meer dan zijn uitleg in een modern jasje weergeven.

De Isbitzer leest: "Dit zijn de tochten van de kinderen van Jisraël ...en Mosjé noteerde de vertrekpunten volgens De Eeuwige en dit zijn de tochten volgens de vertrekpunten ". Hij trekt dus het 'volgens De Eeuwige' bij 'vertrekpunten' i.t.t. de gebruikelijke opvatting het te trekken bij het opschrijven door Mosjé.
Waarom is deze bewoording rond die vertrekpunten twee keer gezegd, vraagt hij zich af, één keer met de toevoeging ‘volgens De Eeuwige' en één keer worden die vertrekpunten nog een keer genoemd zonder die toevoeging.

Het gaat om twee perspectieven.
De hele tocht met al zijn oponthouden, wisselvalligheden en beproevingen is een tocht waarin de mens getest wordt en de gelegenheid heeft tot spirituele groei te komen. Deze paradox doet zich dan voor:

Vanuit het perspectief van de Eeuwige. die dit ‘parcours' als het ware heeft opgezet – ‘al-pi Hashem' - heeft in laatste instantie ieder mens evenveel waarde, heeft niemand enig voordeel boven de andere, en de ene daad gaat niet boven de andere, "want allen leven in een bestaan dat voortkomt uit Gods essentie".
Deze ‘neutraliteit' van God maakt ook, dat, hoewel de Israëlieten evenals de Egyptenaren zondaren waren, het zuiver mededogen en genade is, dat Hij Israël verlossing bood. Ook tijdens de tocht met zijn beproevingen is ieder kind van Israël vanuit Goddelijk perspectief goed, ‘OK', ‘good at their roots'.

Maar vanuit het tweede perspectief - ‘lemotsa'ehem' - ,
het perspectief van de mens moet die goedheid verworven worden door daden tijdens al die beproevingen, die zich gedurende de reis voordoen.

En dan nog deze vraag: waarom besluit de Tora - als je met velen de traditie volgt om Deuteronomium/Dewarim te beschouwen als een ‘tweede Tora' - met het verhaal van de dochters van Tselofchad, eigenlijk een hele concrete casuïstiek?
Dat is - volgens de Isbitzer rebbe - om aan te tonen dat je de bepalingen van de Tora, steeds om uitwerking in concrete details vragen in het licht van de concrete situatie en van het bijzondere tijdsgewricht.
Je zou de morele gevolgtrekking kunnen maken, dat wetgeving nooit definitief is en voor alle tijden, maar dat de casuïstiek in alle tijden weer ombuiging en nuancering vraagt of zelfs eist.

Parashat Mas'é Bemidbar/ Numeri 33:1–36:13.

Korte inhoud

Het hoofdstuk / parasha Mas'é (‘tochten, marsen') is het laatste hoofdstuk van het boek Bemidbar/Numeri. Het sluit het verhaal van de woestijntocht en de wetgeving rond het volk van Israël, dat is begonnen in Sjemot/Exodus en vervolgd in Wajikra/Leviticus, af.
Het vierde boek Dewariem/Deuteronomium (vijfde in de Tora) is eigenlijk een recapitulatie van de voorgaande drie boeken.

Mas'é begint met een uitputtende opsomming van de pleisterplaatsen, die de kinderen van Jisraël in hun veertig jaren hebben aangedaan. Op bevel van de Eeuwige - nu het einde van de lange reis is aangebroken - heeft Mosjé al die plaatsen op een lange lijst genoteerd.
Vervolgens komt de verdeling van het land Kena'an aan de orde, de grenzen worden globaal aangegeven, een ‘commissie van verdeling van het erfgoed' wordt aangewezen.
Dan worden bepalingen omtrent de Levieten en hun steden gegeven, 48 krijgen ze er, waarvan 6 steden asielsteden zullen zijn.
De parasha – en het boek Numeri / Bemidbar – besluit met het verzoek dat de dochters van Tselofchad, die geen zonen heeft, toch mogen erven, mits zij met mannen uit hun stam, die van Menashe, trouwen, zodat dit erfgoed binnen de stam blijft en het niet door huwelijken met mannen buiten de stam vermindert.

de asielsteden

De asielbepalingen, die in deze parasha waren een novum in de ontwikkelingen van het recht in het oude Midden-Oosten en wierpen een dam op tegen het alom heersende recht (zo niet de plicht) tot bloedwraak, die gold in geval een verwant was gedood, of dit nu met opzet (moord) was gebeurd of geheel buiten de schuld van de dader om.
Er werden 6 steden bestemd tot asielsteden ( aré miklat ), 3 aan deze zijde van de Jordaan, 3 aan gene zijde. Het asiel stond ter beschikking aan hen die iemand onbedoeld hadden gedood. In een bijeenkomst op of bij de locatie van de doodslag werd bepaald of deze zonder opzet was gebeurd en zo ja, dan kon de dader zijn toevlucht nemen tot een van de asielsteden nemen.
Daar moest hij dan blijven – desnoods een leven lang – om gevrijwaard te zijn van de bloedwreker ( go'el ha-dam ). Echter, de dood van de hogepriester maakte een eind aan deze ban, daarna mocht de dader naar zijn oorspronkelijke woonplaats terugkeren en had de potentiële bloedwreker zijn recht op straffeloosheid ingeval van uitvoering van zijn wraak verloren.

De dood van de hogepriester als einde van de ban

Vanwaar die merkwaardige – schijnbaar losstaande - rol van de dood van de hogepriester?
Maimonides (de grote leraar, filosoof en psycholoog uit de 12 e eeuw) zag zoals vaak hiervoor een rationele verklaring. In de ‘Gids der verdoolden' ( moré nevoechim ) schrijft hij (geciteerd in een commentaar van R. Jonathan Sacks, mijn vertaling): ‘Een persoon die een ander zonder opzet beeft gedood moet in belangschap gaan; omdat de woede van de bloedwreker afkoelt als de oorzaak van het onheil uit zicht is. De kans op terugkeer uit ballingschap hangt af van de dood van de hogepriester, de hoogst geëerde van alle mensen en de vriend van heel Israel. Door zijn dood wordt de verwant van de gedode weer verzoend; want het is een natuurlijk fenomeen, dat we troost vinden in ons ongeluk als een zelfde of een nog groter ongeluk een ander heeft getroffen. Geen dood veroorzaakt onder ons groter verdriet dan de dood van de hogepriester'.
Maimonides geeft een psychologische verklaring die wij goed kunnen begrijpen; een groot verdriet, dat het hele volk aangrijpt doet het eigen ongeluk maar gering lijken. Heel recent hebben we rond de vliegramp in Oekraïne dat nog meegemaakt.

Een geleerde uit de zestiende eeuw – de Maharsha - geeft een heel andere meer mystiek lijkende verklaring, een uitleg van andere orde. Hij wijst erop dat deze bepaling rond de hogepriester hiermee samenhangt, dat de hogepriester op Jom Kipoer moet bidden voor het hele Joodse volk, dus ook hiervoor, dat er geen ongelukken zullen plaatsvinden. Vindt er toch een ongeluk plaats, zoals een doodslag, dan is ook hij eigenlijk een beetje schuldig; hij heeft niet goed genoeg gebeden. Zijn dood is dan ook in eniger mate een zoenoffer voor deze schuldigheid en kan zo aan de ban een einde maken.

In deze laatste verklaring is er van een heel eigen soort causaliteit sprake. R. Jonathan Sacks, wiens commentaar deze twee verklaringen ook behandelt, noemt deze laatste uitleg van bovennatuurlijke orde. Zelf zie ik de laatste uitleg meer in de sfeer van het collectief onbewuste. Ieder sterven, zeker de dood door opzet (moord), maar ook doodslag of de dood door een ongeluk, verstoort een diep gevoel van orde, je zou kunnen zeggen op het niveau van de ziel. Dit vereist een zekere correctie, een herstel van de verstoorde psychische balans in de gemeenschap. De straf en het offer voorzien daarin. In oude tijden was de bloedwraak het herstelmiddel om de ontijdig door mensenhand uit het leven gerukte verwant te compenseren. Maar bloedwraak leidt tot bloedwraak en tot een nimmer eindigende bloedvete, besefte de Torawetgever al, en met de asielbepalingen voor de doder zonder opzet deed hij een enorme stap in de richting van beperking van de eigenrichting en in de richting van beperking van persoonlijke willekeur. De dood van de hogepriester is dan een symbolische zoendood van de oorspronkelijke verstoorder van de psychische balans in de gemeenschap.

Is de bloedwraak en de bloedvete in de meeste democratische (westerse) staten gelukkig verdwenen, tussen volken kunnen we iets dergelijks als een bloedvete nog steeds signaleren. De ene doodslag lokt de andere uit en een kettingreactie zet zich in werking; een bevredigende closure van het proces van wreedheid, wraak en pijn, aan elkaar begaan , wordt nimmer bereikt. Het niveau van het alles overstijgende verdriet en een overstelpende compassie, een niveau waarop beide partijen kunnen samenkomen, wordt nooit bereikt en de uit balans gestootte wanorde in de ziel krijgt niet de gelegenheid zich te herstellen.
Of toch wel ooit? Be-ezrat Hashem, met Gods hulp? Mehera be-jamenoe, nog in onze dagen?


RC juli 2014
pijltje

Parashat Matot Bemidbar/Numeri 30:2–32:42

In dit hoofdstuk wordt eerst het onderwerp van de gelofte en de eed behandeld. Speciale aandacht krijgt - na omschrijving van het algemene voorschrift - de gelofte of de eed die dochters en vrouwelijke echtgenoten doen ter onthouding van iets, waarbij uitgebreid omschreven wordt de macht van vaders en echtgenoten om op het moment van de gelofte of eed te berusten of hem teniet te doen.

In de daaropvolgende passages wordt de oorlog tegen Midjan verhaald - inclusief de dood van Bil'am - en vooral in het oog valt de uitgebreide behandeling van de reiniging van de bij het ombrengen van zoveel tegenstanders betrokken soldaten door middel van offers en voorts de gedetailleerde regeling van de verdeling van de buit; de slag met Midjan moet een historisch beslissende gebeurtenis zijn geweest die een gedetailleerde kroniek rechtvaardigde.

Tenslotte wordt veel aandacht gegeven aan het speciale verzoek van de stammen Reuven en Gad om tegen de oorspronkelijke plannen in een groot stuk van het transjordaanse in bezit te mogen nemen; na aanvankelijke aarzeling stemt Mosjé toe op voorwaarde dat de mannen wél deelnemen aan de verovering van het oorspronkelijk beloofde land.

Ik ga verder in op die eerste regels (30, 3) van deze parasha:
" Wanneer iemand een gelofte tegenover de Eeuwige doet of een eed aflegt om zich van iets te onthouden, laat hij zijn woord niet schenden, al wat over zijn lippen is gekomen moet hij doen ."

Een man een man, een woord een woord. Dat vrouwen minder standvastig beoordeeld worden, min of meer als tegenwoordig in juridisch opzicht minderjarigen (30, 4 e.v.), en in veel gevallen door hun vader of man teruggefloten kunnen worden, daarover denken wij vele generaties later in grote getale anders over.

In het christelijke tweede testament wordt de eed of de gelofte als een overbodig of zelfs zondig instituut gezien; de woorden op zich moeten al bindende kracht moeten hebben en de eed is helemaal niet nodig, zie Jacobus 5, 12: Maar bovenal, broeders en zusters, zweer geen enkele eed, niet bij de hemel, niet bij de aarde, nergens bij. Laat uw ja ja zijn, en uw nee nee, anders zult u ervoor gestraft worden.

Los van de zinnigheid van Jacobus' oproep om consequent in woord en daad te zijn, we bespeuren in zijn woorden geen uitleg waarin gemotiveerd wordt waarom in sommige gevallen een geformaliseerd commitment niet op zijn plaats zou kunnen zijn; ritualisering van je commitment kan u of mij toch bijzondere kracht geven.

Maar misschien klinkt in deze waarschuwing van de apostel Jacobus al door, dat eden en geloften in buien van plotse motivatie en grillig enthousiasme wel heel vaak lichtvaardig gedaan werden en vervolgens niet opgevolgd of zelfs weer gemakkelijk vergeten.
Al in Dewariem 23, 23 staat tussen gelijksoortige bepalingen als hier in Matot 30: " Indien je je onthoudt van het doen van geloften heb je daardoor geen schuld op je geladen .”, wat wel een aansporing lijkt om niet aan de ‘hype' van geloften mee te doen.

De kwestie van de lichtvaardige geloften krijgt zijn eeuwenlange vervolg in het gebed Kol Nidré, dat met zijn indrukwekkende en roerende melodie Jom Kipoer inluidt. De melodie is onomstreden en heeft het gebed in zijn verschillende controversiële bewoordingen door de eeuwen heen getild.

Maar de tekst van het gebed - of wat de juiste tekst zou moeten zijn - heeft aanleiding tot heftig debat gegeven.
Oorspronkelijk bedoeld om lichtvaardige geloften van het áfgelopen jaar te annuleren kreeg het van Rashi's schoonzoon, Meïr ben Samuel, zelfs de formulering, die annulering inhield van de geloften voor het kómend jaar, met een beroep op het Talmoedtractaat Nedarim 23b, welke passage zulks met zoveel woorden aanbeveelt.

Deze formulering heeft eeuwenlang veel discussie gegeven en veel wantrouwen gewekt bij de niet-Joden over de betrouwbaarheid van Joodse geloften, ondanks de nadrukkelijke vaststelling van belangrijke rabbijnse autoriteiten dat het hier ging om annulering van persoonlijke geloften tussen de belover en God en dat het niet handelde om tussenpersoonlijke en zakelijke beloften en overeenkomsten. Zie het interessante overzicht over de geschiedenis van Kol Nidré op de
pagina van de site Jewish Ecyclopedia .
In de 19 e eeuw zijn in de liberaal Joodse kringen andere formuleringen geïntroduceerd, die meer betrekking hebben op de ommekeer (teshoeva) en wending naar het goede (zie ook de machzor van de LJG).

Tot nu valt in mijn verhaal de nadruk op de lichtvaardigheid waarmee eden en beloften worden gedaan; daarvan getuigt de geschiedenis rond Kol Nidré . Maar ook de eigen levenservaring, een blik in de politiek, de kennisneming van plots en scenario's van roman en drama overladen ons met voorbeelden van de relativiteit, kortstondigheid en lichtvaardigheid van beloften, toezeggingen, eden.

Daarom laat ik nu weer even het licht vallen op de woorden: " lo jacheel dewaro ke-chol hotsé mipaw ja'asé ", laat hij zijn woord niet schenden, al wat over zijn lippen is gekomen moet hij doen .

Deze zinsnede verwijst naar de scheppende kracht van exacte woorden. Met woorden kan je een nieuwe realiteit voor jezelf en anderen creëren, ze hebben de macht nieuwe gebieden te openen maar ook om grenzen te in het leven te roepen, bijna even krachtig als de geboden en richtlijnen van de Tora zelf.
Zoals De Eeuwige met de tien scheppingswoorden van Bereshiet de schepping heeft geschapen en nog steeds schept, zo zijn wij, jij en ik, in onze woorden medeschepper van de wereld.

Wanneer je je dat realiseert ga je anders met de taal om. Als je schrijft, maar ook als je spreekt. Je woorden worden minder slordig, minder nonchalant. Je verlangen is je woorden te richten, te focussen, in overeenstemming te brengen met je intentie medeschepper te zijn.
Zodat je aandacht geeft aan wat over je lippen komt, ervoor zorgt dat dat exacte woorden zijn omdat ze ook zo gedaan moeten worden. De oorsprong van elk conflict tussen mij en mijn medemensen is dat ik niet zeg wat ik bedoel, en dat ik niet doe wat ik zeg (Martin Buber).


Parashat Matot
Bemidbar/Numeri 30:2–32:42
Wel of geen eden en geloften?


In dit hoofdstuk / parasha Matot (‘stammen') wordt eerst het onderwerp van de gelofte en de eed behandeld. Speciale aandacht krijgt - na omschrijving van het algemene voorschrift - de gelofte of de eed die dochters en vrouwelijke echtgenoten doen ter onthouding van iets, waarbij uitgebreid omschreven wordt de macht van vaders en echtgenoten om op het moment van de gelofte of eed te berusten of deze teniet te doen.
In de daaropvolgende passages wordt de oorlog tegen Midjan verhaald - inclusief de dood van Bil'am - en vooral in het oog valt de uitgebreide behandeling van de reiniging van de bij het ombrengen van zoveel tegenstanders betrokken soldaten door middel van offers en voorts de gedetailleerde regeling van de verdeling van de buit; de slag met Midjan moet een historisch beslissende gebeurtenis zijn geweest die een gedetailleerde kroniek rechtvaardigde.
Tenslotte wordt veel aandacht gegeven aan het speciale verzoek van de stammen Reuven en Gad om tegen de oorspronkelijke plannen in een groot stuk van het transjordaanse in bezit te mogen nemen; na aanvankelijke aarzeling stemt Moshé toe op voorwaarde dat de mannen wél deelnemen aan de verovering van het oorspronkelijk beloofde land.

eed en gelofte

Ik ga verder in op de eerste regels (30, 3) van deze parasha:
" Wanneer iemand een gelofte tegenover de Eeuwige doet of een eed aflegt om zich van iets te onthouden, laat hij zijn woord niet schenden, al wat over zijn lippen is gekomen moet hij doen ."
Gelijke bepalingen vinden we in Lev. 19:12 en Deut. 23, 22 en 23.

In het oude Israel was het een ware rage om geloften af te leggen. Het bracht de vaak overijlde afleggers van geloften in moeilijkheden en bezorgde hen materiële en psychische problemen. Al in de Tora zelf wordt de status van geloften gerelativeerd en terughoudendheid aanbevolen.: Deut. 23:23: Maar als u ervan afziet een gelofte te doen, is er geen zonde in u.

Die bepaling heeft niet echt geholpen. In de loop der eeuwen ontstond er dan ook een ritueel om van geloften ontslagen te worden door een rabbijn. Maar het kwam toch vaak voor, dat geloften onbedoeld werden gebroken of zelfs vergeten, zodat men met een bezwaard gemoed. het Joods Nieuwjaar (Rosj Hasjana) tegemoet ging..
In de vroege middeleeuwen is daarom het beroemde gebed Kol Nidré ontstaan en toegevoegd aan de eredienst op Grote Verzoendag; in het gebed werden alle geloften van het afgelopen jaar geannuleerd. Voor de geschiedenis van Kol Nidré zie verder andere bronnen (bv de Jewish Encyclopedia ).

In de rabbijnse en vroomjoodse sfeer ging men een radicale weg en velen wilden geheel afzien van eden en geloften om zo een omheining op te werpen tegen de overtreding van het breken van geloften.
Ook was er een afkeer gegroeid om Gods heilige namen voor de eed of de gelofte te gebruiken omdat dit grensde aan niet-inachtneming van het gebod om “ de Naam van de Eeuwige, uw God, niet ijdel (te) gebruiken” (Ex 20:7). Ook omschrijvingen als ‘de hemel', de ‘de Barmhartige' , of de ‘Genadige' of ‘Jeruzalem' vielen op den duur in ongenade.

Jezus en de rabbijnen

Ook Jezus betuigt zich een aanhanger van de weg der vromen te zijn, die via verzwaringen zo ver mogelijk van overtreding weg wilden blijven om zo een opperste zuiverheid te bereiken. Ook de sekte van de Essenen, die invloed op Jezus had, weigerde te zweren. In de Bergrede zegt hij:
Jullie hebben ook gehoord dat destijds tegen het volk werd gezegd: “Leg geen valse eed af, voor de Heer gedane geloften moeten worden ingelost.” En ik zeg jullie dat je helemaal niet moet zweren, noch bij de hemel, want dat is de troon van God, noch bij de aarde, want dat is zijn voetenbank, noch bij Jeruzalem, want dat is de stad van de grote koning; zweer evenmin bij je eigen hoofd, want je kunt nog niet één van je haren wit of zwart maken. Laat jullie ja ja zijn, en jullie nee nee; wat je daaraan toevoegt komt voort uit het kwaad. ( Mat. 5:33-37) 
Jezus doelt hier op de genoemde voorschriften van Numeri 30.3 en Lev. 19:12, Deut. 23, 22 en 23 betreffende eden en geloften, waarvan gemaand wordt die naar waarheid te doen respectievelijk na te komen. Dat placht men dan te doen onder aanroepen van de hemel, of andere heilige zaken zoals die, waarvan Jezus in dit vers voorbeelden geeft

Interessante parallellen zijn te vinden in Tenach en rabbijnse geschriften.
Prediker zei al onomwonden: Je kunt beter geen gelofte doen dan een gedane gelofte niet inlossen. Sta je mond geen loze, zondige geloften toe en zeg niet naderhand tegen de priester dat ze een vergissing waren. (Pred 5:4,5)
In de kringen van Talmoedgeleerden werd er flink over gediscussieerd. Twee voorbeelden..
En er is ook geschreven: Beter geen gelofte te doen dan een gelofte doen en niet betalen. En er is onderwezen: beter dan beide is hij die helemaal geen belofte doet, dat is de mening van Rabbi Meïr. Rabbi Juda zegt: beter dan beide is hij die een gelofte doet en betaalt. Maar Rabbi Juda doelt alleen op het geval van iemand die een offer aan de Tempel belooft. (Choellin 2a)
Een opmerkelijke parallel met Jezus ''laat uw ja ja zijn etc” is te vinden in deze passage: R. Eleazar zei: ‘ Nee' is een eed. ‘Ja', is een eed. Toegegeven, ‘Nee' is een eed, want er staat geschreven: (Gen. 8: 15 in het verhaal van de zondvloed)  Ik zal denken aan mijn verbond met jullie en met al wat leeft, en nooit weer zal het water aanzwellen tot een vloed die alles en iedereen vernietigt. ‘. Maar dat ‘Ja' ook een eed is , hoe weten we dat dan? — Dat is logisch,, want als ‘Nee' een eed is, is ‘Ja' ook een eed.. Maar Rava zei: maar alleen als men zegt ‘Ja, ja' tweemaal dus, want er staat ook geschreven: (Gen. 9:!!, God zegt wederom) Deze belofte doe ik jullie: nooit weer zal alles wat leeft door het water van een vloed worden uitgeroeid. Een als ‘nee' tweemaal gezegd moet worden om een eed te zijn, moet ‘Ja' ook tweemaal gezegd (Sjevoe'ot 36a).
Als God tweemaal iets belooft, dan is het dus een gelofte, dit ter navolging door de mens met zijn tweemaal ja.

Dit echoot na in de brief van Jacobus: zie Jacobus 5, 12: Maar bovenal, broeders en zusters, zweer geen enkele eed, niet bij de hemel, niet bij de aarde, nergens bij. Laat uw ja ja zijn, en uw nee nee, anders zult u ervoor gestraft worden.
Dat doet vermoeden, aldus Peter Thomson, dat Mattheus - of althans de redacteur van het Mattheus-evangelie - en Jacobus hebben geput uit dezelfde rabbijnse bronnen.

Geraadpleegd:
dr. Marcus van Loopik: Balk en Splinter, Joodse achtergronden van de Bergrede , Pardes, 2011 Peter J. Tomson, ‘Als dit uit de hemel is... ', B. Folkertsma Stichting voor Talmudica, 1997

Parashat Pinchas Bemidbar / Numeri 25:10–30:1
breekt nood de wet?

Het verhaal

De vorige parasha Balak besloot met het begin van een nieuw drama: de ontucht van de Israëlieten met de meisjes van Mo'av in het kader van de afgodendienst aan Ba'al Pe'or. Dat wekt de woede van de Eeuwige. Een dodelijke ziekte verspreidt zich onder ht volk en leidt tot een rampzalige sterfte. Er wordt een belangrijke vergadering belegd om de crisis het hoofd te bieden en ‘ Moshé (zei) tegen de rechters van Israël: Ieder moet zijn mannen doden die zich aan Baäl-Peor gekoppeld hebben (Bem. 25:5)'. In die raadsvergadering spitst het gebeuren zich dramatisch toe als één van de prinsen uit de stam Sjim'on, Zimri genaamd, een bijzonder provocerende daad verricht. Tot verbijstering van Moshé en de vergaderde rechters voert deze prins een Midianitische prinses openlijk naar zijn tent om met haar de bijslaap te verrichten
De heetgebakerde Pinchas kan dit niet langer aanzien en neemt zijn toevlucht tot eigenrichting. Hij pakt zijn speer en gaat naar de tent waar de prins Zimri en de Midjanitische Kosbi inmiddels de bijslaap bedrijven en doorsteekt met dat wapen hun onderlichamen. De sterfte is toen gestopt. Vierentwintigduizend slachtoffers waren er gevallen. Voor de medische wetenschap is het verleidelijk te veronderstellen dat het een geslachtsziekte betrof, die de Israëlieten had besmet tijdens hun deelname aan de tempelprostitutie van de meisjes uit Mo'av en Midjan.

Pas nu begint onze parasha met:
25:10 Toen sprak de Eeuwige tot Moshé: 11 Pinchas, de zoon van El'azar, de zoon van de priester Aharon, heeft Mijn grimmigheid over de Israëlieten afgewend, doordat hij zich in hun midden met ijver (be-kan'o, (1)) voor Mij heeft ingezet, zodat Ik de Israëlieten niet in Mijn na-ijver (be-kin'ati) vernietigd heb. 12 Zeg daarom: Zie, Ik geef hem Mijn verbond van vrede: 13 hij, en zijn nageslacht na hem, zullen het verbond van het eeuwige priesterschap hebben, omdat hij zich voor zijn God heeft ingezet en verzoening voor de Israëlieten heeft gedaan.

Pinchas stelt met zijn verhaal de vraag actueel: wanneer is een recht en wet doorbrekende daad, die in aller belang lijkt te worden verricht en vele levens spaart, gerechtvaardigd? Kennelijk heeft God de impulsieve daad van eigenrichting achteraf goedgekeurd en zelfs beloond met de promotie van het eeuwig priesterschap.

fanatisme

De vurige dienstbaarheid, die tot extremisme kan leiden, was ook al te vinden bij de zonen van Aharon, Nadav en Avihoe, die zich te buiten gingen in geestdriftige maar ongevraagde rituelen (Shemot/Ex. 10:1). Volgens de Midrash speelden de zielen van deze twee dan ook door in de persoon van Pinchas. De ziel en de ‘zeal ‘ van Pinchas ging volgens de midrash weer over naar de profeet Elijahoe, die ook door dienstwillige ijver werd bezield. Niet voor niets treedt hij op in de Haftara – toegevoegde profetenlezing – van deze week (1 Meelachim/Koningen 18:46-19:21 ). Nadat Elijahoe de vierhonderd profeten van Ba'al had laten ombrengen en het volk door zijn regenwonder weer tot erkenning van de ware God had bewogen, kwam hij, opgejaagd door koningin Izèwèl, terecht in de grot op de berg Chorew waar ooit onder gedonder de tien woorden waren gegeven. De Eeuwige vraagt daar aan Elijahoe ‘Wat heb jij gedaan?', en de ‘zeloot' antwoordt: Ik heb met ijver geijverd voor De Eeuwige, de God van de hemelse machten' (1 Melachim/Koningen 19:10 ev: kan'o kineti ,). Dan gaat de Eeuwige voorbij aan de grot en Hij is niet in de donder, niet in het vuur en niet in de storm. Hij is in een subtiele stilte ( kol demama daka ). De Eeuwige herhaalt zijn vraag: ‘ Wat heb jij gedaan ?', en de ‘zeloot' geeft het zelfde antwoord: Ik heb met ijver geijverd voor De Eeuwige, de God van de hemelse machten. Deze vraag aan Elijahoe die een vraag naar rekenschap lijkt, wordt twee maal gesteld. Na de tweede maal klinkt de vraag als een berisping, de fluistersfeer maakt de vraag tot een oproep tot zelfreflectie en tot matiging van fanatisme (3). Is het toeval, dat meteen na dit gebeuren Elijahoe de opdracht krijgt Elisha als zijn opvolget te zalven? Later zal in de legende Elijahoe bekleed worden met de taak als profeet ooit de messiaanse vrede aan te kondigen.

Het fanatisme gaat vaker wel dan niet over de schreef. In het geval van Pinchas was er sprake van een acute noodsituatie (in dit geval de om zich heen grijpende epidemie), een acute maatschappelijke ontwrichting (de anarchie van normen en waarden) en het overweldigende levensreddende karakter van de daad, i.c. twee slachtoffers versus de duizenden levens van de volksgenoten. Zijn dat voldoende criteria?
Vele commentatoren hadden en hebben moeite met de beoordeling van de daad van Pinchas. Ook de vaststellers van de uiteindelijke Hebreeuwse tekst in de vroege middeleeuwen, de Masoreten; dat blijkt wellicht uit het schrift in de Torarol (sefer Tora) en in de Hebreeuwse tekst van de Tora in boekvorm (de Choemash). Daar is in vers 11 de naam Pinchas met een heel kleine jod geschreven en de vav (klinkend hier als o) in ‘ briti shalom ', mijn verbond van vrede, is gebroken in twee stukken, leest u het maar na. De eigenlijke durende vrede kan op deze wereld nooit door geweld worden bereikt, is mijn favoriete uitleg.


noten

(1) In een midrash, verhaald in de Talmoed (Sanhedrin 82a en b), wordt het provocatieve karakter van deze daad nog benadrukt in een schilderachtige uitweiding over hoe dat zich mogelijk heeft afgespeeld.
Zie voor een parasfrase hier.

(2) Dat Pinchas een fanatiekeling was is m.i. ook in de tekst af te leiden uit het veelvuldig gebruik in vers (pasoek) 11 van de woordstam kan'a ) ,dat zowel de betekenis ijver als naijver in zich draagt, het best weer te geven in het Engels als ‘zeal'. Het woord kin'a betekend jaloersheid, naijver (voortlevend in het Jiddische kinnesinne < Kin'a sin'a , naijver en haat) ). Het Hebreeuws voor ‘zeloten' is kana'im . Pinchas heeft - letterlijk vertaald – ‘met zijn ijver mijn naijver verjaagd want anders had ik in mijn naijver de kinderen van Israel vernietigd'.

(3) aldus ook Rabbijn Jonathan Sacks in zijn commentaar

RC juli 2015


In een midrash, verhaald in de Talmoed (Sanhedrin 82a en b), wordt het provocatieve karakter van deze daad nog benadrukt in een schilderachtige uitweiding over hoe dat zich mogelijk heeft afgespeeld. Ik parafraseer.
Leden van de stam van Shim'on gaan naar hun prins Zimri geheten en zeggen: de doodstraf wacht jou en je blijft maar zitten? Zimri stond op en verzamelde 24000 man om zich heen. Hij ging naar de prinses Kozbi van Midian (behalve Mo'av was blijkbaar ook het volk van Midjan betrokken). Hij zei, geef je aan mij over. Zij zei, ik ben de dochter van de koning en geef mij alleen aan de allergrootste. Hij zei, ik ben de prins van een stam, een stam belangrijker dan die van Moshé (immers Shim'on is de tweede zoon van Jacob en Moshé's voorvader Levi de derde). Toen pakte hij haar bij haar kapsel en bracht haar voor Moshé. Zoon van Amram, riep hij naar hem, is deze vrouw toegestaan? En als je zegt van niet, wie stond jou de dochter van Jitro toe (Tsipora, Moshé's vrouw, was een Midjanitische, dochter van de Midjanitische priester Jitro). Moshé was geheel uit het veld geslagen en het volk barstte in huilen uit, ‘ zij huilden bij de ingang van de tent van ontmoeting (25:6)'
Pinchas zag dat allemaal gebeuren en herinnerde zich weer wat de voorschriften zeggen en zei tegen Moshé: oudoom, leerde je ons niet bij de afdaling van de berg Sinaj, dat hij die de bijslaap verricht met een heidense vrouw de dood verdient door de hand van ijveraars (zealots, zeloten, wsch staat er hebreeuws kana'im). Tot zover deze Talmoedische uitweiding.
pijltje

Parashat Pinchas Bemidbar / Numeri 25:10–30:1

Het verhaal van Pinchas begint aan het eind van het hoofdstuk Balak.
De mannen van Israël waren ontucht beginnen te plegen met Moabitische meisjes, die de Ba'al vereerden met bepaalde seksuele riten, waaraan de mannen blijkbaar deelnamen, een vorm van tempelprostitutie, die geheel in strijd was met de scheiding tussen de dienst aan de Eeuwige en seksualiteit die in de Mozaïsche voorschriften wordt nagestreefd.
Toen een vooraanstaande man openlijk onder de ogen van Mosjé en temidden van de volksvergadering met zijn Moabitische vrouw verscheen, tot ontzetting van de aanwezigen, werd dit Pinchas, de kleinzoon van Aharon, te veel; hij ging het stel achterna tot in het slaapvertrek en doodde hen door ze met een speer in het onderlichaam te steken. Kennelijk werd door deze daad van zowel grote toewijding als heetgebakerd fanatisme een intussen ook opgestoken en snel om zich heen grijpende epidemie van een ernstige ziekte gestopt.

Er wordt wel verondersteld dat er eerst de epidemie was " wellicht de pest " en dat men de plaag probeerde af te wenden door zijn toevlucht te zoeken bij de tempelprostitutie met Moabitische vrouwen, waardoor in feite de besmetting juist werd bevorderd.
Door zijn schokkende daad heeft Pinchas " vanuit een heilige intuïtie eerder dan door medische kennis - aan dit verderfelijke proces een halt toegeroepen (vermeld bij W. Gunther Plaut).

Hoe het ook zij, opvallend is, dat de parasja begint met de verheerlijking van deze daad van eigenrichting door Pinchas. Geen vooroverleg, laat staan een proces was er aan de hand. Maar door zijn wrekende actie heeft hij wél de woede van G-d van de kinderen van Jisraël afgewend. Hem wordt aangeboden "Mijn verbond van vrede ("b'riti shalom')" en het priesterschap voor hem en zijn nakomelingen.

Is dat niet gevaarlijk, dat in de Tora deze overijlde en heetgebakerde daad van eigenrichting wordt gesanctioneerd en beloond"
Oude wijzen hebben wel aanwijzingen willen zien, dat Mosjé en de volksvergadering de daad van Pinchas hebben willen afkeuren en hem hebben willen "excommuniceren'. Misschien heeft er inderdaadachteraf wel een zitting van de volksvergadering onder leiding van Mosjé plaatsgevonden.
De woorden van de Eeuwige in 25, 11-13 kunnen dan gelezen worden als een interventie tegen deze afkeuringsplannen en een verdediging van de daad van Pinchas als absoluut ingegeven door integere toewijding en goddelijke ingeving.

Toch stemt deze redenering mij niet geruster. Daarvoor is en wordt nog steeds te vaak een beroep gedaan op goddelijke ingevingen om daden van destructie, moord en zelfs genocide te rechtvaardigen als daden om volkeren of zelfs de mensheid te redden of te behoeden voor ramp en verderf.

In een ander commentaar werden de passages rond de daad van Pinchas gezien als wijzend op verwerping van pacifisme en als een goedkeuring van geweld tegen de destructieve krachten van b.v. nazi's en terroristen.
Naar mijn bescheiden mening zit dat er net naast.
Met deze uitleg kan iedere fanaticus, van de christen fundamentalist tot de moslim terrorist, zich op deze passage beroepen.

Volgens mij vereist de richtlijn die uit deze passages te halen is een meer subtiele redenering.
Natuurlijk was in het kamp van de Benee Jisraël sprake van een crisis situatie. Tegelijk stierven er mensen bij bosjes aan een vreemde ziekte en er was bij vele mannen de losgelagen situatie van een volledig loslaten van de voorgeschreven normen en waarden van de Tora.
Mosjé had al verordonneerd dat alle schuldigen moesten worden omgebracht.
Maar Pinchas vond dat er in deze acute nood nog sneller moest worden ingegrepen en handelde als antwoord op de vergaande provocatie van de openlijke ontuchtpleger onmiddellijk; twee mensen bracht hij om en wie weet heeft hij in een goddelijke intuïtie zo een kennelijk transcendente onbalans, een verstoorde orde weer hersteld, uitgedrukt in de terminologie, dat hij de woede van G-d van de kinderen van Jisraël heeft afgewend; door twee mensen te doden heeft hij het voortbestaan van de natie veilig gesteld en de levens van zijn volksgenoten voor het verdere voortwoekeren van de epidemie behoed.

Deze anarchistische en onjuridische daad is daarom echter nog geen daad, die oorlog en eigenrichting per definitie voortaan fiatteert.
Want de daad moest áchteraf met redenen omkleed aan Mosjé worden uitgelegd als een in dit geval terechte daad die de bezegeling met goddelijke goedkeuring kon wegdragen.
En dit is volgens mij de implicatie: dat Pinchas deze actie van hem voor zijn volledige eigen verantwoording nam, dat hij een eigen afweging heeft gemaakt en zich niet van te voren al gerechtvaardigd wist. Net zoals alle andere daders na hem hun eigen liquidatie-acties niet op God of een precedent kunnen afwentelen. Al die acties zullen a posteriori op hun motivering, integriteit, afwegingen en effecten beoordeeld moeten worden.
Zeker drie belangrijke criteria die achteraf aangelegd zouden kunnen worden zijn uit de situatie van Pinchas af te leiden:
Er moet sprake zijn van een acute noodsituatie (in dit geval de om zich heen grijpende epidemie), een acute maatschappelijke ontwrichting (de anarchie van normen en waarden)en het criterium van het overweldigende levensreddende karakter van de daad, i.c. was dat twee slachtoffers versus de rest van de levens van de volksgenoten.
Denk aan Yigal Amir, Mohammed B., die zich ook op Goddelijke of Schriftuurlijke rechtvaardigingen zullen hebben beroepen, maar wier daden niet door die beugel konden.

Is dat niet de diepere betekenis van de uitspraak: "Hiervoor bied Ik hem Mijn vredesverbond aan." (25, 12), de betekenis zo ongeveer van: in dit éne geval krijgt bij uitzondering deze man Pinchas achteraf de opperste goedkeuring en mag hij zijn gemoed in vrede bezitten"

Rob C. 230705

Parashat Pinchas Bemidbar / Numeri 25:10–30:1
breekt nood de wet?


Het verhaal

In de vorige parasha Balak begon al de geschiedenis van de ontucht van de Israelieten met de meisjes van Mo'av en de afgodendienst aan Ba'al Pe'or. We verhalen het zich ontspinnende drama vanaf dan even verder.
De woede van de Eeuwige ontsteekt en ontlaadt zich in een dodelijke ziekte en een grote sterfte onder het volk, hoewel dat pas later in het verhaal vermeld wordt. Er wordt een belangrijke vergadering belegd om de crisis het hoofd te bieden en ‘ Moshé (zei) tegen de rechters van Israël: Ieder moet zijn mannen doden die zich aan Baäl-Peor gekoppeld hebben (Bem. 25:5)' In die raadsvergadering spitst het gebeuren zich dramatisch toe als één van de prinsen uit de stam Sjim'on een bijzonder provocerende daad verricht. Tot verbijstering van Moshé en de vergaderde rechters voert een prins uit de stam van Shim'on een Midianitische prinses openlijk naar zijn tent om met haar de bijslaap te verrichten . In een midrash, verhaald in de Talmoed (Sanhedrin 82a en b), wordt het provocatieve karakter van deze daad nog benadrukt in een schilderachtige uitweiding over hoe dat zich mogelijk heeft afgespeeld. Ik parafraseer.
Leden van de stam van Shim'on gaan naar hun prins Zimri geheten en zeggen: de doodstraf wacht jou en je blijft maar zitten? Zimri stond op en verzamelde 24000 man om zich heen. Hij ging naar de prinses Kozbi van Midian (behalve Mo'av was blijkbaar ook het volk van Midjan betrokken). Hij zei, geef je aan mij over. Zij zei, ik ben de dochter van de koning en geef mij alleen aan de allergrootste. Hij zei, ik ben de prins van een stam, een stam belangrijker dan die van Moshé (immers Shim'on is de tweede zoon van Jacob en Moshé's voorvader Levi de derde). Toen pakte hij haar bij haar kapsel en bracht haar voor Moshé. Zoon van Amram, riep hij naar hem, is deze vrouw toegestaan? En als je zegt van niet, wie stond jou de dochter van Jitro toe (Tsipora, Moshé's vrouw, was een Midjanitische, dochter van de Midjanitische priester Jitro). Moshé was geheel uit het veld geslagen en het volk barstte in huilen uit, ‘ zij huilden bij de ingang van de tent van ontmoeting (25:6)'
Pinchas zag dat allemaal gebeuren en herinnerde zich weer wat de voorschriften zeggen en zei tegen Moshé: oudoom, leerde je ons niet bij de afdaling van de berg Sinaj, dat hij die de bijslaap verricht met een heidense vrouw de dood verdient door de hand van ijveraars (zealots, zeloten, wsch staat er hebreeuws kana'im). Tot zover deze Talmoedische uitweiding.
Pinchas pakt zijn speer en gaat naar de tent waar Zimri Kosbi inmiddels de bijslaap bedrijven en doorsteekt met dat wapen hun onderlichamen. De sterfte is daarmee gestopt. Niettemin waren er al vierentwintigduizend slachtoffers gevallen (het is verleidelijk te veronderstellen dat het een geslachtsziekte betrof, die vanuit Mo'av en Midjan de Israelieten had besmet).

Het verbond van vrede

Pas nu begint onze parasha met:
10 Toen sprak de HEERE tot Moshé: 11 Pinchas, de zoon van El'azar, de zoon van de priester Aharon, heeft Mijn grimmigheid over de Israëlieten afgewend, doordat hij zich in hun midden met ijver (be-kan'o) voor Mij heeft ingezet, zodat Ik de Israëlieten niet in Mijn na-ijver (be-kin'ati) vernietigd heb. 12 Zeg daarom: Zie, Ik geef hem Mijn verbond van vrede: 13 hij, en zijn nageslacht na hem, zullen het verbond van het eeuwige priesterschap hebben, omdat hij zich voor zijn God heeft ingezet en verzoening voor de Israëlieten heeft gedaan.

In deze postbijbelse tijden zijn wij niet echt gelukkig met dit staaltje van eigenrichting door Pinchas, zeker niet in dit huidig tijdsgewricht, waarin zoveel fanatieke individuen menen in naam van welke godheid dan ook geweld te prediken of te bedrijven en zodoende de wereld te redden.
Dat Pinchas een fanatiekeling was is m.i. ook in de tekst af te leiden uit het veelvuldig gebruik in vers (pasoek) 11 van de woordstam kan'a ) ???), dat zowel de betekenis ijver als naijver in zich draagt, het best weer te geven in het Engels als ‘zeal'. Het woord kin'a betekend jaloersheid, naijver (voortlevend in het Jiddische kinnesinne < Kin'a sin'a , naijver en haat) ). Het Hebreeuws voor ‘zeloten' is kana'im . Pinchas heeft - letterlijk vertaald – ‘met zijn ijver mijn naijver verjaagd want anders had ik in mijn naijver de kinderen van Israel vernietigd'. Overigens is dit een uitleg die de Eeuwige pas na Pinchas' daad aan Moshé geeft, er staat niet dat de Eeuwige vooraf aan Pinchas enige opdracht heeft ingegeven. Het vers 11 lijkt eerder een soort rechtvaardiging achteraf, de goedkeuring van een vonnis, dat eigenlijk Moshé als rechter had moeten geven en doen voltrekken. Het verbond van vrede met Pinchas, dat de Eeuwig aan Moshé zegt gesloten te hebben moet door deze bekend gemaakt worden en het lijkt daarom vooral een soort publieke eenmalige goedkeuring achteraf voor één keer van deze individuele gewelddadige eigenrichting. De overlevering verhaalt, dat het volk morde tegen Pinchas die zomaar een andere hoofdman van Israel had vermoord, Pinchas, die, zo wordt hem voorgeworpen, nota bene zelf ook de zoon was van een Midjanitische, de dochter van Putiel, die wordt geïdentificeerd als de eerder genoemde Midjanitische priester Jitro (zie Rashi ad vers 11 en Shemot/Ex. 6:25). Mogelijk moest dit aan het publiek verkondigde vredesverbond het volk apaiseren en hen bekendmaken met de verzoenende werking, die voor deze ene keer Pinchas met zijn daad in deze extreme crisis had bewerkstelligd.
Pinchas stelt met zijn verhaal de vraag actueel: wanneer is een wet en recht doorbrekende daad, die in aller belang lijkt te worden verricht en vele levens spaart, gerechtvaardigd?

Fanatisme

De vurige dienstbaarheid, die tot extremisme kan leiden, was ook al te vinden bij de zonen van Aharon, Nadav en Avihoe, die zich te buiten gingen in geestdriftige maar ongevraagde rituelen (Shemot/Ex. 10:1). Volgens de Midrash speelden de zielen van deze twee dan ook door in de persoon van Pinchas. De ziel en de ‘zeal ‘ van Pinchas ging volgens de midrash weer over naar de profeet Elijahoe, die ook door dienstwillige ijver werd bezield. Nadat hij de profeten van Ba'al had laten ombrengen kwam Elijahoe, opgejaagd door koningin Izèwèl, terecht in de grot op de berg Chorew – waar ooit onder gedonder de tien woorden waren gegeven. Op de vraag van de Eeuwige aan Elijahoe ‘Wat heb jij gedaan?', antwoord deze ‘zeloot': Ik heb met ijver geijverd voor De Eeuwige, de God van de hemelse machten (1 Koningen 19:14: kan'o kineti, ?????? ????????? ) ‘ Dit gebeuren wordt verhaald in de haftara (profetenlezing) van deze week.
Deze vraag aan Elijahoe die een vraag naar rekenschap lijkt, bijna een berisping, klinkt niet als de donder, want daarin is de Eeuwige niet en niet in de storm, hij klinkt als een subtiele stilte ( kol demama daka ). Later zal Elijahoe in de legende bekleed worden met de taak als profeet ooit de messiaanse vrede aan te kondigen.

Het fanatisme gaat vaker dan niet over de schreef. In het geval van Pinchas was er sprake van een acute noodsituatie (in dit geval de om zich heen grijpende epidemie), een acute maatschappelijke ontwrichting (de anarchie van normen en waarden) en het overweldigende levensreddende karakter van de daad, i.c. twee slachtoffers versus de rest van de levens van de volksgenoten. Een verdere discussie over de eventuele rechtvaardiging vind u in mijn andere commentaar op deze parasha .
Vele commentatoren hadden en hebben moeite met de beoordeling van de daad van Pinchas. Ook de vaststellers van de uiteindelijke Hebreeuwse tekst in de vroege middeleeuwen, de Masoreten; dat blijkt wellicht uit het schrift in de Torarol (sefer Tora) en in de Hebreeuwse tekst van de Tora in boekvorm (de Choemash). Daar is in vers 11 de naam Pinchas met een heel kleine jod geschreven en de vav (klinkend hier als o) in ‘briti shalom' , mijn verbond van vrede, is gebroken in twee stukken, leest u het maar na; de eigenlijke durende vrede kan nooit door geweld worden bereikt, is mijn favoriete uitleg.

RC

Parashat Balak Bemidbar / Numeri 22:2-25:9
Bil'am, tovenaar of profeet?

De Israëlieten zijn in hun omtrekkende beweging rond het land Kena'an aangeland bij het land Mo'av. Ze hebben intussen door hun overwinningen op koning Sichon en zijn Emorieten, op koning Og van Bashan en anderen een geduchte naam gekregen. De koning van Mo'av, Balak, en zijn Moabieten waren bang geworden voor de overmacht van het volk dat in hun gebied was neergestreken; Ze waren er misselijk van geworden (vertaling Dasberg). Daarom zocht koning Balak hulp in de magische sector. Alvorens een militaire confrontatie aan te gaan wilde hij de kracht van zijn tegenstander spiritueel ondermijnen.
Het was in die tijd niet ongebruikelijk daarvoor je toevlucht te nemen tot vervloekingen en bepaalde magiërs waren daar specialist in; koning Balak ontbood een sjamaan in het oosten, uit Babylonië, die beroemd was om de kracht van zijn vervloekingen: Bil'am.

Het verhaal van Balak en Bil'am vormt een van de hoogtepunten uit de Tora, zowel uit narratief oogpunt als wat betreft de onderliggende thema's die in het verhaal verweven zitten. Spanning, humor en verhevenheid, al die elementen maken het verhaal tot een pakkende vertelling.
Bijbelwetenschappers veronderstellen, dat het oorspronkelijk een apart boek was, dat in de Tora is opgenomen.

De hoofdpersonen zijn Bil'am en de stem van de Eeuwige. Een diepgaande ambiguïteit kenmerkt de relatie tussen hen.
Kennelijk heeft Bil'am het voorrecht rechtstreeks te kunnen spreken met de Eeuwige; hierin evenaart de shamaan Moshé, van wie gezegd wordt dat hij de enige is die ‘van mond tot mond' contact kon hebben met de Allerhoogste . De heersende rabbijnse opvatting schildert hem niettemin af als een verdorven persoon, de verpersoonlijking van het kwaad ( ). Midrashiem beschrijven, hoe hij zijn gave had geleerd van in de hel gevallen engelen. Bil'am heeft vanaf het begin van dit verhaal weet van wat het juiste is om te doen: het verzoek van Balak om Israel te vervloeken meteen afwijzen, dat doet hij, want, zoals de stem van De Eeuwige hem voorhoudt, het volk ‘is immers gezegend' ( ki baroech hoe ).

Het verhaal wordt spannend, als onder pressie van hooggeplaatsten en beloften van goud en zilver de profeet toch toestemt. Begeerte, haat tegen Israel en berekening winnen het echter – in de mainstream opvatting - en hij gaat toch op weg. God geeft zelfs toestemming aan Bil'am voor zijn tocht. De Eeuwige ontpopt zich in het verhaal als een grillige tegenspeler, even ambigu als de dubieuze profeet. Even later blokkeert Hij in de gestalte van een dreigende engel met zwaard de weg. Hilarisch zijn de scenes met de ezelin, die tot driemaal toe ondanks boze klappen van zijn berijder de weg niet wil vervolgen omdat niet Bil'am, maar wel de ezelin de weg verspert ziet door deze dreigende engel, iets wat de ziener met al zijn gaven niet ziet; door zijn ezel wordt de magiër terecht gewezen. Echt gelachen wordt er zelden in de Tora, maar humor kan je deze scene niet ontzeggen. Dan krijgt Bil'am toch weer toestemming om door te gaan. Uiteindelijk blijkt hij in drie sessies het volk van Israel niet te vervloeken; integendeel, hij verheerlijkt en zegent na een overdaad aan rituelen Israel in verheven vergezichten, conform de woorden die De Eeuwige hem in de mond legt, iets waarvoor Bil'am van te voren al heeft gewaarschuwd: ‘Alleen wat God mij in de mond legt kan ik spreken'.
Hoe is het te rijmen, dat een als in-slecht afgeschilderde tovenaar ondanks zijn slechte voornemens toch het goede verricht? Kan het kwaad toch uiteindelijk het goede bewerkstelligen? Een vraag waar eeuwen mee is geworsteld en nog. De oplossing is vaak gezocht in de richting van een ondoorgrondelijk plan Gods. In de hele geschiedenis van de theologie is gefilosofeerd en getheologiseerd over hoe het bestaan van het kwaad is te rijmen met een God, die uiteindelijk het goede beoogt. Is ook het kwaad soms een middel om het goede te bereiken? Bil'am heeft met al zijn kunsten zijn persoonlijke kwade bedoelingen, maar is uiteindelijk is hij een instrument van de grotere wil van de Eeuwige, is dan de verklaring. Hij spreekt zijn profetieën over Israel uit als een marionet, een buiksprekerpop. Eigenlijk staat hij niet achter zijn visionaire woorden..

Toch, als je de tekst van de Tora over Bil'am in deze parasha nog eens onbevooroordeeld naleest is er weinig tot niets wat rechtvaardigt de persoon van Bil'am zo zwart af te schilderen. Aanvankelijk wijst Bil'am erop, dat ‘ Ook al gaf Balak me al het zilver en goud uit zijn paleis, dan nog zou ik niets maar dan ook niets kunnen doen dat ingaat tegen het bevel van de Eeuwige, mijn God' .
Over de hele linie blijft Bil'am ondanks de beloofde schatten trouw aan zijn principe: hij zal alleen zeggen wat God hem ingeeft, onomkoopbaar zal hij blijken te blijven. Nadat hij tot woede van zijn opdrachtgever al driemaal het volk van Israel heeft met rijke vergezichten gezegend in plaats van vervloekt zegt hij wederom aan Balak: ‘ Ik heb al tegen uw gezanten gezegd: “Ook al gaf Balak me al het zilver en goud uit zijn paleis, dan nog zou ik niets kunnen doen dat ook maar enigszins ingaat tegen het bevel van de Eeuwige. Uit mezelf kan ik niets ondernemen; alleen wat de Eeuwige zegt, zal ik zeggen ”. Waarna de langste vierde profetie volgt. Als begeerte niet zijn drijfveer was en wel een vastbeslotenheid om de stem van de Eeuwige trouw te zijn, wat zou dan de motivatie kunnen zijn om toch de opdracht van Balak te aanvaarden? Een antwoord zou kunnen zijn: hij deed gewoon zijn werk als beroemde magier. Hij wilde zijn reputatie als beroemde professional gestand doen. Zijn twijfel om wel of niet te gaan en zijn discussies met God zijn menselijke processen, die op zich niet van verdorvenheid getuigen. In de eerste visionaire sessie spreekt de magier zelfs zijn verlangen uit tot dit gezegende volk te mogen behoren (23:10). In deze visie maakt Bil'am sterk de indruk achter zijn woorden te staan. Hij neemt er verantwoording over. Hij doet zijn werk als een goed en integer profeet.
Aan mijn zijde bevindt zich Maimonides, de nuchtere topgeleerde uit de Middeleeuwen.
Hij noemt de profetieën van Bil'am als ware godsuitspreken, die alleen uit de mond kunnen komen van een ware profeet. "Profetie valt alleen ten deel aan iemand, die een groot geleerde is en zijn natuur volledig weet te beheersen”, kortom een persoon van hoog moreel niveau (1 )

Maar wat moeten we dan aan met een Bil'am, die later Balak adviseerde om de Moábitische meisjes in te schakelen om de Israelieten tot ontrouw en afgoderij te verleiden(31:15 ev) ? Een listig plan, want daarmee zouden de Israelieten zich zelf in het verderf storten.
In de hopeloos verdorven variant van Bil'am zou hij volgens de midrash dat gedaan hebben om door dit advies alsnog zijn honorarium binnen te slepen. Maimonides constateert uit de tekst en overeenkomstig zijn opvattingen over profetie een morele neergang van Bil'am in de loop van de parasha. De omslag van zijn persoonlijkheid vindt plaats na de weidse vierde profetie, als hij zijns weegs is gegaan. Tot dan heeft in de ogen van Maimonides Bil'am de status van een moreel hoogstaande man. Daarna begint er een morele aftakeling en zakt die status beneden peil (2). Of die opduikende slechtheid pure boosaardigheid was of meer een actie om zijn deconfiture goed te maken, om zijn geschonden reputatie weer te herstellen? Of is het – op de keper niet minder slecht = de onverschilligheid van een consultant, die de effectiviteit van zijn adviseurschap alsnog aan zijn teleurgestelde machtige baas wil bewijzen? Zonder dat dat persoonlijk bedoeld was ten opzichte van Israel, hoor.

(1) O.a. in Maimonides' Guide to the Perplexed p. 242
(2) Ook in de Talmoed is druk gediscussieerd over Bil'am. In de lijn van Maimonids zei, bv R. Yochanan over Bi'ám: 'in het begin een profeet, later een tovenaar' (Sanhedrin 106a).

pijltje

Parashat Balak Bemidbar / Numeri 22:2-25:9
Bil'am, een genuanceerd beeld

Korte inhoud

De lange tocht van de kinderen van Israël komt in de buurt van zijn eindbestemming; in deze parasha zijn ze aangeland aan de rand van het beloofde land, aan de overkant van de Jordaan, in het land Mo'av. Na zoveel jaren omzwerving is het volk gegroeid in zelfvertrouwen en militaire kracht. Het had net de Emorieten verslagen en de koning van Mo'av, Balak, zocht, bang geworden voor de overmacht van het volk dat in zijn gebied was neergestreken, hulp in de magische sector. Alvorens een militaire confrontatie aan te gaan wilde hij de kracht van zijn tegenstander spiritueel ondermijnen. Het was in die tijd niet ongebruikelijk daarvoor je toevlucht te nemen tot vervloekingen en bepaalde magiërs waren daar specialist in; koning Balak ontbood een sjamaan in het oosten, uit Babylonië, die beroemd was om de kracht van zijn vervloekingen: Bil'am.
Bil'am accepteert na enige discussie met de stem van De Eeuwige de opdracht en gaat gezeten op zijn ezel op weg. Hilarisch zijn de scenes met de ezel, die tot driemaal toe ondanks boze klappen van zijn berijder de weg niet wil vervolgen omdat het beest de weg verspert ziet door een dreigende engel met zwaard, iets wat Bil'am met al zijn gaven niet ziet; door zijn ezel wordt de wijze magier terecht gewezen. Uiteindelijk lukt het hem in drie sessies niet het volk van Israel te vervloeken; integendeel, hij verheerlijkt en zegent het volk, conform de woorden die De Eeuwige hem in de mond legt, iets waarvoor Bil'am van te voren al heeft gewaarschuwd: ‘Alleen wat God mij in de mond legt kan ik spreken'.
Bil'am en Balak gaan huns weegs. De parasha besluit met de afgodendienst van vele Israelieten aan Ba'al en de daarbij behorende seksuele handelingen met Moabitische meisjes.
De daaropvolgende woede van De Eeuwige en de daarmee gepaard gaande dodelijke ziekte, die zich onder het volk verspreidde (SOA?) werd tot staan gebracht na het driest ingrijpen van Pinchas, die een hoererende prins van Jisrael en zijn Midjanitische met een speer het onderlichaam doorstak. Niettemin waren er al vierentwintigduizend slachtoffers gevallen.

Bil'am, door en door slecht of banaal doener van het kwade

Bil'am is een intrigerende figuur. In veel oude commentaren wordt hij gezien als de verpersoonlijking van het kwaad, een evenknie van Moshé in het kwade, want immers ook Bil'am vermocht net als Moshé rechtstreeks met de Eeuwige te spreken, maar misbruikte zijn spirituele talent voor verdorven kunsten.
Toch verhindert de tekst in de Tora niet om een genuanceerder beeld van deze man te schetsen.
Juist zijn vermogen om de stem van De Eeuwige te horen wijst op een persoon, die toegang heeft tot diepe of hoge inzichten. We zouden de stem van de Eeuwige – heel vrijzinnig – kunnen vertalen met het diepste weten van wat waar en wijs is, een weten, dat diep in ons of boven ons uit in principe voor iedereen toegankelijk is, maar in de regel heel moeilijk bereikbaar. Bil'am heeft vanaf het begin van dit verhaal weet van wat het juiste is om te doen: het verzoek van Balak om Israel te vervloeken meteen afwijzen, want, zoals de stem van De Eeuwige hem voorhoudt, het volk ‘is immers gezegend' ( ki baroech hoe ).
Het verhaal, dat zich verder ontvouwt is het verslag van een man, die heen en weer wordt geslingerd tussen enerzijds een niet aflatend besef van wat de weg van waarheid en wijsheid is en anderzijds de verleiding van eer en geld. Het is als het ware een worsteling tussen integriteit en omkoopbaarheid. Steeds probeert Bil'am te marchanderen met zijn geweten; onweerstaanbaar is zijn verlangen te gloriëren in het aanzien, dat hij als magiër geniet, en zijn drang om zijn machtige opdrachtgevers niet teleurstellen. Tegelijk het lukt hem ook niet zijn diepste weten tot zwijgen te brengen. De stem van dat weten dwingt hem niet maar creeert steeds momenten, die hem voor de keuze stellen om te luisteren of niet. Hoogstens lukt het Bil'am dit tijdens de reis naar het paleis van koning Balak te verdringen, tot zijn ezel hem wijst op zijn koppige ontkenning.
Uiteindelijk komt er van de vervloekingen, waarvoor hij is ingehuurd, niets terecht ondanks alle rituele offers. Tot drie keer toe komen er zegeningen uit de mond van de magier en in lyrische bewoordingen bezingt hij de kracht en de glorie van Israel.

Veel commentatoren, zoals bijv. Rashi, zien Bil'am als een man die van diepe haat naar Israel is vervuld, maar in de macht is van De Eeuwige die hem als een marionet bespeelt, iets wat Bil'am maar het liefst niet wil erkennen, hopend op een moment, dat hij even aan deze macht ontsnappend zijn vervloekingen toch kan uitspreken. ‘Want Bil'am haatte hen (de Israelieten) meer dan Balak', zegt Rashi ad vers 11, hfst 22.

Mogelijk echter haatte Bil'am de Israelieten helemaal niet. Hij handelde misschien zuiver als een professional, ijdel en niet wars van materiële beloning, gespitst om overeenkomstig zijn reputatie zijn opdrachten te vervullen. Wel was hij een professional die last had van iets wat we nu geweten of de wijsheid van de ziel zouden noemen, iets dat hij niet tot zwijgen kon brengen. In dat opzicht is hij herkenbaar menselijk, wij allen marchanderen toch voortdurend met ons weten over wat juist, goed, integer, beter of slechter is?
In de sfeer van deze zienswijze op Bil'am moet ik onvermijdelijk denken aan vele adviseurs, consultants, spin doctors van tegenwoordig. Niet gedreven door idealen, niet door liefde voor het hogere doel of haat tegen de tegenpartij, maar door een neutrale motivatie hun kunsten in dienst te stellen van de meest machtige baas of de hoogste bieder.

Ondanks helder zich volhardend in het verkeerde

Ook zonder tovenarij en zwarte kunsten, maar juist in een houding van open en helder kijken naar de realiteit in al zijn gelaagdheid kan een dieper geïnspireerd schouwen in de nog verborgen mogelijkheden over iemand komen. Zo'n moment heeft ook Bil'am. Dat leidt ik af uit de passage '…daarom ging hij niet als de vorige keren op wichelarijen af maar richtte zijn blik naar de woestijn. Toen Bil'am zijn ogen opsloeg en Jisraël daar naar zijn stamindeling gelegerd zag, kwam de geest van G- d over hem.' (Bemidbar 24, 1-2) Dan volgt wederom een reeks zegeningen en profetische uitspraken. De krachtige uitstraling van de strijdbare massa's in het geordende legerkamp maakt kennelijk ook zonder wichelarij indruk op deze toeschouwer. “Hoe goed zijn uw tenten, Ja'akov, uw woningen, Jisrael!”, roept hij uit en ook nu nog zingen wij hem deze uitroep na in het begin van het avondgebed. Het is is moeilijk te begrijpen, dat na al deze ervaringen Bil'am nog bezield zou zijn door een persoonlijke haat tegen het volk, dat hij zo intensief in al zijn glorie had geschouwd en bezongen. In de eerste visionaire sessie spreekt de magier zelfs zijn verlangen uit tot dit gezegende volk te mogen behoren: ‘Moge ik sterven als die rechtvaardigen, moge ik heengaan zoals zij' (23:10). Je vraagt je bijna af, waarom hij zich niet voor aansluiting heeft aangemeld.

Ik had graag willen geloven dat in Bil'am toch een zekere ommekeer had plaats gevonden. Hij had de almacht van de goddelijke stem ervaren en had aan den lijve gemerkt hoe door zijn mond een grotere macht ten goede spreekt.
Maar aan het slot van de parasha lezen we over de ontucht van het volk met de meisjes van Mo'av. Dat bleek een veel effectievere politiek om het volk te ondermijnen dan de tussenkomst van een magiër. De sterfte van 24.000 mensen was het gevolg. Even verderop in de parashat Matot (Bemidbar 31:16) is te lezen dat op advies van Bil'am het volk van Israël tot deze ontrouw werd verleid.
Was dat een actie van Bil'am om zijn déconfiture goed te maken, om zijn geschonden reputatie weer te herstellen? De actie van een consultant, die de effectiviteit van zijn adviseurschap alsnog aan zijn teleurgestelde machtige baas wil bewijzen? Zonder dat dat persoonlijk bedoeld was ten opzichte van Israel, hoor.

RC 4 juli 2014


Parsaha Balak Bemidbar / Numeri 22:2-25:9
een alternatieve visie op Bil'am?

In deze fase van het verhaal van de tocht van de kinderen van Israël zijn ze aangeland aan de rand van het beloofde land, aan de overkant van de Jordaan, in het land Mo'av. Na zoveel jaren omzwerving is het volk gegroeid in zelfvertrouwen en militaire kracht. Het had net de Emorieten verslagen en de koning van Mo'av zocht, bang geworden voor de overmacht van het volk dat in zijn gebied was neergestreken, hulp in de magische sector. Hij ontbood een sjamaan in het oosten, uit Babylonië, die beroemd was om de kracht van zijn vervloekingen: Bil'am.

Bil'am wordt in midrasjiem van de oude wijzen meestal afgeschilderd als de verpersoonlijking van alle denkbare kwade krachten; hij zou zelfs zijn zwarte kunsten geleerd hebben van verstoten engelen, die hij diep in de ingewanden van de aarde placht te bezoeken.  
Soms wordt hij gezien als ultieme negatieve tegenhanger van Avraham, Jacob en zelfs van Mosjé.  
Volgens velen belichaamt hij het prototype van de antisemiet, een man die leeft van de haat in het algemeen en van de haat tegen de Joden in het bijzonder (op wie de uitspraak van de Talmoedwijzen van toepassing is: "wie Israël probeert te schaden wordt een "rosj", een leider', d.w.z. neem antisemitisme op in je programma, het is de kortste weg naar leiderschap, ontleend aan R. Berel Wein).

Hoe zwart Bil'am ook wordt afgeschilderd, ik wil toch ook op een paar lichtpunten in deze man wijzen. Als in Dewariem wordt gezegd, dat er nooit in Israël een profeet was als Mosjé, wijzen de geleerden erop dat er búiten Israël er wél een was, nl. Bil'am. Ook hij had de macht van het woord. Opvallende parallel: net als Mosjé discussieerde ook hij voortdurend met G-d, zij het niet van aangezicht tot aangezicht; het halve hoofdstuk bestaat uit gesprekken van Bil'am met G-d of uit verslag van Bil'am over deze ontmoetingen aan zijn opdrachtgevers. Uit al die tegenstrevingen van de tovenaar tegen die stem van G-d die soms ook wel wat wispelturig aan doet - soms mag Bil'am wél gaan, soms niet - , blijkt wél dat hij die stem kan horen. En als hij hem hoort - en soms moet zijn ezel hem helpen = is hij die stem wel gehoorzaam en spreekt hij de zegeningen uit die hem worden ingegeven, wie weet wel met levensgevaar van de kant van zijn koninklijke opdrachtgever. Integriteit kan hem niet worden ontzegd.  
Hoe destructief de afgodendienaar Bil'am in zijn vervloekingenpraktijk ook verder moge zijn, in deze parasja is hij bevattelijk voor het horen van de stem van de Eeuwige. Zelfs ook wordt hij ten slotte overvallen door rechtstreeks helder zicht: twee rondes van rituelen hebben Bil'am niet tot vervloekingen kunnen brengen, maar slechts tot zegeningen en in de derde ronde staat er:  
‘ Bil'am ging niet als de vorige keren op wichelarijen af maar richtte zijn blik naar de woestijn. Toen Bil'am zijn ogen opsloeg en Jisraël daar naar zijn stamindeling gelegerd zag, kwam de geest van G- d over hem.' (Bemidbar 24, 1-2)
Dan volgt wederom een reeks zegeningen en profetische uitspraken. De krachtige uitstraling van de strijdbare massa's in het geordende legerkamp maakt kennelijk indruk. Ook zonder tovenarij en zwarte kunsten, maar juist in een houding van open en helder kijken naar de realiteit in al zijn gelaagdheid kan een dieper geïnspireerd schouwen in de nog verborgen mogelijkheden worden gegeven.

Wat is nu het werkelijke contrast tussen Mosjé en Bil'am?

Misschien dit: Mosjé belichaamt de gerealiseerde, de met zijn volk verbondene, die in een staat van verlichting in contact is met enerzijds de goddelijke dimensie, anderzijds met de wereldse en menselijke dimensie en de taak heeft deze bij elkaar te brengen. Bil'am is te lezen als b'li am , zonder volk betekent dat. Hij is de eenling, de onverbondene, die in het labyrinth van het ego vatbaar is voor de meest duistere dwaalwegen; maar uit deze parasja blijkt, dat ook in die donkere situatie een stem naar de waarheid en een zicht naar het licht kan doorbreken, ondanks het verzet en door alle tegenstrevingen heen.  
En u voelt hem al aankomen: we hebben allemaal ook iets van Bil'am in ons, die gevangen is tussen de verleidingen van geld, macht, arrogantie, eigenbelang, kortom ego, en een dieper weten van waarheid en helder zicht.  
De parasja (24,25) zegt simpelweg, dat Bil'am terugkeerde naar zijn woonplaats.
Was hij nu zelf ook ten goede gekeerd door zijn ervaringen?  

Aan het slot van de parasja lezen we over de ontucht van het volk met de meisjes van Mo'av. Dat bleek een veel effectievere politiek om het volk te ondermijnen dan de tussenkomst van de magiër. De sterfte van 24.000 mensen was het gevolg.  
In de midrasj zou Bil'am deze ondermijningspolitiek aan Balak hebben geadviseerd: laat Moabitische meisjes de mannen van Jisraël verleiden.  
In de Tora staat daar niets over.  
Ik kies inzake de verdere levensloop van Bil'am voor een open einde.

Evenwel, even verderop in Bamidbar 31, 16, staat wel degelijk – zag ik later - dat op advies van Bil'am het volk van Israël tot ontrouw werd verleid.
Vervolgens kwam ik in het commentaar van Nechama Leibovitz een uitgebreid citaat uit de Talmoed tegen, waarin in geuren en kleuren dit advies van Bil'am wordt beschreven: hoe de meisjes in de marktkramen met een beker wijn in de ene en een afgodsbeeldje in de andere hand de mannen van Israël moesten verleiden, inclusief de verlokkende woorden die deze meisjes moesten gebruiken (Sanhedrin 106a).
Ik had graag willen geloven dat in Bil'am toch een zekere ommekeer had plaats gevonden.

Moet ik mijn eerdere conclusie t.a.v. Bil'am herzien en tot de slotsom komen, dat een mens als Bil'am de almacht van G- d eerst kan ervaren en aan den lijve kan merken hoe door zijn mond een grotere macht spreekt om dan toch onaangedaan door dit wonder te volharden in zijn eerdere kwade opzet t.a.v. het volk Israël, dat hij even tevoren zulk een glorieus lot had voorspeld? In dat geval moet hij toch eigenlijk niet aan zijn eigen zegenrijke teksten hebben geloofd.
Ik laat dit verder even voor wat het is.

Hoe het ook zij, we hebben aan hem twee onsterfelijke zinnen te danken:
'Het (Jisraël) is een volk dat afgezonderd woont en zich niet rekent onder de volkeren'
en: 'Hoe goed zijn uw tenten, Ja'akov, uw woningen, Jisraël!'

Rob C. 140705 herzien 210713 pijltje

 

Parasha Choekat  
Wat heeft Moshé verkeerd gedaan?



Korte inhoud


De parasha Choekat begint met veel dood.

Het begint met het ritueel van de Rode Koe: hét voorbeeld van een ‘chok', een wet waarvan men niet naar de diepere zin (ver)mag te vragen, maar die eenvoudigweg opgevolgd moet worden, de Rode Koe, waarvan de as vermengd met water dient als reiniging voor wie in aanraking is geweest met een dode.  

Dan vermeldt de parasha de dood van Moshé's zuster Mirjam.

Vervolgens verhaalt de parasha de gebeurtenissen rond het water van Meriwa; het morrend en dorstig volk drijft Moshé en Aharon tot het uiterste en Moshé slaat met zijn staf ongeduldig op de rots, waaruit weliswaar water gaat stromen, waarna echter Moshé en Aharon te horen krijgen dat ze het beloofde land niet zullen intrekken, en dat hun dagen geteld zijn.

Wat verderop in de tijd bestijgt Aharon, ontdaan van zijn ambtskleren, de berg Hor om daar te sterven.

Met de slangenplaag lijkt de reeks tegenslagen, opstanden, sterfgevallen - begonnen met de verspieders in parashat Sjelach - te culmineren.  
Na de genezing via de koperen slang, omhooggehouden door Moshé, lijkt er een ommekeer te komen: de kinderen van Israël verslaan koning Sichon en zijn Emorieten.  

Wat heeft Moshé verkeerd gerdaan?

Ik ga verder in op het gebeuren bij Mé Meriwa, het water van de twist.
De grote vraag rond deze passage is: wat hebben Moshé en Aharon verkeerd gedaan, dat zij dit oordeel van De Ene: ‘dat zij de gemeenschap niet naar het land zouden brengen' - over zich hebben afgeroepen?

Mogelijkheid één: Moshé heeft de instructies van De Eeuwige niet precies gevolgd, want gezegd is dat hij moest spreken tegen de rots, niet dat hij die met de staf moest slaan (Rasji). Ontlastende omstandigheden: punt één is dat de instructies wél de staf noemen ("Neem de staf", 20, 8), zodat verwacht mag worden hem ook te gebruiken, waarbij ‘punt twee' er ook nog een precedent is, waarbij de staf wél zonder consequenties voor een waterwonder werd gebruikt, Sjemot 17, 2-6.

Mogelijkheid twee: Moshé liet zich meeslepen door zijn woede - dit wordt met enig recht geconcludeerd uit zijn woorden in 20, 10 - , hetgeen een groot man niet past (Maimonides). Ontlastende omstandigheid: volgens velen speelt deze scene zich na bijna veertig jaar woestijn af. Een geheel nieuwe generatie is opgegroeid. Maar nog steeds gedraagt het volk zich morrend, ongelovig en weerspannig; mag een leider dan niet eens ongeduldig en boos zijn? Antwoord is, hoe groter de man, hoe hoger de lat, dus nee. Maar dan nog lijkt de straf toch excessief.

De diepere grond van de ontzegging aan Moshé en zijn broeder om hun volk het beloofde land in te leiden moet gezocht worden in de redengeving door de Eeuwige in 20, 12: "omdat jullie Mij niet geheiligd hebben in de ogen van de kinderen van Israël”.  
Moshé en ook Aharon hebben het waterwonder voor zích gehouden. Ze hebben niet aan het volk duidelijk gemaakt, dat het wonder van De Ene afkomstig was en zij slechts het instrument waren. Zo hebben zij de gelegenheid gemist om het volk te onderwijzen en het godsgeloof te versterken, maar, integendeel, ze hebben er zodoende er aan bijgedragen - wellicht ongewild - , dat het volk hén als de wonderdoeners zou gaan beschouwen, sterker nog, het volk zou in de verleiding komen de persoon van Moshé te gaan vergoddelijken, geheel in strijd met zijn eigen boodschap en met de hele strekking van de Tora. Daarom is - afgezien van dat naar menselijke maat Moshé en zijn broeder op dit moment al zeer oude mannen zijn - het beter dat zij niet langer het volk leiden.  

Zelfs de grootste profeet Moshé heeft zijn feilbaarheden. Hij wilde een heilig man zijn en een heilig volk leiden, maar ook zijn heiligheid heeft zijn grenzen. Samen met zijn nog lang niet heilig geworden generatie gaat ook hij "misschien als laatste" heen, voordat het heilig land wordt binnengetrokken. De kapitein die met zijn schip ondergaat.  
Wat als Moshé zijn eigen grootheid had getranscendeerd en zelfs in Meriwa zijn geduld had bewaard en zijn spiritueel leiderschap had getoond? Had hij dan wel het volk het land binnengeleid? Had hij dan werkelijke heiligheid bereikt? Had Israël hem dan gevolgd in zijn voortreffelijk voorbeeld en het land zonder bloedvergieten gewonnen? Was niet lang daarna het zwaard omgesmeed tot ploegschaar? Had Moshé dan het domein van de onsterfelijkheid betreden?

(mede is gebruik gemaakt van het commentaar van   R. Ari Kahn )

Parashat Choekat   Bemidbar / Numeri 19:1–22:1  
Slangen  

De parasja Choekat bevat veel dood.
Het begint met het ritueel van de ‘rode koe'. Voor mensen en dingen die in contact zijn gekomen met een dode dient reiniging plaats te vinden en daarvoor moet een smetteloze ‘maagdelijke' rode koe ( para adoema ) - een uiterst moeilijk te vinden beest - buiten het kamp volgens een complex ritueel worden geslacht en verbrand; dan kan de as vermengd met water voor de reiniging worden gebruikt door o.a. besprenkeling. Voorbeeld van een ‘ chok ', een wet waarvoor geen ratio is te vinden, zelfs Sjlomo Hamelech (koning Salomo) is het niet gelukt. Op dit punt heeft de Tora 38 jaar laten verstrijken, wat uit de tekst impliciet blijkt. Een nieuwe generatie is opgestaan en de leiders van het volk zijn hoogbejaard geworden. Al die tijd hebben ze waarschijnlijk in de oase van Kadesj doorgebracht. Meteen na het voorschrift van de rode koe wordt de dood van Mirjam, Mosjee's zuster, beschreven. Dan volgt het bekende incident bij het water van Meriva. Mosjee en Aharon bewerken voor jet dorstig volk het waterwonder, maar geven de eer ervan niet aan de Eeuwige, die hen aankondigt dat zij geen van beiden het beloofde land zullen betreden.(1). De Israelieten breken na 38 jaar op van de oase van Kadesj en trekken verder richting Kenaän. De reis gaat verder. Voor Aharon komt de dood al spoedig. Hij bestijgt, honderdentwintig jaar oud, de berg Hor om daar te sterven. Mosjee ontdoet zijn oudere boer van zijn ambtskleren als hogepriester en bekleedt diens zoon Elazar daarmee. Voor Mosjee zal het einde drie jaar later komen.

De Israëlieten trekken, zuidwaarts de woestijn in, waar droogte en andere ontberingen het volk weer treffen. We gaan wat verder in op de plaag van de slangen, die nu over het volk gaat komen. De morrende en dorstende massa heft weer een oude klacht aan: er is geen water, het voedsel (manna) is minderwaardig, waarom zijn wij uit Egypte gebracht, om hier in de woestijn te sterven?   De Eeuwige zend als respons op dit protest nu giftige slangen (   ha-nechasjiem serafiem   ) af op het volk die de mensen bijten en velen ( am-rav)   sterven. Nechama Leibowitz (Studies in Bamidbar, p. 260 ev) wijst erop dat een meer correcte vertaling is: ‘De Eeuwige liet slangen los', want er staat niet de gewone term voor ‘zond' –   jisjlach   – maar een andere (Piel) vorm van deze wortel, ‘   jesjalach   ', wat dus veel meer de causatieve connotatie ‘loslaten', ‘vrijlaten' heeft. Wat maakt dat uit? Het vrijlaten betekent dat de Eeuwige eerder de slangen heeft ‘vastgehouden', aldus Zijn volk tot dan toe beschermd hebbend tegen dit gevaar. Nu laat hij de natuurlijke loop van de natuur zijn gang gaan en duiken de slangen op…  
Dan doen de Israëlieten ommekeer en smeken Mosjee om een uitredding. De oude leider krijgt nu een curieus idee ingegeven. Hij moet een koperen slang (   nechasj nechosjet   ) maken en deze op een standaard omhoog houden; wie het hoofd heft en ernaar kijkt zal worden genezen en aldus gebeurt. Het curieuze is dat de koperen slang een brute overtreding van het tweede van de Tien Woorden, het afbeeldingverbod, lijkt. Een verklaring die hiermee in het reine probeert te komen is, dat de omhooggehouden slang een ritueel symbolisch middel is die de zieken het hoofd weer naar de hemel doet heffen en zo de terugkeer naar geloof en vertrouwen bevordert.  

Even een zijsprong naar het christendom; daar heeft men de Tenach (min of meer het Oude Testament) – tot ongenoegen van de Joden - afgespeurd naar gebeurtenissen en beelden, die de geschiedenis en met name het lijden van Jezus en zijn rol als verlosser van zonden zou voorafschaduwen. In deze parasja zijn er twee van deze zaken, die vele christenen als zo'n voorafschaduwing zien.  
Zo is Jezus te zien als de ideale en perfecte Rode Koe die ons reinigt van de dood. De omhooggeheven en genezing brengende koperen slang is een voorafschaduwend beeld van de gekruisigde Jezus, die de mensen van hun slangenbeetziekte – hun zonden – verlost.  

Vele Joden zullen het crucifix-beeld op dezelfde manier zien als de vrome koning Chizkijahoe (Hizkia) de koperen slang, die eeuwenlang in de tempel werd bewaard. Hij vond het maar niks, de slang was een object van bijgeloof en afgodendienst geworden. ‘Hij verwijderde de offerplaatsen, verbrijzelde de gewijde stenen, haalde de Asjerapalen omver en sloeg de koperen slang die Mosjee gemaakt had aan stukken. De Israëlieten hadden namelijk nog altijd de gewoonte voor deze slang, die de naam Koperslang (   Nechoesjtan   ) droeg, wierook te branden'(2 Koningen 18:4).  

Na de genezing via de koperen slang, omhooggehouden door Mosjee, lijkt er een ommekeer te komen in de vordering van de lange zwerftocht. In een wat chaotische tekst wordt de complexe omzwerving richting Jordaan beschreven, gedurende welke de Benee Jisrael hun eerste militaire successen behalen. Ze versloegen koning Sichon en zijn Emorieten, Og, de koning van Basjan en anderen en veroverden hun eerste gebieden aan de oostelijke kant van de Jordaan.


(1) In een ander commentaar ga ik uitgebreid in op de vraag wat Mosjee verkeerd heeft gedaan.  

Parashat Choekat Bemidbar / Numeri 19:1–22:1
Van oude leiders en slangen


De Rode Koe

De parasha Choekat (‘een wet van') begint met het reinigingsritueel van de Rode Koe: hét voorbeeld van een ‘chok', een wet waarvan men niet naar de diepere zin vermag te vragen, maar die eenvoudigweg opgevolgd moet worden. Voor mensen en dingen die in contact zijn gekomen met een dode dienst reiniging plaats te vinden en daarvoor moet een smetteloze ‘maagdelijke' Rode Koe ( para adoema ) - een uiterst moeilijk te vinden beest - buiten het kamp volgens een complex ritueel worden geslacht en verbrand; dan kan de as vermengd met water voor de reiniging worden gebruikt door o.a. besprenkeling. Menige gissing is niettemin in de loop der eeuwen door de commentatoren gepleegd naar de achtergronden van dit ritueel, maar zelfs koning Salomo kon de diepere verklaring niet vinden. Lees het commentaar van Nechama Leibowitz (p.233 ev Studies in Bamidbar) over verdere duidingen.. De Mishna vermeldt dat tot de verwoesting van de tweede tempel negen rode koeien zijn gevonden en gebruikt. De volgende tweeduizend jaar is er geen koe zuiver genoeg bevonden en sommigen associëren de vondst van een rode koe die aan de eisen voldoet met de komst van de Mashieach.

Oude leiders

Dan boelstaaft de parasha de dood van Moshé's zuster Mirjam. Het reinigingsritueel lijkt het niet voor niets in deze parasha opgenomen, de beschrijving staat in de tekst meteen voor die over de dood van Mirjam. De dood van de zuster van Moshé houdt misschien ook wel verband met de volgende gebeurtenissen: die rond het water van Meriwa. Volgens de midrash was de aanwezigheid van Mirjam altijd verbonden met een bron, die zij als het ware als haar bijdrage aan het welzijn van het volk met zich mee deed reizen. Nu was die ‘opgedroogd' en moest het volk zelf het water vinden en spoedig zou de dorst zijn intrede doen..
Er was intussen na de opstand van Korach (vorige parasha) veel tijd voorbijgegaan, achtendertig jaren, waarover de Tora merkwaardigerwijs niets vertelt. Vermoedelijk hebben de stammen lang verbleven in de oase van Kadesh. Tijdens een periode van droogte zijn de bronnen blijkbaar opgedroogd en drijft het morrend en dorstig volk Moshé en Aharon daar tot het uiterste en Moshé slaat met zijn staf ongeduldig op de rots, waaruit weliswaar water gaat stromen, maar waarna echter Moshé en Aharon te horen krijgen dat ze het beloofde land niet zullen intrekken, en dat hun dagen geteld zijn. Wat is hun zonde?
Moshé en Aharon hebben het volk niet eerst toegesproken, zoals de Eeuwige had verordend maar met de staf op de rots geslagen onder de woorden “Luister, opstandig volk, zullen wij voor u uit deze rots water laten stromen?” (20:10), waaruit menig commentator onterechte woede en ergernis concludeert. In een vorig commentaar heb ik het gebeuren en commentaren daarop als volgt samengevat: ‘ Moshé en ook Aharon hebben het waterwonder voor zích gehouden. Ze hebben niet aan het volk duidelijk gemaakt, dat het wonder van De Ene afkomstig was en zij slechts het instrument waren. Zo hebben zij de gelegenheid gemist om het volk te onderwijzen en het godsgeloof te versterken, maar, integendeel, ze hebben er zodoende er aan bijgedragen - wellicht ongewild - , dat het volk hén als de wonderdoeners zou gaan beschouwen, sterker nog, het volk zou in de verleiding komen de persoon van Moshé te gaan vergoddelijken, geheel in strijd met zijn eigen boodschap en met de hele strekking van de Tora. Daarom is - afgezien van dat naar menselijke maat Moshé en zijn broeder op dit moment al zeer oude mannen zijn - het beter dat zij niet langer het volk leiden'.  
Veel commentaar heeft moeite met de zwaarte van de sanctie voor de oude leider met zoveel verdiensten. Rabbijn Jonathan Sacks nuanceert een en ander; ook hij wijst op de hoge leeftijd en de grote hoeveelheid ‘dienstjaren' van de twee leiders, die maken dat Moshé en ook zijn broer niet meer fris en alert reageren en op dat moment geen besef hebben, dat een nieuwe generatie volwassen is geworden en een nieuwe benadering nodig heeft; eigenlijk heeft Moshé klakkeloos het waterwonder van veertig jaar geleden, bij Refidim (Ex. 17:6) willen herhalen op routineuze wijze en de gelegenheid niet gegrepen om een nieuwe generatie over De Ene te vertellen.
Daarom moeten wij volgens Sacks het woord ‘zonde' niet te zwaar nemen, het gebeuren is – om het in mijn woorden te zeggen – een signaal geweest voor aflossing van de wacht, een teken dat nieuwe leiders zijn geboden en één kandidaat staat al op de nominatie: Jehoshoea.
Sacks wijst ook nog op een veel verklarende omstandigheid voor de mindere conditie van Moshé: dat heeft weer te maken met de dood van Mirjam. Zij was naar men met grote waarschijnlijkheid mag vermoeden – de Tora is daar niet expliciet over = zijn grote vertrouweling op de achtergrond, de grote zuster, die hem ooit als baby uit de Nijl heeft gered en altijd aan zijn zijde heeft gestaan als de toeverlaat die iedere leider nodig heeft. Het verlies van zijn zuster moet Moshé diep hebben geraakt en van slag gebracht.

Nu trekken de scharen weer op, weg van Kadesh, maar zijn gedwongen rondom het land van Edom zuidwaarts te trekken weer de woestijn in, waar het water schaars is en de ontbering weer toeneemt.
De reis gaat verder en ook Moshé's oudere broer is aan het einde van een lang leven gekomen. Aharon bestijgt, honderdentwintig jaar oud, de berg Hor om daar te sterven. Moshé ontdoet zijn oudere boer van zijn ambtskleren en bekleedt diens zoon El'azar daarmee.

Slangen

De Israelieten slaan het kamp op, weer verder, weg van Kadesh, en worden gedwongen om om het land Edom heen te trekken, zuidwaarts de woestijn in, waar droogte en andere ontberingen het volk weer treffen. Het morrend en dorstend volk heft weer een oude klacht aan: er is geen water, het voedsel (manna) is minderwaardig, waarom zijn wij uit Egypte gebracht, om hier in de woestijn te sterven?
De Eeuwige zend als respons op dit protest nu giftige slangen ( ha-nechashim seraphim ) af op het volk die de mensen bijten en velen ( am-rav) sterven. Nechama Leibowitz (Studies in Bamidbar, p. 260 ev) wijst erop dat een meer correcte vertaling is: ‘De Eeuwige liet slangen los', want er staat niet de gewone term voor ‘zond' – jishlach – maar een andere (Pi'el) vorm van deze wortel, ‘ jeshalach ', wat dus veel meer de connotatie ‘loslaten', ‘vrijlaten' heeft. Wat maakt dat uit? Het vrijlaten betekent dat De Eeuwige eerder de slangen heeft ‘vastgehouden', aldus Zijn volk tot dan toe beschermd hebbend tegen dit gevaar. Nu laat hij de natuurlijke loop van de natuur zijn gang gaan en duiken de slangen op…
Dan doen de Israelieten ommekeer en smeken Moshé om een oplossing en de oude leider krijgt nu een curieus idee ingegeven. Hij moet een koperen slang ( nechash nechoshet ) maken en deze op een standaard omhoog houden; wie het hoofd heft en ernaar kijkt zal worden genezen en aldus gebeurt. Het curieuze is dat de koperen slang een brute overtreding van het tweede van de Tien Woorden, het afbeeldingverbod, lijkt. Een verklaring die hiermee in het reine probeert te komen is, dat de omhooggehouden slang een ritueel symbolisch middel is die de zieken het hoofd weer naar de hemel doet heffen en zo de terugkeer naar geloof en vertrouwen bevordert.

Even een zijsprong naar het christendom; daar heeft men de Tenach (min of meer het Oude Testament) – tot ongenoegen van de Joden - afgespeurd naar gebeurtenissen en beelden, die de geschiedenis en met name het lijden van Jezus en zijn rol als verlosser van zonden zou voorafschaduwen. In deze parasha zijn er twee van deze zaken, die vele christenen als zo'n voorafschaduwing zien.
Zo is Jezus te zien als de ideale en perfecte Rode Koe die ons reinigt van de dood. De omhooggeheven en genezing brengende koperen slang is een voorafschaduwend beeld van de gekruisigde Jezus, die de mensen van hun slangenbeetziekte – hun zonden – verlost.

Vele Joden zullen het crucifix-beeld op dezelfde manier zien als de vrome koning Chizkijahoe (Hizkia) de koperen slang, die eeuwenlang in de tempel werd bewaard. Hij vond het maar niks, de slang was een object van bijgeloof en afgodendienst geworden. “Hij verwijderde de offerplaatsen, verbrijzelde de gewijde stenen, haalde de Asjerapalen omver en sloeg de koperen slang die Moshé gemaakt had aan stukken. De Israëlieten hadden namelijk nog altijd de gewoonte voor deze slang, die de naam Koperslang ( Nechoeshtan ) droeg, wierook te branden” (2 Koningen 18:4).

Na de genezing via de koperen slang, omhooggehouden door Moshé, lijkt er een ommekeer te komen in de vordering van de lange zwerftocht en ook militaire successen worden behaald. In een wat chaotische tekst wordt de complexe omzwerving beschreven, gedurende welke de kinderen van Israël koning Sichon en zijn Emorieten, Og, de koning van Bashan en anderen versloegen en hun eerste gebieden veroverden aan de oostelijke kant van de Jordaan.  


RC 27 juni 2014

Parasjat Korach
      Bemidbar/ Numeri 16:1–18:32
Een dwaze en een wijze vrouw  

In deze parasja lezen we over wat tijdens de veertigjarige woestijntocht wel de meest ernstige betwisting heeft betekend van de autoriteit van Mosjee en Aharon. Vier vooraanstaande mannen treden in de volksvergadering naar voren met een ernstige aanklacht, Korach van de stam van Levi. Datan, Aviram en On van de stam van Reöeven, die gelegerd is naast de clan van Kohatieten in het zuiden van het kamp. Wee de kwaadwilligen en hun buren, roept Rasji uit; als slechteriken je buren zijn ben je nog niet jarig. Waarmee komen ze? Mosjee matigt zich veel te veel macht aan, vinden ze. Waar haalt hij het recht vandaan over hen te beslissen, zich boven hen te verheffen? Ze stonden toch allemaal als gelijkwaardige burgers bij de Sinaj?
Als Mosjee dit hoort valt hij op de grond (16:4). Rasji zegt: uit wanhoop, het is al de vierde keer, dat er wordt gerebelleerd, en de oude leider vreest dat hij dit maal het volk niet meer zal kunnente redden van de woede van de Eeuwige.
Als psycholoog zou ik zeggen: het was een doodschrik, hij viel flauw, zoals wel gebeurt als een mens verschrikkelijk slecht nieuws hoort.
De chassidische rebbe Sjne'oer Zalman van Liadi (18 e eeuw) oppert: Mosjee sloot niet uit, dat middels Korach de Allerhoogste hem een boodschap wilde doorgeven met betrekking tot zijn leiderschap. Hij had tijd nodig om in zichzelf te onderzoeken of er inderdaad een spoor van zelfverheffing of trots in hem was. Daarvoor viel hij op de grond. Toen hem duidelijk was, dat dat niet het geval was, stond hij weer op en kon hij Korach zien voor wat hij was: een ruziezoeker. Ga altijd na of de boodschapper met zijn boodschap zijn eigen belang voor ogen heeft of dat hij werkelijk de intentie heeft iets van waarheid en waarde te onthullen.

De midrasj laat een onverwacht licht schijnen op de vrouwen. Achter de schermen van een mannenmaatschappij hebben ze vaak grote invloed, zijn ze ‘the brains behind pa'.  Ze kunnen je maken of breken, zoals Misllee (Spreuken) 14:1 zegt: ‘ Wijze vrouwen bouwen hun ? huis ? op, maar  een  die zeer dwaas is, breekt het met haar handen af'. Van beiden geeft de midrasj een voorbeeld in de personen van de vrouw van Korach en de vrouw van de Rubeniet On. (2)

Want naast Korach heeft zijn vrouw heeft een groot aandeel in de rebellie. Zij heeft hem flink aangestookt. Mosjee had hem, Korach, doodeenvoudig genegeerd bij de benoeming van hoge posten, zei ze, Mosjee deed aan nepotisme en benoemde zijn neefjes tot priester; de boeren moeten de priesters hun deel geven, maar de levieten krijgen niks en moeten gewoon belasting betalen, en hij Korach (='kale') had als gewonen leviet het vernederende afscheren van lichaamshaar moeten doorstaan. En ook andere voorschriften zoals de tsietstietplicht en het mezoeza voorschrift, belachelijk allemaal, zo ridiculiseerde zijn vrouw als een echte demagoog achter de schermen.  
Nee dan de vrouw van de Rubeniet On. De man On wordt na zijn introductie in vers 1 van hoofdstuk 16 niet meer vermeld; hij is kennelijk aan de rampzalige afloop van de rebellie ontkomen. Dat heeft hij volgens de midrasj aan zijn vrouw te danken. Die zag hem samenzweren met Korach en diens kornuiten. Ze raadde hem dringend aan uit te stappen, hij zou zelfs bij het slagen van de rebellie er toch niets wijzer van worden. Hou je gedeisd, zei ze, blijf in je tent, ik hou je uit de wind. Ze gaf hem wijn te drinken en ging voor de tent zitten. Daar ging ze uitgebreid heur haar kammen en tot een ingewikkelde en coiffure kappen, een langdurige procedure waar mannelijke ogen zich niet op mochten vestigen: die moesten uit de buurt blijven. Toen ze daar eindelijk mee klaar was waren was de rebellen al afgelopen. Korach, Datan en Aviram en hun familie waren al door de grond verzwolgen en door het vuur verteerd. Weet met wie je een (echtelijke of politieke) partij vormt.  

Maar de zonen van de rebel Korach werden gespaard (Bamidbar 26:11), ze waren het niet eens met hun vader of ze waren te jong. In de tijd van koning David vormden hun nazaten een koor van tempelzangers. Ze componeerden elf beroemde psalmen, waarmee ze wellicht iets van de slechte naam van hun voorvader hebben goedgemaakt.


Noten

(1) Gebaseerd op Sipurei Chassidim, vermeld op http://www.kabbalaonline.org/kabbalah/article_cdo/aid/683765

(2) Daät Zekeniem (selectie van commentaren uit de Tosafot, 13 e eeuw) op Numeri 16:1 op sefaria.org

Parasjat Korach   Bemidbar/ Numeri 16:1–18:32
Rebellie en zijn gevolgen

De in de parasja Korach beschreven crisis rond het leiderschap van Mosjee en Aharon is niet de eerste tijdens de ruim twee jaar geleden begonnen woestijnreis. Sinds het optrekken van de stammen van Israel vanaf de Sinaj is de tocht het volk niet meegevallen. Als we alle gebeurtenissen nog eens in ogenschouw nemen zien we dat er veel ontberingen hebben plaatsgevonden en dat het volk veel heeft geklaagd en gejammerd en dat er veel slachtoffers zijn gevallen door rampen en tegenslagen, die de Tora vaak beschrijft als uitingen van de woede van de Eeuwige over de weerspannigheid van Zijn volk, een woede die door de volksprotesten belaagde Moshé met veel smeekbeden nog ternauwernood kon worden getemperd.  
Het is niet verwonderlijk, dat met dit alles een voedingsbodem was geschapen voor hernieuwde strubbelingen en opstandigheid tegen de leiders onder wie al die tegenslagen hadden plaatsgevonden, Mosjee en Aharon.  
Twee partijen stellen zich tegenover hen op (1). Het is op het ‘spreekuur' dat Mosjee klachten van de mensen behandelt en een hele menigte heeft zich voor hem verzameld, dat Korach, Datan, Aviram en On naar voren treden om dit momentum te gebruiken; ze beginnen pesterig een haarkloverij aan de leidsman voor te leggen over wanneer wel of niet de mitswe van tsietstiet aan een kledingstuk is vereist. Van de discussie daarover komt het tot hun werkelijke aanklacht: Mosjee matigt zich veel te veel macht aan, vinden ze. Waar haalt hij het recht vandaan over hen te beslissen. Korach van de stam van Levi voelt zich onrechtvaardig behandeld. Eigenlijk had hij benoemd moeten worden tot hoofdman van de afdeling van de levitische clan van de Kohatieten in plaats van een neefje van Mosjee, zegt de Midrasj. Mosjee benoemt alleen zijn eigen favoriete familieleden op hoge posten, hij doet aan nepotisme, zo luidt he allemaal. Maar eigenlijk is Korach uit op het hogepriesterschap blijkt uit Mosjee's opmerking in vers 10. Een machtsgreep is in wording.
Datan, Aviram en On zijn van de stam van Reöeven, die gelegerd is naast de clan van Kohatieten in het zuiden van het kamp. Wee de kwaadwilligen en hun buren, roept Rasji uit; als slechteriken je buren zijn ben je nog nie jarig. Hun verwijt is wat we al eerder zo vaak hebben gehoord: Mosjee heeft zijn belofte niet waargemaakt, hij heeft hen uit het welvarende Egypte geleid, maar het beloofde land van melk en honing is nergens te bekennen, alleen woestijn.
Mosjee's reactie is curieus, normaal doet hij dit nooit, maar nu is hij wanhopig; hij roept een godsoordeel in, de Eeuwige zal beslissen, wie de Zijne is, wie Hij in zijn nabijheid laat komen (als leidsman en als hogepriester, moet je erbij denken).  
De uitslag is, dat Mosjee en Aharon de zegen krijgen. Met de aanhangers van de beweging van Korach worden korte metten gemaakt. Ze storten met vrouw, kind en tent in een gapende afgrond of worden met vuur verteerd, tot ontsteltenis van de rest van het toekijkende volk. We zien hier hoe het spel van machtsaanspraken, ideologische discussie, persoonlijke ambities en opkomen voor persoonlijk eigenbelang inclusief alle intriges op theocratische wijze de pas wordt afgesneden door een door goddelijk ingrijpen ingeroepen natuurgebeuren. Beetje absurde vraag natuurlijk: hoe zou het conflict met al zijn herenbare machinaties zijn afgelopen als het op democratische wijze zou zijn aangepakt, de partij van Mosjee en Aharon, de partij van Korach, de partij van Datan en Aviram met hun respectievelijkeprogramma's en verkiezingskampanjes en dan stemmen…

De midrasj laat nog een onverwacht licht schijnen op de vrouwen (2). Achter de schermen hebben ze vaak grote invloed. ‘The brains behind pa' zingt Bob Dylan in zijn song ‘ Maggies farm'.
Niet alleen Korach staat aan de bron van de rebellie, zijn vrouw heeft een groot aandeel, zij heeft hem opgehitst. Mosjee had hem, Korach, doodeenvoudig genegeerd bij de benoeming van hoge posten, zei ze, de boeren moeten de priesters hun deel geven, maar de levieten krijgen niks en moeten gewoon belasting betalen, en hij Korach (='kale') had als gewonen leviet het vernederende afscheren van lichaamshaar moeten doorstaan. En ook andere voorschriften zoals de tsietstietplicht en het mezoeza voorschrift ridiculiseerde zijn vrouw, een echte demagoog achter de schermen.
Nee dan de vrouw van de Rubeniet On. De man On wordt na zijn introductie in vers 1 van hoofdstuk 16 niet meer vermeld; hij is kennelijk aan de rampzalige afloop van de rebellie ontkomen. Dat heeft hij volgens de midrasj aan zijn vrouw te danken. Die zag hem samenzweren met Korach en diens kornuiten. Ze raadde hem dringend aan uit te stappen, hij zou zelfs bij het slagen van de rebellie er toch niets wijzer van worden. Hou je gedeisd, zei ze, blijf in je tent, ik hou je uit de wind. Ze gaf hem wijn te drinken en ging voor de tent zitten. Daar ging ze uitgebreid heur haar kammen en tot een ingewikkelde en coiffure kappen, een langdurige procedure waar mannelijke ogen zich niet op mochten vestigen: die moesten uit de buurt blijven. Toen ze daar eindelijk mee klaar was waren de rebellen en hun familie al door de grond verzwolgen en door het vuur verteerd. Weet met wie je een (echtelijke of politieke) partij vormt.

Maar de zonen van de rebel Korach werden gespaard (Bemidbar 26:11), ze waren het niet eens met hun vader of ze waren te jong. In de tijd van koning David vormden hun nazaten een koor van tempelzangers, Ze componeerden elf beroemde psalmen, waarmee ze wellicht iets van de slechte naam van hun voorvader hebben goedgemaakt.

Noten:
(1) In de volgende passage is commentaar van Rasji en Ovadja Sforno op Bemidbar/Numeri hfst 16 verwerkt
(2) Het verhaal over de vrouwen is uit Daät Zekeniem. Een verzameling aantekeningen van leerlingen van Rasji

RC 7 juli 2016

Parashat Korach Numeri/Bemidbar 16:1–18:32.
Verborgen agenda's

De in deze parasha beschreven crisis rond het leiderschap van Moshé en Aharon is niet de eerste tijdens de ruim twee jaar geleden begonnen woestijnreis. Sinds het opbreken van het kamp bij de Sinaj is de tocht de stammen van Israel niet meegevallen. Als we alle gebeurtenissen nog eens in ogenschouw nemen zien we dat er veel ontberingen hebben plaatsgevonden en dat het volk veel heeft geklaagd en gejammerd. Er zijn veel slachtoffers gevallen door rampen en tegenslagen, die de Tora vaak beschrijft als uitingen van de woede van de Eeuwige over de weerspannigheid van Zijn volk, Die woede werd dan door een belaagde Moshé met veel smeekbeden ternauwernood getemperd.
Het begon al met het vuur, dat de rand van het kampement had verwoest, het vuur van Taw'era.
Vervolgens vielen er veel slachtoffers doordat ze stierven als gevolg van hun gulzigheid bij het eten van het kwakkelvlees, dat door Moshé in wanhoop werd afgesmeekte en door God met veel tegenzin gegeven; ze werden begraven in Kivrot-hata'awa.
Een grote tegenslag was het ontmoedigende verslag van de verkenners over het beloofde land.
Een deel van het volk wilde zelfs Moshé als leider afzetten. De daarop volgende veertigjarige verbanning naar de woestijn betekende een diepgaande teleurstelling voor de uit Egypte vetrokken generatie, niks land van melk en honing. Een ondanks dit vonnis begonnen veldslag tegen de Amalekieten leidde tot een smadelijke nederlaag bij Chorma.
Het niveau van frustratie was onder grote delen van het volk hoog zijn gestegen. Het is niet verwonderlijk, dat met dit alles een voedingsbodem was geschapen voor hernieuwde strubbelingen en opstandigheid tegen de leiders onder wie al die tegenslagen hadden plaatsgevonden, Moshé en Aharon. Als spreekbuis van de onvrede stelt zich de leviet Korach tegenover Moshé.

Wat volgt is het archetype van een opstand, die machtswisseling beoogt. De condities zijn een ontevreden en gefrustreerd volk en een aantal leiders, die hier hun kans zien. Ze exploiteren de frustratie om op de golven van algemene onvrede omhoog te komen. Het zijn of blijken later leiders met een twijfelachtige integriteit. Hun vermeende opkomen voor welzijn gaat meestal gepaard met persoonlijke ambities en belangen. Ze hebben een dubbele agenda.

In dit geval zijn het Korach van de stam Levi en Datan en Aviram uit de stam van Re'oeven. Het drietal wist kennelijk 250 vooraanstaande mannen aan hun kant te krijgen.
Korach valt het leiderschap van Moshé en vooral Aharon aan. Hij lijkt wel een punt te hebben. De aanklacht een redelijke indruk (16:3) : ‘ U matigt u te veel aan. Alle leden van de gemeenschap zijn heilig (ki kol ha-eda koelam kedoshim), en de Eeuwige is in hun midden. Waarom voelt u zich dan boven de gemeenschap van de Eeuwige verheven?' Korach lijkt op te komen voor de gelijkwaardigheid van iedereen, iedereen is heilig, de een is niet heiliger of hoger dan de ander. Hij lijkt gesteund door eerder uitspraken bij monde van Moshé zelf (uit Exodus en Leviticus). ' Een koninkrijk van priesters zul je zijn, een heilig volk ”. Breng deze woorden aan de Israëlieten over .' en ‘ Zeg tegen de gemeenschap van Israël: “Wees heilig, want Ik, de Ene, jullie God, ben heilig. '. Maar heiligheid niet een cadeautje is, dat de Israëlieten per definitie is gegeven. Het is een veeleisende weg is die is te gaan; een opdracht, waartoe de Tora richtlijnen geeft. Zelfs Moshé blijkt niet heilig te zijn. De heiligheid waar Korach zich op beroept is een façade. Er is sprake van een oneigenlijk argument, waarachter materiële belangen van macht, status en prestige schuilgaan. Het schijnbaar theologische argument dekt een heel persoonlijke agenda van Korach. Verdere verzen (16:8 ev) en diverse midrashiem wijzen op gevoelens van miskendheid bij Korach en op zijn politieke ambitie om zelf het hogepriesterschap van Aharon te bekleden. In verschillende midrashiem beroept hij zich op aanspraken op grond van zijn afkomst. Korach vertegenwoordigt wat in veel psychologie het ‘ego' wordt genoemd. Korach acteert ' le-atsmo' , voor zichzelf. Discussie le-atsmo dekken altijd persoonlijke of groeps-belangen.

Datan en Aviram, de twee Rubenieten, hebben een heel andere agenda. Ze vallen rechtstreeks het leiderschap van Moshé aan. Hij heeft als leider gefaald. Het volk is misleid. Moshé heeft het willens en wetens weggevoerd uit Egypte - dat zij nota bene een land van melk en honing noemen – naar de ondergang in de woestijn. De midrash schrijft hen als Rubenieten een oude wrok toe; als afstammelingen van de eerstgeboren zoon van Ja'akov, Re'oeven, komt hen het leiderschap over het volk toe met alle rechten en plichten van dien. Moshé heeft hen die grotendeels ontnomen door de levieten hun plaats te laten innemen (1). Ook achter hun politieke aanklacht schuilt een egocentrisch motief, het is l e'atsmo.
Het leiderschap van Moshé is van heel andere aard. Het is juist ontdaan van ieder eigenbelang, Moshé's leiderschap houdt zich niet bezig met macht, materieel eigenbelang, status, prestige. Hij is van dat alles als het ware ontledigt om ruimte te hebben, ruimte om te horen wat de situatie werkelijk vraagt om gedaan te worden; hij acteert ‘leshem shamajim' , uit naam van de hemel.

Een bloedige nasleep heeft deze strijd nog. De drie rebellen en hun aanhangers worden met familie en al door de aarde verzwolgen. Dit rigoureuze gericht wekt weer een volgende rebellie van het volk. Nog eens 24.000 Israelieten laten het leven door een ziekte epidemie, toegeschreven aan de boosheid daarover van de Eeuwige. Vele smeekbeden van Moshé moeten de aanzwellende rampen afwenden. Rituelen bevestigen het leiderschap van Moshé en Aharon. We laten deze latere fasen in deze parshe rusten, het vraagt om een eigen commentaar.

Het patroon van de rebellie van Korach in een de halfnomadische situatie van zo lang geleden lijkt duidelijk te herkennen in latere eeuwen, ook in soms radicale, soms subtiele vormen in de huidige complexe wereld van naties, besturen van grote organisaties en commerciële bedrijven. Korach vertegenwoordigt het leiderschap zoals dat in de wereld over het algemeen voorkomt: gedreven door vaak agressieve ambitie en nauw verholen eigenbelang of groepsbelang, motieven die vaak medebepalend zijn, zo niet overheersend. Misschien kan je zelfs zeggen, het is over de hele linie het gangbare leiderschap geworden. Het lijkt er wel op of leiderschap à la Korach – le'atsmo - in deze wereld onvermijdelijk is, om de zaak draaiende te houden.
Zijn ze er wel, leiders zonder enig - of vooruit, minimaal - eigenbelang, leshem shamajiem ? (2)

noten
(1) Zie ook een eerder commentaar op parashat Bemidbar , waarin ik op het fenomeen van de oudste zonen inga.
(2) Dit commentaar maakt gebruik van een eerder commentaar van mij op deze parasha en een aantal andere commentaren, w.o. dat van Rabbijn Sachs.

RC 18072015

parashat Korach Numeri/Bemidbar 16:1–18:32
(naar een ander commentaar)
Mozes versus Korach, de visie van Martin Buber



Het verhaal van de opstand van Korach blijft tamelijk raadselachtig; wie komt nu tegen wat in opstand. Het lijkt een opstand van (een deel van) de levieten om het priesterschap. Buber ziet in zijn boek over Mozes, wanneer hij de lagen afpelt, als kern van het verhaal een opstand tegen het gezag van Mozes.
Een opstand tegen het gezag van Mozes, niet als priester, want hij is geen priester al gaat hij voor in rituele handelingen; ook niet tegen Mozes als profeet, want daarvoor is hij teveel ook volksleider. Mozes is niet te vangen als priester-profeet, hij is buiten categorie; het gaat om zijn "theo-politieke" leiderschap.

Korach en zijn volgelingen verzetten zich tegen het leiderschap van één man, een leiderschap dat zich uitoefent in naam van God; ze komen er tegen op dat die ene man dan in Gods naam beslist wat recht en onrecht is.

Korach lijkt een sterk argument te hebben; het op het eerste gezicht aansprekende argument van Korach, dat deze aan Mozes zelf ontleent, is: als het gaat om een Heilige gemeenschap (eda kadosj , dat volgens Buber een ouder goj kadosj dekt), dan is niemand daarboven verheven, ook Mozes niet.

Heiligheid, wat is dat" Korach zegt met een nomadische onafhankelijkheidsdrift, iedereen is heilig, er is geen autoriteit, want iedereen is het, niemand kan een ander iets opleggen.

Die redenering gaat op zolang ieder door de ware geest Gods geinspireerd blijft.
Dat is natuurlijk nooit het geval.
Daarom - aldus Buber - is er een uitverkorene nodig, die het instrument is om door te geven wat God welgevallig is en wat niet, wat blijvend recht en wet is. Niet iedereen kan gelijkelijk uitverkorene zijn, omdat er dan geen sprake kan zijn van recht en wet.
Anders is een continuïteit van de heerschappij van God onmogelijk.

Korach lijkt een punt te hebben, want recht en wet - in dit geval onthuld door de bemiddeling van Mozes - zullen op den duur de geinspireerde geest, waarmee zij ooit gegeven zijn, voor het volk verliezen. Het is onvermijdelijk proces.
Waar Korach niet aan toekomt is het inzicht, dat wet en recht steeds "moet onderduiken in het verterende en louterende vuur van de geest" om zich te vernieuwen.
Korach ervaart alleen de dwang en denkt dat zijn vrijheid en zijn geest in het gedrang komen. Hij denkt dat een individuele en anarchistische vrijheid, onder de noemer van heiligheid, daarvoor in de plaats kan komen.

Buber signaleert een fundamentele tragiek: de twee richtingen die de mens kan kiezen
vanuit zijn wil om niet onderworpen te zijn aan anderen, maar onafhankelijk - iets wat met name bij nomaden zo sterk het geval is.
De keuze is dan: om of zich absolúút over te geven, niet aan een andere mens, maar aan God, óf de weerspannigheid daartegen en de overgave van de mens aan zijn eigenzinnigheid en zijn pogen dit als het religieus juiste of zelfs als het heilige te voelen.

Deze tragiek moet Mozes diep gevoeld hebben, hij, die weg naar God bood, de weg naar een heilig volk te zijn, een volk van "priesters en profeten", een weg zonder dwang, in alle vrijwilligheid te betreden, ten opzichte van Korach die weg afwees ten gunste van de dwaalweg van de schijn-heiligheid van het autonome ik. Buber ziet dat wat Korach wil vereren als de vermomde, zo geliefde en mystieke Baäl.

En wat moet het bij Mozes diep ingesneden hebben om hen, de volksgenoten die in hem niet de Godsman meer konden zien en die - uit nijd of machtshonger of door welk motief ook bezield - de door hem geziene koers van Israël in levensgevaar brachten, om die volksgenoten letterlijk te gronde te moeten zien gaan.
Op het moment van het horen van Korach's opstandige woorden 'viel hij neer', in een ondeelbaar moment moet hij de rampzalige gevolgen hebben voorvoeld.
Buber benadert deze geschiedenis sterk vanuit het Mozaisch idealisme. Wat hij hier niet zo benadrukt is dat ook het volk steeds weer de stap moest doen om Mozes ook te erkennen, in hem te geloven als de unieke middelaar van Gods woord; m.a.w. om achter de leider en de machtsuitoefenaar steeds de uitzonderlijke, geinspireerde Godsman te zien.

Freud (in zijn boek over Mozes en het monotheïsme) lanceerde in zijn psychoanalytisch redeneren de veronderstelling, dat Mozes zulk een onverbiddellijke autoriteit was en zoveel tegenstand opriep, dat hij waarschijnlijk wel een keer door het volk, dat letterlijk en figuurlijk niet meer met hem mee wilde gaan, is omgebracht; in de loop van de daarop volgende eeuwen zou dit dan uit een diep schuldgevoel verdrongen zijn geworden en in de overgeleverde verhalen weggepoetst.
Als we in ons in deze - natuurlijk uiterst speculatieve psychologische en niet theologische - theorie verplaatsen en erin meeredeneren, zou de opstand van Korach zo'n gebeurtenis kunnen zijn geweest.
Het was immers een moment van grote crisis. Twee jaar lang was het volk opgetrokken in de veronderstelling, ja in het heilige geloof, dat de intocht in het beloofde land nu nabij was.
De inlichtingen over de geduchtheid van de bevolking van dat land, en het besef dat het volk van Israël moreel bij lange na niet en militair waarschijnlijk ook voorlopig nog lang niet opgewassen was tegen de strijd moet een hevige deceptie hebben veroorzaakt en moeten hebben geschud aan de fundamenten van Mozes' gezag.
Als we nog even een stukje verder met Freuds redeneringen meegaan, dan zou Korach misschien wel de overwinnaar zijn geweest en het volk zou zich ondergedompeld hebben in het gangbare semitische godendom; pas veel later zouden dan de geestelijk veel hoogstaander Mozaische idealen weer uit het volks-onbewuste omhoog zijn gekomen en is uiteindelijk toch, veel later dus, een dan glorieuze en glanzende Mozes de uiteindelijke overwinnaar gebleken. Aldus Freud. We geven de theorie voor wat hij is.
Wij houden het bij de heilsgeschiedenis zoals hij in de Tora tot ons is gekomen.

Een samenvatting van de boeken van Freud en Buber over Mozes is te lezen op de website van Rob Cassuto op de pagina's die beginnen met http://www.robcassuto.com/Mozes.html

RobC

Parashat Korach 2
Numeri/Bemidbar 16:1–18:32.
Korach of Moshé?


De in deze parasha beschreven crisis rond het leiderschap van Moshé en Aharon is niet de eerste tijdens de ruim twee jaar geleden begonnen woestijnreis. Sinds het optrekken van de stammen van Israel vanaf de Sinaj is de tocht het volk niet meegevallen. Als we alle gebeurtenissen nog eens in ogenschouw nemen zien we dat er veel ontberingen hebben plaatsgevonden en dat het volk veel heeft geklaagd en gejammerd en dat er veel slachtoffers zijn gevallen door rampen en tegenslagen, die de Tora vaak beschrijft als uitingen van de woede van de Eeuwige over de weerspannigheid van Zijn volk, een woede die door de volksprotesten belaagde Moshé met veel smeekbeden nog ternauwernood kon worden getemperd.
Het begon al met het vuur, dat de rand van het kampement had verwoest, het vuur van Taw'era.
Vervolgens vielen er veel slachtoffers doordat ze stierven als gevolg van hun gulzigheid bij het eten van het door Moshé in wanhoop afgesmeekte en door God met veel tegenzin gegeven kwakkelvlees; ze werden begraven in Kivrot-hata'awa.
Een grote tegenslag was het ontmoedigende verslag van de verkenners over het beloofde land.
Een deel van het volk wilde zelfs Moshé als leider afzetten.
De daarop volgende veertigjarige verbanning naar de woestijn betekende een diepgaande teleurstelling voor de uit Egypte vetrokken generatie in het licht van het in het hen in het vooruitzicht gestelde land van melk en honing.
Een ondanks dit oordeel begonnen veldslag tegen de Amalekieten leidde tot een smadelijke nederlaag bij Chorma.
Het niveau van frustratie zal onder grote delen van het volk hoog zijn gestegen.
Het is niet verwonderlijk, dat met dit alles een voedingsbodem was geschapen voor hernieuwde strubbelingen en opstandigheid tegen de leiders onder wie al die tegenslagen hadden plaatsgevonden, Moshé en Aharon.

Zo begint dan ook de parashat Korach:   De Leviet Korach, de zoon van Jishar, de zoon van Kehat, en de Rubenieten Datan en Aviram, de zonen van Eliav, en On, de zoon van Pelet, kwamen tegen Mozes in opstand. Ze werden gesteund door tweehonderdvijftig leiders van de Israëlieten, achtenswaardige mannen, de aanzienlijkste van de gemeenschap. Ze stelden zich tegenover Moshé en Aharon op en zeiden tegen hen: ‘U matigt u te veel aan. Alle leden van de gemeenschap zijn heilig, en de Eeuwige is in hun midden. Waarom voelt u zich dan boven de gemeenschap van de Eeuwige verheven?'”

Hier gaat het om een zeer ernstige opstand tegen het leiderschap van Moshé en zijn broeder, misschien wel de meest ernstige uit de carrière van de twee mannen.
Veelbetekenend is de steun aan Korach en zijn kornuiten van 250 leiders uit de gemeenschap, ‘benoemden in de raad' vertaalt Dasberg ‘kri'ee mo'eed', ‘afgevaardigden naar de vergadering' luidt de HSV. Moshé viel neer toen hij de aantijgingen hoorde. Van schrik, van verbijstering, van woede?
Zijn volgende reactie is curieus; Moshé roept een Godsoordeel in, de Eeuwige zal beslissen, wie de zijne is, wie Hij in zijn nabijheid laat komen. Volgens Jonathan Sacks' commentaar, de enige keer dat Moshé een godswonder inroept om de authenticiteit van zijn missie te bewijzen.
Harvey Fields stelt, dat de Toratekst ons in het ongewisse laat over de werkelijke redenen voor deze rebellie. En inderdaad er is ruimte voor vele gissingen, die Fields ook ruimschoots de revue laat passeren. Ik meen dat uit de tekst van de Tora toch wel een paar hoofdmotieven zijn te halen.

Moshé spreekt Korach afzonderlijk toe. Gezien vers 9 gaat het Korach vooral om het spirituele leiderschap. Kennelijk is er een zware discussie gaande over aan wie het priesterschap toekomt. Later in deze parasha neemt Moshé daarover een definitieve beslissing, Aharon en zijn nakomelingen komt het toe. Maar Korach bestrijdt dit. Hij is als Leviet niet tevreden met de levietendienst en ambieert voor hem en zijn nakomelingen het priesterschap en misschien voor zichzelf het hogepriesterschap. De midrash levert daarvoor aanspraken op grond van zijn afkomst.

Datan en Aviram spreken zich zelf uit als ze aan Moshé berichten niet aan zijn oproep om te komen gehoor te geven. Verzen 13 en 14 geven uitsluitsel over hun motieven. Hier speelt vooral frustratie over het niet betreden van het land van melk en honing, een betiteling die het tweetal zelfs gebruikt voor het land van slavernij, dat zij betreuren op Moshé s instigatie te hebben verlaten. Hier gaat het vooral over het politieke leiderschap, de bevoegdheid van Moshé de lijnen uit te zetten.
Daarbij gaat het om de geopoltieke koers van het volk, maar wellicht ook over de rituele en ethische geboden die Moshé over hen heeft uitgestort.
Wellicht hebben de rebellen elkaar gevonden in de bestijding van zowel het spirituele als politieke gezag van Moshé in deze fase van (semi)theocratische samenleving die de Tora ons beschrijft. Misschien was er oorspronkelijk sprake van twee rebellieën, die de redacteur tot één verhaal heeft samengesmeed.

Hoe het ook zij, de aanklacht van Korach maakt toch een redelijke indruk: ‘ U matigt u te veel aan. Alle leden van de gemeenschap zijn heilig (ki kol ha-eda koelam kedoshim), en de Eeuwige is in hun midden. Waarom voelt u zich dan boven de gemeenschap van de Eeuwige verheven?'
In moderne context overgezet lijkt hij in democratische trant te zeggen: iedereen is gelijkwaardig, niemand is de baas en bepaalt zonder meer de regels voor allen, wij hebben ook wat te zeggen.
We stuiten hier naar mijn mening op een paradox.

Korach vertegenwoordigt het leiderschap zoals dat in de wereld over het algemeen voorkomt: gedreven door vaak agressieve ambitie en met nauw verholen eigenbelangen of groepsbelangen, die vaak medebepalend zijn, zo niet overheersend. Inderdaad hebben de bené Jisrael en in feite alle mensen in principe toegang tot heiligheid, “ Een koninkrijk van priesters zul je zijn, een heilig volk .” (Ex 19: 6) en “Wees heilig, want ik, de Eeuwige, jullie God, ben heilig ” ( Lev. 19:1). Dat betekent wel dat heiligheid niet een cadeautje is, dat de Israëlieten per definitie is gegeven, maar dat het een weg is die te gaan is, een opdracht, waartoe de Tora richtlijnen geeft. De heiligheid waar Korach zich op beroept is een facade, waarachter materiële belangen van macht, status en prestige schuilgaan. Korach vertegenwoordigt wat in veel psychologie het ‘ego' wordt genoemd. Korach acteert voor zichzelf, ' le-atsmo' . Het lijkt er wel op of leiderschap à la Korach in deze wereld onvermijdelijk is, om de zaak draaiende te houden. Het is over de hele linie het gangbare leiderschap.

Het leiderschap van Moshé is van heel andere aard. Het is juist ontdaan van ieder eigenbelang, Moshé's leiderschap houdt zich niet bezig met macht, materieel eigenbelang, status, prestige. Hij is van dat alles als het ware ontledigt om ruimte te hebben te horen wat de situatie werkelijk vraagt om gedaan te worden; hij acteert ‘leshem shamajim' . Moshé was ‘ een zeer bescheiden man – niemand op de hele wereld was zo bescheiden als hij' (Num. 12:3). Het gezag van Moshé was wellicht niet eens zozeer gebaseerd op zijn persoonlijkheid of zijn charisma, maar op een daarbovenuitgaande universele herkenbaarheid voor ieder die hem ontmoette.
Dit soort leiderschap komen we eigenlijk nauwelijks meer tegen. Toch zijn we daar wel gevoelig voor, voor dit soort volstrekt belangeloze en bescheiden leiderschap en herkennen we iets van aanwezigheid daarvan in sommige leiders; en het verleidelijk daarbij de namen te noemen van Mandela of Martin Luther King.
In de verwarrende wereld van nu, waar de ontwikkelingen zo snel gaan en vaak in een onrustbarende ontwikkeling hebben we dit soort leiderschap zo hard nodig.

In de wereld van deze parasha krijgt het leiderschap van Moshé de zegen. Met de aanhangers van de beweging van Korach worden korte metten gemaakt. Ze storten met vrouw en kind in de afgrond of worden met vuur verteerd, tot ontsteltenis van de rest van het toekijkende volk.
In onze moderne wereld zijn dat wel erg rücksichtsloze maatregelen, die we misschien heimelijk alleen aan de meest extremistische wreedaards toe wensen.

RC 2014

Parasjat Sjelach Lecha
Bemidbar/Numeri 13:1-15:41

Alternatieve feiten

Na de dood van Mirjam breken de Israëlieten hun kamp op en trekken verder. Met goedkeuring van de Eeuwige gebood Mosjee het land Kenaän, aan de grens waarvan zij na twee jaren zwerftocht door de woestijn waren aangeland te verkennen. ‘Sjelach Lecha' wordt vaak letterlijk vertaald met ‘zend voor jezelf' (Dasberg, vertaling Chabad.org). Dat ‘voor jezelf' duidt erop, dat het geen oorspronkelijk idee van de Eeuwige is om te verkennen, maar meer een hemels fiat achteraf van een menselijk verlangen, aldus de midrasj (1). De versie van het verhaal in Devariem 1:22 , als Mosjee terugblikt op deze gebeurtenis, bevestigt dat: het is een idee, dat de mannen uit het volk aan Mosjee hebben opdrongen. De leidsman gaf er aan toe en wees een groep van twaalf uitgelezen mannen aan, een uit iedere stam. De rabbijnse uitleggers neigen ertoe, dat deze verkenning niet had gehoeven in de ogen van de Almachtige, die immers vooral een beroep deed op het rotsvast vertrouwen van zijn volk in Zijn bescherming. Toch is het begrijpelijk, dat op rationeel menslijk niveau men graag vooraf informatie wilde krijgen over het land; is het inderdaad mooi en vruchtbaar en wat zijn de strategische mogelijkheden voor een succesvolle invasie.

Drie fasen in wat er vervolgens gebeurt zijn te onderscheiden. De eerste is opdracht van Mosjee: rapporteer hoeveel mensen er wonen, zijn ze sterk of zwak, is het land goed of slecht, wonen de mensen in open dorpen of in versterkte steden, is de grond vet of arm, zijn er bomen, neem wat vruchten van het land mee. Wees moedig. Een duidelijk omschreven instructie. Het gezantschap vertrekt en reist van zuid tot noord veertig dagen rond.
De tweede fase speelt zich af bij de terugkomst van de twaalf mannen. Ze geven ten overstaan van Mosjee en het volk een zakelijk verslag van wat ze hebben aangetroffen. Inderdaad vloeit het land over van melk en honing, en getoond worden de meegebrachte vruchten. De steden zijn versterkt en groot. De bevolking maakt een krachtige indruk en een overzicht van de etnische groeperingen wordt gegeven. Het is duidelijk, dat een moeilijke onderneming voor de deur staat.
Een logische stap zou nu zijn om al deze gegevens op een rij te zetten en een strategie te bepalen; misschien zou een bepaalde tactiek van de militaire underdog toch succes hebben. Misschien zou enig uitstel wat adem geven voor het opschalen van de krijgskunst.
Maar dat gebeurt niet, want in het schijnbaar objectieve verslag is toch een adder verborgen. Dat zit hem in het woordje èfès-ki , dat in vers 28 ‘echter' betekent (in modern Ivrit betekent èfès ook: nul),: ‘Het volk echter … is sterk etc'. (2) Dat zet een sombere ondertoon in en de omstanders voelen dit haarfijn aan, want kennelijk ontstaat er grote onrust onder hen, wat Kalev ertoe brengt om de gemeente kalmerend toe te spreken; hij en Jehosjoea geloven er nog heilig in, maar in de menigte zakt de moed in de sandalen. De andere tien mannen van het gezantschap bekennen nu openlijk: we redden het niet, die volken in het beloofde land zijn sterker dan wij. Er zou nu nog een beraad tussen de partijen kunnen volgen over pro's en contra's, een heftig maar realistisch debat, maar zover komt het niet.
Er breekt een derde fase aan, waarin emoties van angst en woede het heldere zicht gaan verduisteren. De tien mannen gaan de tenten van het kamp rond en verspreiden laster en kletspraat. Ze stoken het vuurtje op. Rijzige bewoners van Kenaän worden reuzen, het land is opeens een land dat zijn bewoners opeet en de Israelieten zijn machteloos als sprinkhanen (13:32). De harde feiten worden verdraaid, opgeblazen, uit hun verband gerukt We zouden tegenwoordig spreken van desinformatie of ‘alternative facts' . Angst maakt alles buiten ons groter en binnen ons kleiner. De angst heeft de tien mannen te pakken en ze besmetten met hun negatieve propaganda de massa van het volk ermee als met een besmettelijke ziekte. Het leidt tot rebellie tegen Mosjee en Aharon, tot een amper door Mosjee afgewende afschrijving van Israel door de Eeuwige, tot een onbezonnen en verloren veldslag tegen de Amalekieten en tenslotte tot het achtendertigjarig uitstel van de entree in het beloofde land,
We zien hier een proces zich afspelen, dat door vele psychologen en sociologen is beschreven (3) . Het is een bekend verschijnsel: de massa is enorm suggestibel. Soms pakt dat uit in de richting van nobele doelen, waar de massa zich met het vege lijf voor inzet, maar vaker vinden alternatieve feiten en leugens een welkome voedingsbodem in de menigte, wat leidt tot opgewonden meutes, waarin ook de meer verstandige zijn kritische vermogens verliest en wordt meegesleept in een neerwaartse roes op weg naar destructie van beschaving en eliminatie van vermeende zondebokken. Verschijnselen van alle tijden, die we ook nu nog steeds in onszelf kunnen bespeuren en om ons heen zich zien afspelen. Sinds kort (historisch gezien) is daar een nieuwe speelruimte bijgekomen: het internet, waar nieuwe massavorming zich adembenemend afspeelt. .
Even terug naar de parasja. Het belangrijkste euvel, dat aan de Israëlieten wordt voorgeworpen is hun gebrek aan geloof en vertrouwen, hetgeen uiteindelijk leidt tot de achtendertigjarige verlenging van hun woestijnzwerftocht. Het valt mij op hoe in deze parasja dit verval van geloof en vertrouwen gepaard gaat met een parallel loslaten van een rationeel nadenken en het prijsgeven van een moedige analyse van de problemen en hun mogelijke oplossingen. Het lijkt er sterk op dat een stevig spiritueel geloof een kalme analyse van de contingente feiten niet uitsluit en zelfs nodig heeft en omgeleerd het effect van een kalme analyse van de feiten en hun mogelijkheden duizendvoudig wordt versterkt door een sterk geloof in idealen, zinvolheid, bestemming, het goede of God, zo je wil. Het zijn twee handen van één lichaam.

Noten
(1) Rasji ad loc.
(2) Nechama Leibowitz, Studies in Bamidbar , p. 139
(3) Bijv. Sigmund Freud, Massenpsychologie; Ortega Y Gasset, Opstand der Horden; Elias Canetti, Massa en Macht


Parashat Shelach lecha
Numeri/Bamidbar 13:1-15:41
Aan de grens van het geloof

Ruim twee jaar na de uittocht uit Egypte komen de Israelieten aan bij de grens van het beloofde land Kena'an. De Eeuwige gebood Moshé verkenners uit te zenden. Shelach lecha , zo begint de parasha. De meeste vertalingen (NBG, NBV, HSV) gaan voorbij aan de extra nadruk van het ‘lecha', letterlijk: (Zend) voor jezelf.
Dasberg vertaalt: ‘Stuur, als je dat wilt'. Dat is meer in overeenstemming met de uitleg van Rashi, die benadrukt, dat het hier gaat om een beslissing op menselijk niveau uit vrije wil genomen en niet om een goddelijk bevel. Want strikt genomen zou die verkenning niet gehoeven hebben, als het volk standvastig had blijven geloven, dat de Eeuwige hen zou leiden overeenkomstig zijn belofte in Shemot/Exodus 3:17: Ik heb besloten om jullie uit de ellende in Egypte weg te halen en je naar een land te brengen dat overvloeit van melk en honing, het gebied van de Kanaänieten, de Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten . De Eeuwige schikt zich als het ware naar de wensen van het volk: Ik, Eeuwige, heb geen opdracht gegeven, strikt genomen is het niet nodig, maar als je per se wilt, ga je gang en stuur die verkenners, met alle consequenties.
Vele rabbijnse commentatoren zien hier de eerste zonde in deze parshe, gebrek aan geloof.
Nachmanides is het daar niet mee eens. Hij zegt: Moshé vond het een goed idee (het uitzenden van verkenners),want de Tora wil niet, dat mensen afhankelijk zijn van wonderen, maar verwacht dat zij die strijden zich zelf helpen door de wacht te houden en hinderlagen te leggen, zoals ook Joshoea en vele anderen later deden. God helpt wie zich zelf helpen. Dat is meer naar mijn hart! Volgens Nachmanides komt de zonde in het verkennersverhaal pas later.

Aldus werden twaalf belangrijke stamleiders gekozen met deze taak, het land verkennen en verslag uitbrengen. Van zuid tot noord trokken zij veertig dagen rond. Bij hun terugkomst waren de verslagen van tien van de twaalf uitgezonden mannen bijzonder ontmoedigend gekleurd. Ze spraken van een fantastisch land, maar wel met reusachtige bewoners en onneembare vestingen van steden. ‘ Vergeleken bij dat volk van reuzen voelden wij ons maar nietige sprinkhanen, en veel meer zullen we in hun ogen ook niet geweest zijn .'
Zoveel mismoedigheid is besmettelijk. Het volk begon te jammeren, een nacht lang. De positie van Mosjé en Aharon wankelde. Het volk wilde terug naar Egypte, ondanks de aanmaningen van Kalev en Joshoea, van de twaalf verkenners de twee die het niet zo somber inzagen.
De Eeuwige ziet deze angstige en ontmoedigende berichten van de tien verkennersop als het zoveelste gebrek aan geloof en vertrouwen. Het gejammer van het door deze rampberichten gedemoraliseerde volk vat Hij bij monde van Moshé op als verzet. Moshé weet Hem nog net af te houden van vernietiging van de Israëlieten, zoals hij dat al eerder tegenover de Eeuwige heeft gedaan bij het gouden kalf, gepleit voor het voortbestaan van zijn volk. Alleen: nog veertig jaren zal het duren, voordat het volk het land Kena'an zal binnentrekken; een hele generatie zal het beloofde land niet zien, de taak van verovering zal toevallen aan de kinderen. Beeldend schildert de Eeuwige het lot af van deze eerste generatie (14:29): Hier in de woestijn zullen jullie lijken liggen, de lijken van allen die ingeschreven zijn, allen van twintig jaar en ouder, niemand uitgezonderd, omdat jullie je tegenover mij beklaagd hebben.

Een milder oordeel over het gebeuren en een misschien zowel realistischer als dieper inzicht verwoordt Nechama Leibowitz in een van haar commentaren: ‘Je kan niet verwachten, dat mensen, die slaaf zijn geweest en hebben gezwoegd met bakstenen en stro en zo meer, hun vuile handen wassen en onmiddellijk daarna met reuzen gaan vechten. Het was een onderdeel van de Goddelijke wijsheid om hen in de woestijn te laten rondzwerven tot ze hadden geleerd om moedig te zijn. Want het is welbekend, dat een nomadisch bestaan onder spartaanse omstandigheden moed kweekt en het tegendeel, lafhartigheid. Bovendien groeide er nu een nieuwe generatie op, die geen vernedering en slavernij had gekend.'

Op deze manier wordt het gebeuren wat uit die sfeer van zonde en die boze straffende God, die ons niet meer aanspreekt, gelicht en teruggebracht tot proporties die in de moderne tijd een even wonderlijk verhaal opleveren dat toch zowel voor hart als verstand aanvaardbaar is en dat als synopsis aldus zou kunnen luiden.

Mozes stuurt een aantal belangrijke mannen uit om het land te verkennen. Ze komen terug met een verslag over een fantastisch land, maar wel bewoond door vele sterke bewoners in versterkte steden. Misschien hebben de uitgezonden hoofdmannen – gewend aan de primitieve leegte van de woestijn - gewone forse mensen in dit dichtbevolkte en cultureel ontwikkelde land opgeblazen tot reuzen en versterkte steden tot onneembare vestingen. Misschien waren Joshua en Kalev reëler in hun waarneming. Zij als minderheid willen toch aanvallen – maar ja, als alle Israëlieten zo dapper waren en godsvertrouwend waren geweest dan zou dat wellicht hebben gekund.
Maar het grote merendeel van het volk is niet zo bijzonder, ze zijn geen helden, maar teleurgesteld als kinderen en uit het veld geslagen. Mosjé ziet met een bedroefd hart en tegelijk met een grote, bovenmenselijke – als u wilt met een vanwege God ingedaalde – wijsheid in, dat het volk zo geen kans maakt om succesvol het beloofde land te veroveren en besluit, dat er een generatie overheen moet gaan alvorens een kans te maken. Zowel moreel als militair is de schare van slaven waarschijnlijk dan uitgegroeid tot een volwassen volk.
Een parallel met het heden dringt zich op. De Joden hebben zich na alle omzwervingen en catastrofes weer opgericht. De Staat Israel is weer verrezen op de oude grond. Militair is Israel meer dan volwassen geworden, gelukkig maar. Maar hoe is het met de ontwikkeling van het morele proces?


Noot
Gebruik is gemaakt van de commentaren van Nechama Leibowitz, zie o.a.
http://www.jewishagency.org/nechama-leibowitz/content/23925

RC 11062015


Parasha Shelach lecha
Numeri/Bamidbar 13:1-15:41
.
over moed, geloof, lafhartigheid en wijsheid

Het grootste gedeelte van de parasha shelach bestaat uit het verhaal van de verkenners van het beloofde land, daarna volgen nog voorschriften over offers, een kort verslag van de man die hout sprokkelde op sjabbat en daarom gedood werd en het gebod om tsitsiet, gebedskwasten, aan het kleed te maken.


de verkenners brengen druiven terug uit Kena'an

Het verhaal van de verkenners is bekend. Op gezag van de Eeuwige gebood Mozes het land Kena'an, aan de grens waarvan zij na twee jaren zwerftocht door de woestijn waren aangeland te verkennen. Hij wees twaalf mannen aan, die moesten bekijken, hoe vruchtbaar het land was en welke mensen er woonden en hoe de steden eruitzagen. Soms wordt gesproken over ‘verspieders', maar waarschijnlijker betrof het een openlijk reizende groep, misschien een gezantschap, want het waren belangrijke mannen, een uit iedere stam, die met deze taak belast werden. Van zuid tot noord trokken zij veertig dagen rond. Bij hun terugkomst waren de verslagen van de grote meerderheid van de uitgezonden mannen bijzonder ontmoedigend. Deze tien verkenners spraken van een fantastisch land, maar wel met reusachtige bewoners en onneembare vestingen van steden.
Vergeleken bij dat volk van reuzen voelden wij ons maar nietige sprinkhanen, en veel meer zullen we in hun ogen ook niet geweest zijn .'

Zoveel mismoedigheid is besmettelijk. Het volk begon te jammeren, een nacht lang. De positie van Mosjé en Aharon wankelde. Het volk wilde terug naar Egypte, ondanks de aanmaningen van de minderheid van de verkennergroep, Kalev en Joshoea, die het niet zo somber inzagen.
De Eeuwige ziet deze angstige en ontmoedigende berichten van de tien verkennersop als een gebrek aan geloof en vertrouwen. Het gejammer van het door deze rampberichten gedemoraliseerde volk vat Hij op als verzet, dit bij monde van Mosjé, die Hem nog net weet af te houden van vernietiging van de Israelieten, zoals hij dat al eerder bij het gouden kalf tegenover de Eeuwige heeft gepleit voor zijn volk.

Wat wel gebeurt is de dood van de tien pessimistische verkenners en Moshé verkondigt het vonnis, dat de Israelieten nog veertig jaren verder zullen moeten dolen in de woestijn, alvorens het beloofde land te zullen betreden.
Een wanhoopspoging om toch nog achteraf iets goed te maken door alsnog de strijd aan te gaan leidt tot een verpletterende nederlaag tegen de Amalekieten en Kena'anieten.

Een voor de hand liggende uitleg is dat hier sprake was van een stelletje angsthazen, die een ontstellend gebrek aan geloof en vertrouwen vertoonden. Niet onmogelijk, dat hun angst van mensen reuzen maakte en van stadjes onneembare vestingen. Alleen Josjoea en Kalev bleven overeind als moedige mannen met een rotsvast godsvertrouwen.

Maar we komen ook een andere uitleg tegen. Zowel eigentijdse rabbijnen als Rabbijn Jonathan Sacks en Rabbijn Ies Vorst brengen ons in kennis met de onverwachte draai, die de Alter Rebbe ofwel Rabbi Sjneoer Zalman van Liadi (18 e eeuw) in zijn uitleg aan het verhaal geeft. In mijn parafrase komt het hierop neer

De verkenners waren helemaal geen angstige of laffe mannen, het waren mannen van gewicht uit de twaalf stammen. Er was wat anders aan de hand.
In een soort psychoanalyse van de geest van de verkenners luidt de diagnose van hun geestesgesteldheid: ze wílden eigenlijk niet, dat het de kinderen Israels het land Kena'an binnen zou trekken. Ze waren gehecht aan de tasbare spirituele aanwezigheid van God in de woestijn, de divine omhelzing, die het de Israelieten hadden ervaren tijdens de zwerftocht door de leegte, hetgeen ook materieel hierin tot uiting kwam, dat ze iedere ochtend gevoed werden met manna en iedere avond met kwakkels, terwijl (volgens de midrasj) ook hun kleren en schoeisel niet sleten en zelfs met hen meegroeiden. Er was tijd om te bidden en om te lernen.
De verkenners waren niet bang voor nederlagen tegen de bewoners van Kena'an, nee, Israel zou de veldslagen met Kena'anitische legers best kunnen winnen. Ze waren niet bang voor de Ka'anitische strijders, ze waren juist bang voor succes! Ze waren bang hun unieke relatie met de Eeuwige te verliezen, als ze zouden moeten gaan vechten, moeten gaan zaaien en ploegen en zich zouden moeten begeven in de situatie van een gevestigde samenleving met al zijn verleidingen en afleidingen. Kortom, als ze een natie zouden moeten worden als alle andere naties met alle ingewikkeldheden van dien. Het had wat weg van een kind dat de veiligheid van zijn ouderlijk huis nog niet wil verlaten. Alsof de liefde van vader en moeder gebonden is aan verblijf vlakbij hen in hetzelfde huis.

Er was sprake – in de redenering van de Alter Rebbe – van een soort spiritueel misverstand, de verkenners gingen er van uit, dat de relatie met de Eeuwige zich zou beperken tot afzondering in de woestijn. Ze zagen niet in, dat die relatie met de Eeuwige ook de opdracht omvatte om de mensenwereld te betreden en een natie te vormen midden in deze wereld, een natie op basis van de principes van vrede en rechtvaardigheid, waar de Tora de basis voor heeft gelegd, een natie tot voorbeeld voor de andere naties.
In deze uitleg kunnen we de relevantie voor nu onderkennen: wil je als joodse gemeenschap iets betekenen voor de transformatie van de wereld, wees niet al te bang, kom uit de afzondering, die ook nu vaak het geval is, en treed die wereld tegemoet.

Aan het slot van dit verhaal, in vers 13 en verder van paragraaf 14, krijgt het volk – nadat ze het vonnis van Mosjé hadden aangehoord, dat ze nog veertig jaren in de woestijn zouden moeten omzwerven – spijt. Het wil nu toch optrekken tegen de bewoners van Kena'an. Ze erkennen dat ze gezondigd hebben met hun gejammer en hun rebelse plannen om Mosjé en Aharon uit hun ambt te ontzetten en terug te keren naar Egypte. We gaan er toch tegen aan, zeggen ze.
Maar het heeft niet de zegen van Mosjé. Ze trekken toch – zonder ark van het verbond - het bergland in tegen de Amalekieten en de Kena'anieten, maar worden verpletterend verslagen.

De vraag stelt zich: is dat niet onverdiend? Ze toonden toch berouw?
Maar echt berouw was dit niet, omdat er verzet was tegen de uiteindelijke beslissing, dat een veertigjarige omzwerving hun als lot was toebedeeld als gevolg van het betoon van hun vergaande demoralisatie. Van berouw zou pas sprake zijn geweest als ze hun straf geaccepteerd en gedragen zouden hebben, want die aanvullende zwerftocht was tegelijk de kuur voor hun tekortkomingen, aldus Maimonides bij monde van Nechama Leibowitz , die haar commentaar besluit in een wat aardsere toonzetting dan de spirituele sfeer van de toelichting van de Alter Rebbe:

‘Je kan niet verwachten, dat mensen, die slaaf zijn geweest en hebben gezwoegd met bakstenen en stro en zo meer, hun vuile handen wassen en onmiddellijk daarna met reuzen gaan vechten. Het was een onderdeel van de Goddelijke wijsheid om hen in de woestijn te laten rondzwerven tot ze hadden geleerd om moedig te zijn. Want het is welbekend, dat een nomadisch bestaan onder spartaanse omstandigheden moed kweekt en het tegendeel, lafhartigheid. Bovendien groeide er nu een nieuwe generatie op, die geen vernedering en slavernij had gekend.'

Op deze manier wordt het gebeuren wat uit die sfeer van zonde en die boze straffende God, die ons niet meer aanspreekt, gelicht en teruggebracht tot proporties die in de moderne tijd een even wonderlijk verhaal opleveren dat toch zowel voor hart als verstand aanvaardbaar is en dat als synopsis aldus zou kunnen luiden.

Mozes stuurt een aantal belangrijke mannen uit om het land te verkennen. Ze komen terug met een verslag over een fantastisch land, maar wel bewoond door vele sterke bewoners in versterkte steden. Misschien hebben de uitgezonden hoofdmannen – gewend aan de primitieve leegte van de woestijn - gewone forse mensen in dit dichtbevolkte en cultureel ontwikkelde land opgeblazen tot reuzen en versterkte steden tot onneembare vestingen. Misschien waren Joshua en Kalev reëler in hun waarneming.. Zij als minderheid willen toch aanvallen – maar ja, als alle Israëlieten zo dapper waren en godsvertrouwend waren geweest dan zou dat wellicht hebben gekund.
Maar het grote merendeel van het volk is niet zo bijzonder, ze zijn teleurgesteld als kinderen en uit het veld geslagen. Mosjé ziet met een bedroefd hart en tegelijk met een grote, bovenmenselijke – als u wilt met een vanwege God ingedaalde – wijsheid in, dat het volk zo geen kans maakt om succesvol het beloofde land te veroveren en besluit, dat er een generatie overheen moet gaan alvorens een kans te maken. Zowel moreel als militair is de schare van slaven waarschijnlijk dan uitgegroeid tot een volwassen volk.

RC 30 mei 2013

Parasjat Sjelach lecha Numeri/Bemidbar 13:1-15:41 rapportage propaganda, sensatiepers  

Het grootste gedeelte van de parashat Sjelach lecha bestaat uit het verhaal van de verkenners van het beloofde land, daarna volgen nog voorschriften over offers, een kort verslag van de man die hout sprokkelde op sjabbat en daarom gedood werd en het gebod om tsitsiet, gebedskwasten, aan het kleed te maken.  

Het verhaal van de verkenners is bekend. Op gezag van de Eeuwige gebood Mosjee het land Kenaän, aan de grens waarvan zij na twee jaren zwerftocht door de woestijn waren aangeland te verkennen. Hij wees twaalf mannen aan, die moesten bekijken, hoe vruchtbaar het land was en welke mensen er woonden en hoe de steden eruitzagen. Soms wordt gesproken over ‘verspieders', maar waarschijnlijker betrof het een openlijk reizende groep, misschien een gezantschap, want het waren belangrijke mannen, een uit iedere stam, die met deze taak belast werden. Van zuid tot noord trokken zij veertig dagen rond.  
Het is opmerkelijk in deze parasha hoe de verslaggeving van de verkenners bij hun terugkomst wordt beschreven. Allereerst rapporteren zij aan Mosjee en Aharon ten overstaan van het volk:  
‘Wij zijn in dat land gekomen waarheen u ons gestuurd hebt, en werkelijk, het vloeit over van melk en honing, en dit is zijn vrucht. Het volk echter dat in dat land woont, is sterk, de steden zijn versterkt en heel groot, en ook hebben wij daar nakomelingen van Enak gezien. In het Zuiderland woont Amalek, in het bergland wonen de Hethieten, de Jebusieten en de Amorieten, aan de zee en aan de oever van de Jordaan wonen de Kanaänieten' . (Num. 13: 27 HSV)  

Zo op het oog gezien lijkt dit een objectief verslag, niks mis mee. De informatie die Mosjee heeft gevraagd wordt gegeven, de feiten op tafel gelegd. Toch is al een subjectief oordeel in negatieve zin in dit feitenverslag te bespeuren en dat zit in het woordje ‘echter' in vers 28: ‘ Het volk echter … is ster k etc.' (Hebreeuws:   èfès-ki   ) en de massa pikt dat maar al te graag op. Kalev probeert het rijzend tumult tot bedaren te brengen door zijn positieve kijk naar voren te brengen: ‘ Laten wij vrijmoedig optrekken, wij zullen het land in bezit nemen, want wij zullen het zeker overmeesteren.'  
Zijn medeverkenners laten in reactie daarop de objectieve schijn vallen en zeggen onomwonden: ‘Wij kunnen tegen dat volk niet optrekken, want het is sterker dan wij' .
Dit gebeurt allemaal nog ten overstaan van Mosjee. Een fase later hebben deze medeverkenners zich onder het volk gemengd en nu beschrijven ze hun ervaringen met ronduit ontmoedigende en angstwekkende beelden: ‘ En zij verspreidden allerlei lasterpraat (‘diba') onder de Israëlieten over het land dat zij verkend hadden, door te zeggen: “Het land waar wij doorgetrokken zijn om het te verkennen, is een land dat zijn inwoners verslindt, en heel het volk dat wij in het midden daarvan gezien hebben, bestaat uit mannen van grote lengte.   Wij hebben er ook reuzen gezien, nakomelingen van Enak, afkomstig van de reuzen. Wij waren in onze eigen ogen als sprinkhanen, en zo waren wij ook in hun ogen”'. (13;32,33)  
Het volk breekt nu in gejammer en paniek uit ondanks waarschuwende en aansporende woorden van de twee helden die wel vertrouwen op de mogelijkheid op te trekken onder divine bescherming, Jehoshoea en Kalev. De menigte wil deze twee zelfs stenigen en Mosjee vervangen door een leider die ze naar Egypte terug zal brengen. De “Heerlijkheid van de Eeuwige” (   kawod Hashem   ) komt tussenbeide e nu breekt een episode aan die ons bekend voorkomt. De Eeuwige wil het ongelovige volk vernietigen en Mosjee intervenieert weer en met een beroep op de reputatie van de Beschermer van Israel (‘ de Egypenaren zullen zeggen, de God van Israel was niet bij machte zijn gelofte aan Israel na te komen' ) en op Zijn lankmoedigheid. Het zijn vrijwel dezelfde bewoordingen als in Sjemot/Exodus. 32:11-13, de smeekbede na het gouden kalf. Zo weet hij weer vergeving te bewerkstelligen; alleen, alle mannen boven de twintig zullen het beloofde land niet bereiken, nog veertig jaren woestijn staan voor de boeg. Jehosjoea en Kalev, de rechtgeaarde gelovigen, worden uitgezonderd ….  
Een spoedige dood overviel de overige 10 verkenners. Hun zonde zal niet zozeer hun verslaglegging ten overstaan van Mosjee zijn geweest. Eerder was dat hun rondgaan onder de kinderen Israëls met hun ontmoedigende verhalen, die de Tora omschrijft als lasterpraat.  
Het lijkt of hun aanvankelijk nog tamelijk feitelijke rapportage in tweede instantie is overgenomen door een de feiten uitvergrotende en verdraaiende sensatiepers, of door gewiekste partijpropaganda, die als een demoralisatievirus de volksmassa heeft aangetast. Die angstzaaiende roddel dan wel stokende partijpropaganda, dat lijken fenomenen van alle tijden. Hedendaagse voorbeelden liggen voor het oprapen.  

Met alle drama van een volk, dat een gebrek aan geloof in voortdurende goddelijke bescherming dan wel vertrouwen in eigen kunnen blijkt te vertonen, tot teleurstelling van zijn divine leiding, lijkt de uiteindelijke uitslag toch ten goede te zijn.; de onderstroom van dit hele gebeuren vat van   Nechama Leibowitz   in haar commentaar aldus samen (1):  
‘Je kan niet verwachten, dat mensen, die slaaf zijn geweest en hebben gezwoegd met bakstenen en stro en zo meer, hun vuile handen wassen en onmiddellijk daarna met reuzen gaan vechten. Het was een onderdeel van de Goddelijke wijsheid om hen in de woestijn te laten rondzwerven tot ze hadden geleerd om moedig te zijn. Want het is welbekend, dat een nomadisch bestaan onder spartaanse omstandigheden moed kweekt en het tegendeel, lafhartigheid. Bovendien groeide er nu een nieuwe generatie op, die geen vernedering en slavernij had gekend.'  


(1) Nechama Leibowitz, studies in Bemidbar, WZO

Parasjat Behaälotcha
Bemidbar/Numeri 8:1 – 12:16
Eros en God

In de Tora is seksualiteit een niet bestaand begrip en spelen romantiek en sensuele genieting geen of een ondergeschikte rol. De oerkracht van eros is wel een onderliggende laag en wordt door regels en geboden onder het patronaat van de Eeuwige in geordende banen geleid (vooral in het boek Wajikra). Seksuele gemeenschap en procreatie zijn wel belangrijke onderwerpen; het samenleven van man en vrouw wordt door een flink aantal geboden gereguleerd. In latere tijden geven vele geboden en gebeurtenissen in de Tora wel aanleiding tot een voortdurend rabbijns discours over de rol van eros, dat tot in onze tijden resoneert. Heel pregnant gecomprimeerd gaat het om: eros en/of God (1)
In deze parasja zien we een goed voorbeeld van hoe de rabbijnen een passage in dat verband uitleggen.

De laatste episode in deze parasja beschrijft de aantijgingen van Mosjee's zuster en broer, Mirjam en Aharon, tegen Mosjee: Bemidbar 12:1   Mirjam nu sprak, en Aharon, tegen Mosjee, naar aanleiding van de vrouw, de Koesjitische, die hij genomen had; want hij had een Koesjietische tot vrouw genomen. 2 En zij zeiden: Heeft dan de Heere maar alleen door Mozes gesproken? Heeft Hij ook niet door ons gesproken? En de Eeuwige hoorde het!  
Een gangbare rabbijnse verklaring van deze duistere passage is, dat de vrouw uit Koesj niemand minder is dan Tsipora, die dochter van Jitro, de Midjanitische priester, die Mosjee gastvrij opnam in zijn familie, toen laatstgenoemde van Farao's hof was weggevlucht. Als we de uitleg van de midrasj en Rasji (2) volgen dan betekende ‘vrouw uit Koesj' in het toenmalig taalgebruikgewoon ‘heel speciaal, schoon in uiterlijk en deugd' en dat wijst dus op Tsipora.
Het merkwaardige is, dat de mededeling, dat Mosjee een vrouw uit Koesj (volgens de rabbijnen dus Tsipora) had genomen niet betekent, dat er een nieuwe vrouw in het leven van de man is gekomen, maar geduid moet worden in de voltooid verleden tijd: hij was gehuwd en nu is hij van zijn gangbare vrouw gescheiden. De leidsman van Israel is blijkbaar overgegaan tot het celibaat! Het was Mirjam opgevallen – zo zegt de midrasj - , dat Tsipora zich niet meer opmaakte zoals de andere gehuwde vrouwen en toen ze haar schoonzuster vroeg waarom antwoordde deze: ‘je broer doet er niet meer aan' (bedoelend: aan seksuele gemeenschap). Een latere midrasj (Tanchoema) verhaalt in nog meer detail: Miriam stond naast Tsipora, toen ze hoorde hoe Eldad en Medad als profeten het kamp rondgingen (eerder in deze pararasja verhaald Bemidbar 11:26 ev). Tsipora zei toen: “Wee hun vrouwen, als ze de taak krijgen profeet te zijn, want ze zullen scheiden van hun vrouwen, net zoals mijn echtgenoot (Mosjee) van mij scheidde”. Profeet zijn is niet te combineren met seksuele omgang is de implicatie. Voortdurende communicatie met God en echtelijke vereniging met de vrouw gaat niet samen.

De rabbijnse uitleg uit de vroege middeleeuwen projecteert een belangrijke problematiek in deze scene, een problematiek omtrent de relatie tussen de ervaring van Gods nabijheid en seksualiteit. Sluiten die elkaar uit?
Staat seksuele activiteit spirituele ontwikkeling in de weg of is een combinatie mogelijk? Daarmee hebben de rabbijnen uit alle eeuwen zich intensief bezig gehouden. Het vermeende celibaat van Mosjee staat daarmee aan het ene extreem. Een man die constant in verbinding staat met de Eeuwige is boven de wereld van seks en gemeenschap uitgestegen. Dit ideaal is echter uniek en vrijwel voor niemand weggelegd. Bovendien is daar de onverbiddelijke mitswa om kinderen te krijgen en wel binnen het huwelijk. Het procreatie-gebod eist van de man om periodiek tot zijn vrouw te komen. Celibaat is in het Jodendom van alle tijden geen optie.
Even terug naar de Tora-tekst en Rasji. Volgens Mosjee's zuster Mirjam is die extreme abstinentie van haar broer ook niet nodig. Mirjam komt op voor de opvatting, dat om profeet te zijn je geen celibaat hoeft te beoefenen. Zij en Aharon zijn wel getrouwd en net zoals Mosjee zijn ook zij profeten met zienersgaven! Dat verklaart volgens Rasji hun uitroep in het tweede vers van hoofdstuk 12:  ‘ Heeft dan de Eeuwige maar alleen door Mozes gesproken? Heeft Hij ook niet door ons gesproken? ' Waaraan Rasjii toevoegt:  ‘ En wij hebben ons toch niet onthouden van echtelijke gemeenschap!'.
Tegelijk komt Mirjam daarmee op voor haar seksegenoot Tsipora en haar recht op echtelijke aandacht (later geformaliseerd in de mannelijke plicht periodiek tot zijn vrouw te komen, de mitswa ona )

In het rabbijnse discours door alle eeuwen blijft het spanningsveld van de kwestie ronddwalen; als een paal staat boven water, dat echtelijke gemeenschapp een plicht is, tegelijk komt daarmee de vraag:in hoeverre mag die gemeenschap gepaard gaan met genot. Mag je de lust ten volle ondergaan of moet eros binnen de perken gehouden worden, zo niet geheel onderdrukt worden om het contact me de hemel open te houden.
In talmoedische tijden zijn op dit gebied tamelijk milde geluiden te horen.
Zo onderwees Rabbi Josef (3): ‘haar lichaam vraagt direct lichamelijk contact, dwz dat hij haar niet zoals de Perzen behandelt, die hun echtelijke plichten gekleed verrichten. Dit bevestigt een regel van Rabbi Hoena, die verordende, dat een echtgenoot, die zei: “ik doe het niet tenzij zij haar kleren draagt en ik de mijne”, haar echtscheiding moet verlenen'.
In de middeleeuwen komen we een scala aan opvattingen tegen (deels ook door het christendom beïnvloed). Aan de ene kant ontmoeten we enige tamelijk ‘plezier-tolerante' geleerden als Inb-Ezra en Rabbi Abraham ben Yosef (Rabad) (4), welke laatste vier aspecten aan de echtelijke samenleving onderscheidt, die in de komende wereld worden beloond: de procreatie, het welzijn van de foetus, het tegemoet komen aan het genot van de echtgenote en het tegengaan van overspel. Het is zelfs de plicht van de man om zijn vrouw haar genot te bezorgen.
Daarentegen ontpopt Maimonides (5) zich als een strenge meester ten aanzien van lichamelijke genietingen. Deze kampioen van de geestelijke discipline ziet de erotische prikkelingen en sensuele ervaring als afleidend van het doel van het superieure geestelijk genot van het intellect, dat naar eenheid met het goddelijke streeft. Een sterke preoccupatie met zaadlozing buiten de geslachtsgemeenschap
kenmerkt vele middeleeuwse geleerden en ook deze middeleeuwse meester, die lof spreekt van de profeet Elisja, die volgens de Oude Wijzen nooit aan seks dacht en nooit werd betrapt op een nodeloze zaadlozing, terwijl aartsvader Jaäkov pas zijn eerste zaad stortte ter verwekking van zijn eerstgeboren zoon Reoeven.
De lijn van Maimonides heeft zich in de volgende eeuwen in diverse vormen doorgezet. Vele mystieke stromingen gingen behoorlijk tot sterk genotsvijandige tendenzen aanhangen. In de sfeer van de kabbala leek het wel of de eenwording met het goddelijke gelijkwaardig, zo niet superieur te achten was aan de seksuele gemeenschap. De echtelijke vereniging met de vrouw is weliswaar een mitswe – de ona , bij voorkeur te verrichten op sjabbat – maar dat moet dan maar snel en met zo weinig mogelijk lust worden volbracht. Opvallend is, dat het mannelijk spiritueel heil vooropstaat.
In het in de 18 e eeuw ontstane chassidisme heeft deze tendens zich in sterke mate voortgezet en in verschillende ultravrome stromingen die heden ten dage nog te vinden zijn zien we dat nog terug. Bij de gelijktijdige niet-chassidische meer op Tora-Tamoed studie gefocuste richtingen ( mitnagdiem ) in de 19 e eeuw zien we een gelijkvormige erotisering van de Tora, waarvan de bestudering verre superieur is aan de huwelijkse genietingen. Het sensuele Hooglied gaat niet over de aardse devotie van het minnespel, maar over de intellectuele vereniging met de goddelijke dimensie.
Grotendeels is het bovenstaande natuurlijk vooral een (wel heel ruwe) schets van de rabbijnse en geleerdenelite van het Joodse volk, dat over het algemeen wat betreft de seksuele mores een lossere mainstream praktijk volgde. Toch mogen we wel stellen, dat het chassidisme in het Oost-Europa van de 18 e , 19 e en een deel van de 20-ste eeuw een grote invloed had op de bevolking.

Natuurlijk opende voor velen de Verlichting de deuren naar een bevrijding uit de ook op seksueel gebied benauwende traditie. De vraag is of de vrijkomende eros rond de overgang van 19 e en 20 ste eeuw niet ongemerkt in de knellende banden kwam van het van de gojiem overgenomen bekrompen bourgeois-ideaal dan wel werd gesublimeerd in het ideaal van de fysiek competente ascetisch-zionistische landbouwpioneer (waarmee ik wel heel kort door de bocht een hoofdstuk uit David Biales boek (1) comprimeer). De angst voor een vrije seksualiteit bleef eigenlijk daarmee ook buiten de traditioneel religieuze grenzen gehandhaafd.
Tegelijk heeft Sigmund Freud, de Mozes van de psychoanalyse, de oerkracht van de seksualiteit in onze psyche in het licht gezet en tegelijk de onontkoombaarheid deze oerkracht in het leven zijn plaats te geven.
Intussen mag je zeggen, dat in tweede helft van de 20 ste eeuw de westerse wereld het grotendeels seculiere of liberale dan wel traditionele Jodendom terecht is gekomen in de mainstream van het burgerlijk huwelijk met een redelijk verlichte seksuele moraal.
De ambivalente relatie tussen de krachtige aandrift tot een vervullende ongebonden genieting van het lichamelijke en de nog steeds geldende dringende noodzaak deze te begrenzen, welke noodzaak vroeger op sacraal niveau tot uiting kwam in (vaak zeer benauwend uitgelegde) religieuze geboden, is van alle tijden.
In iedere generatie uit dit zich in nieuwe vormen.
Ook nu zijn mensen druk bezig met het zoeken naar seksuele vervulling en genieting van wat het aardse te bieden heeft. Het lijkt of – tenminste in het westen –na het verbreken van knellende banden in de 60-er jaren van de vorige eeuw - seksuele en materiële genieting het summum is. Maar evenzeer blijft hardnekkig – misschien vaak ondergronds, ongeweten – zich een behoefte voelen naar begrenzing en containment, niet uit angst voor de zonde, maar uit gepassioneerd verlangen naar overstijging van het eigen ik met zijn privé-belangen, begeerten en bezit naar een hoger niveau van beleving en zingeving (God, zo je wil).

In Israel hebben we enerzijds Tel Aviv, de “poel der zonden”, de samenballing van uitbundige vrijheid; daar wordt het leven in al zijn bonte uitersten gevierd, eros kent daar geen grenzen, anderzijds hebben we Jeroesjalajiem, het centrum van religieuze observantie, van vrome kuisheid, waar oude zeden nog opgeld doen. Mischien moeten we tussen Tel Aviv en Jeroesjalajiem een nieuw gouden midden vinden ergens in de buurt van Modi'ien, waar eros en God (6) zich eindelijk verzoenen.

Noten
(1) Dankbaar is gebruik gemaakt van Biale, David: Eros and the Jews : from Biblical Israel to contemporary America , Basic Books, Harper Collins, 1992. Passim
(2) Rasji ad loc, Sifrei Bamidbar 99 en 100
(3) Talmoed Ketoebot 48a
(4) Zie David Biale op cit, p. 95ev
(5 Maimonides, Moses: The Guide of the Perplexed (Moreh Nevuchim) , translated by M. Friedländer, New York, Dover Publications, deel III, hfst VIII
(6) Natuurlijk: God, zoals wij hem naar ons toe interpreteren

RC juni 2017

Parashat Beha'alotcha Numeri/Bamidbar 8:1-12:15
Op zoek naar de vrouw uit Koesh

In de parasha Beha'alotcha nadert de vorming van de uit Egypte weggetrokken volksmassa van een jaar geleden de voltooiing tot een goed georganiseerde en reisvaardige gemeenschap. 
Het weerbare manvolk is geteld, het kampement georganiseerd, de marsorde bepaald en last but not least, de levietendienst nauw omschreven. De laatste bepalingen omtrent de Levieten staan in deze parasha. Nadat de uittocht voor de eerste keer is herdacht is het volk klaar om verder te trekken. 
De zilveren trompetten klinken en de imposante karavaan begint zijn lange reis. Maar al spoedig vinden er een aantal incidenten plaats en blijkt de tocht niet zonder ontberingen. In een ander commentaar ga ik verder op deze gebeurtenissen in.

De laatste episode in deze parasha beschrijft de aantijgingen van Moshé's zuster en broer, Mirjam en Aharon, tegen Moshé: 1 Mirjam nu sprak, en Aharon, tegen Moshé, naar aanleiding van de vrouw, de Koeshitische, die hij genomen had; want hij had een Koeshietische tot vrouw genomen. 2 En zij zeiden: Heeft dan de Heere maar alleen door Mozes gesproken? Heeft Hij ook niet door ons gesproken? En de Eeuwige hoorde het! ''
Het is een duistere passage, want wat was nu het verwijt van Mirjam en Aharon. En wie is nu die vrouw uit Koesh, de oude naam van Ethiopië in die tijd. Laten we dat eerst bekijken.

Twee beroemde rabbijnen uit de middeleeuwen hadden twee totaal verschillende antwoorden.
Eén van die rabbijnen is Rabbi Shlomo ben Jitschak – acroniem Rashi - , de beroemde commentator uit het elfde-eeuwse Troyes. Hij gaat er zonder meer vanuit, dat de vrouw uit Kush identiek is met Tsipora, al vele jaren de echtgenote van Moshé en de dochter van de priester Jitro uit de landstreek Midjan. Het verwijt van Mirjam is dus niet, dat hij een nieuwe vrouw heeft genomen, maar dat hij van Tsipora gescheiden is. Moshé is dus weer single. Hoe is Mirjam dit aan de weet gekomen? Rashi haalt een verhaal uit de midrash aan (uit de verzameling Tanchoema): Miriam stond naast Tsipora , toen ze hoorde hoe Eldad en Medad als profeten het kamp rondgingen, eerder in deze parshe verhaald (11:26 ev). Tsipora zei toen: “Wee hun vrouwen, als ze de taak krijgen profeet te zijn, want ze zullen scheiden van hun vrouwen, net zoals mijn echtgenoot (Moshé) van mij scheidde” Mirjam ving dat op en vertelde het door aan Aharon.
Maar er staat toch Koeshitische ( Koeshiet ) en niet Midjanitische, immers Tsipora komt uit Midjan? Rashi zegt dan zoiets als: vroeger gebruikt men Koesjitisch ook als ‘mooi, schoon', zo mooi als de zwartheid van een vrouw uit Koesh. Kennelijk was er toen veel waardering voor een donkere huidskleur!
Wanneer Tsipora de vrouw uit Koesh is, dan zou de scheiding van Moshé de consequentie zijn van diens opvatting , dat hij als profeet zijn zienersgave alleen kan uitoefenen bij de gratie van seksuele abstinentie. Dat is Rashi's gevolgtrekking. Mirjam en Aharon zijn het daar niet mee eens. Mirjam komt op voor haar seksegenoot, maar zeker ook voor de opvatting, dat om profeet te zijn je geen celibaat hoeft te beoefenen! Zij en Aharon zijn wel getrouwd en net zoals Moshé zijn ook zij profeten met zienersgaven! Dat verklaart hun uitroep in het tweede vers van hoofdstuk 12: Heeft dan de Eeuwige maar alleen door Mozes gesproken? Heeft Hij ook niet door ons gesproken? W aaraan Rashi toevoegt: En wij hebben ons toch niet onthouden van echtelijke gemeenschap! Geforceerd klinkt het allemaal wel.

Rashi had een kleinzoon, ook een beroemde geleerde, die een hele andere opvatting had. Dat was Samuel ben Meir (Troyes, 1085 – c. 1158), met als acroniem Rashbam. Rashbam zei: de vrouw uit Koesh was de eerste vrouw van Moshé! Het was de dochter van de koning van Koesh en ze had een naam: Tharbis. Hoe komt de Rashbam aan dit verhaal? Het is een midrash, een van de vele legenden, die de periode invullen van het leven van Moshé als adoptief-prins van Egypte; Moshé was immers als tachtig jaar ten tijde van de Exodus. Vóór zijn vlucht naar Midjan had hij al een heel leven achter zich. De legenden schilderen hem af als held en veldheer voor de Farao, iets waar de Hollywood-films over de Exodus van Cecil B. DeMille tot Ridley Scott dankbaar gebruik maken. Rashbam heeft zijn versie kennelijk uit Josephus' boek over de Joodse geschiedenis (1). Daarin staat het verhaal over de veldtocht van Moshé tegen de Koeshieten (Ethiopiërs). Toen hij de Koeshieten had verslagen en hun hoofdstad Saba in de tang had, zag prinses Tharbis, de dochter van de koning, de stoere held, werd verliefd op deze kundige generaal en bood hem aan de stad over te leveren, als Moshé haar wilde trouwen en zo geschiedde.
Het motief van Mirjam en Aharon om Moshé dit kwalijk te nemen berust dan op het feit, dat hij een niet- Joodse vrouw heeft getrouwd. Dat het tweetal dit nu pas doet maakt de case van de Rashbam niet sterker. Ook nergens is in Exodus deze vrouw en dit huwelijk verder vermeld. De Rashbam brengt het verwijt rond de vrouw uit Koesh niet in verband met de woede van de Eeuwige, die op het tweetal neerdaalt.

De twintigste-eeuwse filosoof Martin Buber gaat er evenals vele andere commentatoren van uit, dat Moshé na Tsipora eenvoudigweg een tweede vrouw heeft genomen, een vrouw uit Koesh. In zijn boek over Moshé (2) ziet hij de twist tussen Mirjam en Aharon en Moshé als een familiekwestie rond het zienerschap. Van celibataire neigingen is bij de oude leidsman geen sprake. De familie van Moshé is traditioneel een familie met zienersgaven en Moshé zou de overerving van deze gave in gevaar brengen door een buitenlandse Ethiopische vrouw te nemen.

Even verderop in deze parshe (12:5 ev) komt de Eeuwige als woedende wolk tussenbeide en stelt het verwijt van Mirjam en Aharon als hoogmoed aan de kaak. Want hoogmoed is de pretentie dat de twee als zieners en profeten op dezelfde hoogte staan als hun broer Moshé; hen wordt klip en klaar te verstaan gegeven, dat Moshé "een klasse apart" is. De leidsman heeft niet de bemiddeling nodig van droom of visioen, met hem heeft de Eeuwige rechtstreeks contact, "van mond tot mond, peh el peh ". Op de vrouw uit Koesh wordt helemaal niet teruggekomen. Dit punt was niet de hoofdzaak, maar alleen maar een aanleiding voor het opduiken van al lang bestaande spanningen in de familie omtrent het leiderschap. Wie de vrouw uit Koesh was laten we maar in het midden, maar misschien heeft u als lezer wel een idee.

Mirjam wordt als initiatiefneemster van deze kwaadspraak met melaatsheid gestraft.
Maar voor Moshé is dit al te gortig en hij smeekt om haar genezing: ‘ El na refa na la ' (God als 't U belieft, genees haar toch!). Ik heb er een melodie op gemaakt en een paar akkoorden eronder gezet en ik zing het als mantra voor genezing.

noten
(1) Flavius Josephus , Antiquities of the Jews - Book II, chapter 10
(2) Martin Buber, Mozes , Servire, 1970; oorspr.: Moses, 1965; meer dan een biografie ook een beknopt commentaar op de Tora

parsjat BEHA'ALOT'CHA: tussen haakjes
Twee esoterische uitleggingen,         
voor de andere uitleg klik hier

In de parasja Beha'alot'cha nadert de vorming van de uit Egypte weggetrokken volksmassa van een jaar geleden de voltooiing tot een goed georganiseerde en geïnspireerde gemeenschap. 
De openbaring van de Ene op de Sinai heeft plaatsgevonden, de belangrijkste geboden zijn gegeven, het weerbare manvolk is geteld, het kampement georganiseerd, de marsorde bepaald en last but not least, de Tabernakel is gemaakt en de levietendienst nauw omschreven. De laatste bepalingen omtrent de Levieten staan in deze parasja. Nadat de uittocht voor de eerste keer is herdacht is het volk klaar om verder te trekken. 

Bij lezing van een aantal commentaren ontdekte ik dat hier in de Tora een cruciaal wendingspunt is genaderd. Wat is er aan de hand? 
Het gaat om de verzen 10, 35 en 36. 

vers 35  "Wanneer de ark op het punt stond op te trekken zei Mosjé: ‘Eeuwige, laat uw vijanden verstrooid worden en die U haten voor U op de vlucht slaan.' (ook gezongen tijdens de Toradienst)  vers 36  “En als hij op een rustpunt kwam zei hij: ‘Keer terug, Eeuwige, temidden van de tienduizenden van Jisraël. ‘"  

In de Tora-rol (de 'seifer Tora'), maar ook in de hebreeuwse boektekst van de Tora (de z.g. Choemasj) staan deze woorden apart gesteld, als het ware omhaakt door de hebreeuwse letters "noen' met omgekeerde vlaggetjes. Dat is nooit zomaar. Waarom is dat?

Verklaringen in de Talmoed bereiden ons een verrassing: de twee verzen staan eigenlijk nog niet op de juiste plaats, sterker nog ze vormen samen een apart boek! Goed beschouwd bestaat de Tora dan uit 7 boeken, waarbij Bemidbar gezien kan worden als uitgesplitst in 3 boeken, deel 1, deze verzen en dan wat daar verder nog op volgt als deel 3. 
Bekomen van de schok vragen we ons af: een apart boek, goed, dat nemen we maar even aan in het besef dat het niet gaat om een definitieve herindeling, maar om de betekenis die het wil uitdragen, waarom een apart boek?
Rav Yosef Soloveitchik reconstrueerde een verrassende verklaring, waar ik in de weergave van R. Ari Kahn  uit put. 

Als het volk voor de eerste keer na de Sinai gaat optrekken zegt Mosjé (tegen de zoon van zijn schoonvader): "We staan op het punt te vertrekken naar de plaats waarvan de Ene heeft gezegd: ‘die wil Ik jullie geven'" (10, 29). Mosjé verkeert in de veronderstelling dat de kinderen van Jisraël op het punt staan het beloofde land binnen te trekken en in bezit te nemen. 

Maar dat zal niet gebeuren. 
Eigenlijk is het eerste vers, (10, 35), de oproep die Mosjé zou hebben uitgesproken bij het voorgenomen binnentrekken van het land en het tweede vers, (10, 36), de oproep aan het slot van de vreedzame inbezitneming, die daarop zou zijn gevolgd. 
Maar deze zegevierende opmars, die op het punt stond te gebeuren gaat niet door. 
Want wat gebeurt er niet lang na het moment van dit vers? De geschiedenis met de verspieders (verhaald in de volgende parasja Sjelach). Vele jaren van omzwervingen en afdwalingen volgen. 
Als merkteken van deze noodlottige wending heeft de goddelijke inspiratie de schrijver deze verzen binnen de haken doen plaatsen, als reminder voor wat had kúnnen gebeuren.

Maar waarom dit dan een apart boek genoemd? De Talmoed zegt:  Dit stuk plaatste G-d tussen symbolen boven en beneden ... want het telt als een belangrijk boek op zichzelf  (Talmud, Shabbat 115b). Het is een onvoltooid boek. Het Boek van de Bestemming van het Joodse Volk. Het boek dat nog steeds wacht om tussen begin- en eindzin geschreven en voltooid te worden. De omgekeerde noens herinneren ons er aan dat temidden van verwarrende omzwervingen en ondanks alle afdwalingen die bestemming nog op vervulling wacht. 

Ik voeg er nog dit aan toe: voor mij wekt deze passage met zijn uitleg een groot besef van de complexiteit van het historisch proces, waarin ik zo vaak, ieder zo vaak, wij als volk Israëls al zo lang en soms schijnbaar hopeloos in verwikkeld zijn, maar toch: een proces waarin we steeds de oren willen spitsen om iets op te vangen van de grote ademtocht van een bestemming en een opdracht. 
Een Messiaanse roep, waarzonder we toch eigenlijk niet willen en kunnen.

Parasjat Behaälotcha  
Numeri/Bemidbar 8:1-12:15  
Tussen haakjes

In de parasja Behaälotcha nadert de vorming van de uit Egypte weggetrokken volksmassa van een jaar geleden de voltooiing tot een goed georganiseerde en geïnspireerde gemeenschap.  
De openbaring van de Ene op de Sinai heeft plaatsgevonden, de belangrijkste geboden zijn gegeven, het weerbare manvolk is geteld, het kampement georganiseerd, de marsorde bepaald en last but not least, de Tabernakel is gemaakt en de levietendienst nauw omschreven. De laatste bepalingen omtrent de Levieten staan in deze parasja. Nadat de uittocht voor de eerste keer is herdacht is het volk klaar om verder te trekken.  
Bij lezing van een aantal commentaren ontdekte ik dat hier in de Tora een cruciaal wendingspunt is genaderd. Wat is er aan de hand?  Het gaat om de verzen 10, 35 en 36.  

vers 35   "Wanneer de ark op het punt stond op te trekken zei Mosjé: ‘Eeuwige, laat uw vijanden verstrooid worden en die U haten voor U op de vlucht slaan.' (ook gezongen tijdens de Toradienst)   vers 36   “En als hij op een rustpunt kwam zei hij: ‘Keer terug, Eeuwige, temidden van de tienduizenden van Jisraël. ‘"    

In de Tora-rol (de ' sefer Tora '), maar ook in de hebreeuwse boektekst van de Tora (de z.g. Choemasj ) staan deze woorden apart gesteld, als het ware omhaakt door de hebreeuwse letters "noen' met omgekeerde vlaggetjes. Zoiets als [ … ]. Verklaarders hebben wel gezegd dat dit een hint is naar een apart boek over de uiteindelijke bestemming van van he Joodse volk, een boek dat nog moet worden geschreven. Zie een eerder commentaar .

De haken van de omgekeerde noens hebben ook aanleiding gegeven tot een esoterische uitleg, die ik aantrof bij  R. Simon Jacobson en die ik voorzover mogelijk kort zal proberen weer te geven. In feite is die uitleg een verdere verdieping van het voorgaande.
De twee haken vormen wanneer men ze samenvoegt het beeld van een vierkant. Dat vierkant symboliseert het 'vierkante kleed' van het mysterie van het bestaan. In de woorden van het kabbalistische werk  'Emek Hamelech'   (1):

'Dit kleed bergt het geheim van het vierkant en de sluit-mem  [ ] , omdat het kleed vierkant is en zich dan deelt in twee en twee noens wordt, en dit zijn de twee noens, die geschreven zijn in het stuk  "Wanneer de ark op het punt stond op te trekken",  welke noens gevormd zijn als een open omgekeerde noen ... Dit betekent een groot geheim: ieder die dit stuk dagelijks met de gepaste wijdng leest, zal niet gekwetst worden, zelfs als hij een reis onderneemt naar een plaats van dieven, op zee reist of naar een andere gevaarlijke plaats gaat. Zolang hij de twee bovenvermelde noens, die verwijzen naar de twee helften van het kleed, voor ogen houdt. Dat is het geheim van Mosjee's gebed  "Op, Eeuwige, laat uw vijanden verstrooid worden en die U haten voor U op de vlucht slaan.'  en ook de Rabbi Shimon bar Jochaj zei dat "het uitnemen van de Sefer Tora in het openbaar de poorten van de compassie opent, reden waarom we deze bede uitspreken als de Heilige Arke wordt geopend."'

Het bedoelde kleed kan je je voorstellen als een prachtig tapijt, dat zowel verbergt als onthult. Een kleed dat iets zeer diepgaands en intiems zowel verbergt als openbaart. Dit kleed is gemaakt van twee helften, de ene helft heel doorschijnend, de andere ondoorzichtig. De kabbalisten gebruiken dit beeld om de overgang begrijpelijk te maken tussen onze dagelijkse realiteit en de diepere of hogere realiteit die achter het kleed of gordijn of sluier ligt.

Het kleed beschermt ons als het ware. Zouden we aan de stralende licht en de onbegrensde energie worden blootgesteld van deze hogere werkelijkheid dan zouden we niet kunnen bestaan, zouden we weggevaagd worden. In feite is ons bewustzijn een staat van verberging. Ons besef van 'ik ben' is alleen mogelijk dank zij de verhulling van energie. De paradox is dat werkelijke gewaarheid niet betrekking heeft op datgene is wat we kunnen vatten, maar op 
datgene wat we niet kunnen vatten; wakker zijn betekent beseffen dat we in slaap zijn. Werkelijk gewaar zijn is dat we gewaar zijn van iets voorbij aan onze gewaarheid!

Het kleed sluit ons niet in een gevangenis. Als je goed kijkt zie je delicate patronen en subtiele figuren in het kleed. Die doen ons iets vermoeden van de ontzagwekkende processen achter dat schitterende doek. Het lokt ons om steeds naderbij te komen en het houdt ons ook op een afstand. Het werk van ons leven is om als het ware het licht van achter dat reuzengordijn in ons leven te krijgen, om de twee kanten met elkaar in verbinding te brengen. 
In termen van dat levenslange proces rond het kleed, dat openbaart en verbergt, is de ruimte tussen de twee omgekeerde noens, zoals de Talmoed oppert, op te vatten als een apart boek, in deze uitleg het boek waarin het verhaal van ons eigen leven bezig is zich te schrijven.

Ook de Tora kan opgevat worden als een kleed, dat zowel een uiterlijke, geopenbaarde, exoterische dimensie heeft met zijn do's en don'ts, als ook een innerlijke verborgen dimensie, het licht. Het onmetelijke divine licht kan neerdalen omdat het zich hult, zich verpakt zou je bijna zeggen, in een kleed, de uiterlijke Tora en ruimer gezegd, de materiele schepping. Zoals de midrasj zegt, de Eeuwige hulde zich in een witte talliet, en men verwijst dan naar psalm 4 vers 2,   in een mantel van licht bent U gehuld .
De exoterische kant is de manifeste wereld met al zijn valkuilen, ontberingen, verleidingen, lusten en lasten. Die wereld is eindig. De buitenkant van de Tora voorziet ons van richtlijnen en mitswot om de woestijn door te trekken. De esoterische dimensie, de binnenkant reflecteert het oneindige licht, dat zonder omvatting van een kleed ons zou verpletteren. De witte talliet schijnt in zijn witheid stralend op en vertaalt als het ware voor beperkte schepselen die wij mensen zijn iets van het oneindige licht door. De uitdaging is niet te vluchten uit de manifeste wereld en zijn moeilijkheden van alledag, maar de woestijn binnen te gaan, te temmen en vruchtbaar te maken, contact zoekend en houdend met de bron van licht.
De twee omgekeerde noens vertellen eigenlijk dit verhaal: de reis van het licht naar en door onze wereld en de oproep om die wereld aan te gaan met een gezonde slagvaardigheid in de overtuiging dan gedragen te worden door een kracht die groter is dan en voorbij aan de eigen vermogens. De ene noen representeert de kant van het oneindige licht, de andere kant representeert deze manifeste materiele wereld. Samen omsluiten zij het boek van onze eigen reis waarin wij aan alle kanten geinvolveerd zijn in die manifeste wereld, maar niet in de macht zijn van die wereld


(1) Emek Hamelech , kabbalistisch werk uit de 17 e eeuw met mystieke verhalen van Naftali Hertz ben Yaakov

RC 13 juni 2009 herzien 23 juni 2016

parashat BEHA'ALOTECHA Numeri/Bamidbar 8:1-12:15
Leiderschap in crisis

In de parasja Beha'alotecha nadert de vorming van de uit Egypte weggetrokken volksmassa van twee jaar geleden de voltooiing tot een goed georganiseerde en geïnspireerde gemeenschap. 
De openbaring van de Ene op de Sinai heeft plaatsgevonden, de belangrijkste geboden zijn gegeven, het weerbare manvolk is geteld, het kampement georganiseerd, de marsorde bepaald en last but not least, de Tabernakel is gemaakt en de levietendienst nauw omschreven. De laatste bepalingen omtrent de Levieten staan in deze parasha. De uittocht uit Egypte is nu een jaar geleden begonnen en Pesach wordt gevierd; nog enkele voorschriften daarvoor worden gegeven. Niet lang daarna trekt de wolk op van de tabernakel en het kamp wordt opgebroken. De voorgeschreven zilveren trompetten schallen en geven hun signalen. En dan zet een imposante karavaan zich in beweging, de twaalf stammen, ieder met hun legergroepen, en te midden van hen de levieten, die de ontmantelde tabernakel dragen en de daarbij behorende heilige voorwerpen, een onafzienbare processie van honderdduizenden voortrekkers.
De parasha beschrijft de trek van Sinaj tot aan de aankomst in de woestijn Paran. Tijdens die tocht passeren een aantal opmerkelijke incidenten, waarvan we er een wat nader beschouwen .

Het duurt niet lang, of de ontberingen van zo'n tocht doen zich gelden en het volk begint te klagen. Het vuur van de boos geworden Eeuwige vernietigt de randen van het kamp (kitsee ha-mechane ) en dank zij gebed van Moshé dooft het uit. Maar het geklaag dooft niet uit. Het begint bij het gepeupel (zoals Dasberg ‘ha-amsfoet' vertaalt), waarmee volgens Rashi de met Israel meetrekkende massa wordt bedoeld ( Ex. 12: 37,  De Israëlieten trokken te voet van Rameses naar Sukkot; hun aantal bedroeg ongeveer zeshonderdduizend, vrouwen en kinderen niet meegerekend,   terwijl er bovendien een grote groep mensen van allerlei herkomst met hen meetrok ). Die massa steekt de ‘Bené Jisrael' aan en zo begint er een groot gejammer; de eentonigheid van het manna wordt de mensen te veel en een grote begeerte naar vlees, vis, augurken, watermeloenen, prei en uien overvalt hen. Zo klagen de families, ‘ieder aan de ingang van zijn tent' en weer ontsteekt een goddelijke toorn.
Dat veroorzaakt bij Moshé misschien wel de grootste crisis in de uitvoering van zijn leidersopdracht. Hij staat op het punt het bijltje erbij neer te gooien: Num. 11. 14 ‘ Ik alleen kan al dit volk niet dragen, want het is mij te zwaar. 15 En als U mij zo wilt behandelen, dood mij dan toch meteen, als ik genade in Uw ogen gevonden heb, en laat mij mijn onheil niet aanzien! '

Al eerder heeft Moshé vele crises doorstaan. Al eerder heeft het volk gemord bij om water en even daarna terugverlangd naar de vleespotten van Egypte en steeds werden oplossingen in de vorm van bronnen en manna gevonden door positieve tussenkomst van de leider. (Ex. 15 en 16). Al eerder wist Moshé de goddelijke woede te transformeren in de grote crisis van het gouden kalf. Ook toen bracht Moshé zijn leven in het geding toen hij smeekte (Ex. 32:30): ‘ Nu dan, of U toch hun zonden wilde vergeven! Maar indien niet, schrap mij alstublieft uit Uw boek, dat U geschreven hebt. '

Hoe verschillend van de huidige woorden klinkt daar de moedige inzet van Moshé. Nu voelt de leider zich in de steek gelaten; hij twijfelt aan zijn eigen capaciteiten en in zijn samenspraak met de Eeuwige klinken bittere woorden: (HSV) Ex. 12: 11: ‘ Waarom hebt U Uw dienaar kwaad gedaan en waarom heb ik geen genade gevonden in Uw ogen, dat U de last van heel dit volk op mij legt? 12 Ben ík soms zwanger geweest van heel dit volk? Of heb ík het gebaard, zodat U tegen mij zou kunnen zeggen: Draag het in uw schoot, zoals een verzorger een zuigeling draagt, naar het land dat U hun vaderen gezworen hebt? 13 Waar zou ik vlees vandaan moeten halen om al dit volk te geven? Want zij jammeren tegen mij: Geef ons vlees, zodat wij kunnen eten! 14 Ik alleen kan al dit volk niet dragen, want het is mij te zwaar. 15 En als U mij zo wilt behandelen, dood mij dan toch meteen, als ik genade in Uw ogen gevonden heb, en laat mij mijn onheil niet aanzien! '

Mijn eerste reactie op deze woorden van wanhoop is begrip voor de onmogelijke taken van leiderschap. Ze brengen de figuur van Moshé zo veel meer dichtbij brengt als allerlei andere helden uit sagen en mythologie, we zien een menselijk ontwikkelingproces, dat al begint bij de brandende doornstruik en zich - telkens in een nieuwe ontwikkelingsfase - hier voort zet.
De woede van de Eeuwige en de wanhoop van Moshé is des te begrijpelijker, omdat het gejammer en gemor van het volk nu plaatsvindt in een veel verdere ontwikkelingsfase dan het geklaag net na het vertrek uit Egypte; nu heeft al zoveel plaatsgevonden aan spirituele manifesatie, ordening, organisatie en heiliging. Er is zoveel goeds gebeurd en nauwelijks zijn ze op weg, de ‘bné Jisrael', of het lijkt of er in hun mentaliteit niets is veranderd.
De Eeuwige blijkt helemaal geen acht te slaan op de klagende demoraliserende toon van de radeloze leidsman. Hij reageert vooral op het inhoudelijk probleem: ‘(HSV) Verzamel voor Mij zeventig mannen uit de oudsten van Israël, van wie u weet dat zij de oudsten van het volk zijn en de beambten ervan. U moet hen bij de tent van ontmoeting brengen en zij moeten daar bij u gaan staan. 17 Dan zal Ik neerdalen en daar met u spreken. En van de Geest Die op u is, zal Ik een deel afzonderen en op hen leggen. Zij zullen samen met u de last van dit volk dragen, zodat u die niet zelf alleen hoeft te dragen . ‘
Deze ingeving van de Eeuwige doet denken aan het advies van twee jaar eerder van Moshé's schoonvader Jitro aan zijn tot solisme neigende schoonzoon: (Ex. 18:19): ‘ Wat je doet, is niet goed.

18 Je zult er zeker aan bezwijken, zowel jij als dit volk dat bij je is, want dit is te zwaar voor je. Je kunt dit niet alleen doen. ' Dat leidde destijds tot een vruchtbare delegatie van taken.
Nu gaat het er vooral om een radicale mentaliteitsomslag en een geheel nieuw elan te wekken bij de zeventig gekozen leiders van het volk. De toespraak, die de tot dan uit het veld geslagen voorman tot de zeventig oudsten heeft gehouden moet van een duizelingwekkende kracht en indringendheid zijn geweest. Be-ezrat Hashem wist Moshé een nieuwe bezieling in zich aan te boren en aan zijn toehoorders over te brengen. Moet ik denken aan historische toespraken zoals die van Churchill in 1940 (‘bloed zweet en tranen') of die van Martin Luther King in 1963 (‘I have a dream')? In ieder geval wist Moshé aan zijn toehoorders in die mate een nieuwe geest – een ‘enthousiasme' - over te brengen, dat zij zelfs een korte tijd ‘als profeten optraden' en daarna niet meer; maar men mag verwachten, dat ze iets van die nieuwe bezieling ook weer aan anderen konden overbrengen.

Misschien is dat wel een van de meest typerende kenmerken van leiderschap: dat je in het meest uitzichtloze moment van verlorenheid de opening kan vinden, waarin nieuwe moed en enthousiasme kan instromen en uitgedeeld kan worden aan wie daarin afhankelijk van je zijn.

Eldad en Medad profeteerden ook (11:26) , hoewel ze niet aanwezig waren in de bijeenkomst van de zeventig oudsten en Joshua waarschuwde Moshé tegen deze ‘ongeautoriseerde' profeten, die achtergebleven waren in het kamp. Maar Moshé keurde hen alsnog goed. Waarom? De midrash zegt: oorspronkelijk waren uit iedere stam 6 oudsten gekozen, dat maakt 72. Maar de Eeuwige had 70 verordonneerd. Eldad en Medad boden aan om daarom niet mee te gaan naar deze belangrijke bijeenkomst. Ze offerden deze eer op in het algemeen belang.
Vandaar dat ze alsnog beloond werden met een profetische gave, maar dan niet voor een kort tijdje, maar zoals de Talmoed verondersteld duurzaam.

Bij dit commentaar heb ik mij mede losjes laten inspireren door lezing van de commentaren van Nechama Leibowitz en R. Jonathan Sacks op deze parasha. pijltje

parashat Naso Numeri/Bamidbar 4:21–7:89
de priesterzegen

birkat kohaniem synagoge EnschedeAls jongetje van zo'n jaar of twaalf ging ik naar de kerk, de protestante kerk, waarbij mijn vader zich had aangesloten. Ik herinner mij van die diensten vooral hoe lang ze duurden.  
Het eerste dat ik deed bij binnenkomst van de hoge bakstenen ruimte was kijken naar het psalmen- en gezangenbord, hoeveel stond erop, hoeveel lange verzen moesten wij doorwerken. Vervolgens schaamde ik mij altijd een beetje over mijn vader, over hoe hard hij meezong met het traag zich voortslepend gezang van de gemeente. En dan de langdurige preek van de dominee; naarmate hij vorderde met zijn preek probeerde ik verlangend aan de intonatie van zijn zinnen af te leiden of hij aan het eind van zijn betoog was gekomen.  
De dominee zond zijn kudde tenslotte naar huis met een zegenspreuk die hij met geheven handen uitsprak. Die maakte toen op een of andere manier enige indruk, ik was toch gevoelig voor de schoonheid en verhevenheid van die woorden.  
Het was de priesterzegen uit de parasha Naso, die ook in de protestante kerk door de voorgangers wordt gebruikt.
Nu ik sinds jaren teruggekeerd ben naar mijn jodendom hoor ik hem weer in de synagogedienst en lees ik hem weer in deze parasha.

Hij staat daar wat plotseling tussen allerlei ingewikkelde voorschriften over het test van de al dan niet overspelige vrouw (de z.g. Sota ), middeleeuws aandoende bepalingen, waar wel mystieke uitleggingen voor zijn gegeven, de regels over het nazireërschap, een soort monnikengelofte, die ook wel associaties oproept met een kuur tegen alcoholverslaving, en die lange opsomming van de door Israels stammen gebrachte inwijdingsoffers voor het tabernakel.

Opeens staan daar die schone woorden, die al duizenden jaren worden uitgesproken en vast wel nog duizenden jaren zullen meegaan:  

'Zo moeten jullie (Aharon en zijn zonen) de kinderen van Israël zegenen door te zeggen': "De Eeuwige zal u zegenen en u behoeden. De Eeuwige moge Zijn gelaat over u doen lichten en u Zijn gunst verlenen. De Eeuwige moge Zijn gelaat naar u opgeheven houden en u vrede geven". Zij zullen Mijn naam op de kinderen van Israël leggen en Ik zal hen zegenen.' (Bemidbar 6, 23-27).  

Oude wijzen vroegen zich af wie er nu zegent: zijn het de priesters of is het de Eeuwige zelf?  
De meeste commentatoren komen tot de logisch aandoende conclusie, dat het de Eeuwige is die zegent, maar Hij gebruikt de priesters als medium. De gemeente roept de zegen van de Eeuwige af door middel van het vocale instrument van de priesters (zo ongeveer Hirsch, geciteerd door Nechama Leibowitz ).  
Net zoals in het algemeen de Eeuwige de samenwerking met de mens nodig heeft.

De commentatoren geven ook betekenis aan de volgorde van de respectievelijke ‘zegenzinnen'. Nechama Leibowitz noemt er een paar (heel kort samengevat):  

•  De Eeuwige zal u zegenen: slaat op (materieel) succes

•  en u behoeden: om gespaard te blijven voor rovers, diefstal e.d. en niet af te dwalen van het juiste pad b.v. in zaken en Tora-studie.

•  Zijn gunst verlenen: meer in spiritueel opzicht.  

•  Zijn gelaat naar u opgeheven houden en u vrede geven: dit is de climax, vrede is een preconditie voor alles.  

Nechama Leibowitz signaleert een opklimmende orde en toenemende stuwing in de reeks zegeningen: materieel, dan spiritueel en de combinatie van deze twee elementen in de vrede. Dat komt tot uiting in taal en ritme. De eerste zin (in het Hebreeuws) bestaat uit drie woorden, de tweede uit vijf en de derde uit zeven.  

Voor mij hebben alle drie zinnen zowel een individuele als een gemeenschapskant en zowel een materiële ‘buitenkant' als een spirituele ‘binnenkant'.  
Ze hebben een onvergelijkelijke en onvergankelijke poëzie en kracht.  
Het is in mijn beleving het hoogtepunt van de dienst, als ze worden ze uitgesproken.  
"Ja-eer Adonaj panav eleicha", korter en intenser kan het niet. Je kan het eigenlijk niet goed vertalen. De dominee zei altijd, conform de vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap van 1951: "De HERE doe zijn aangezicht over u lichten". In de recente nieuwe bijbelvertaling staat: "moge de HEER het licht van zijn gelaat over u doen schijnen". Dat vind ik toch minder. "De Eeuwige zal u Zijn stralend gelaat toewenden" uit de in liberaaljoodse kring gebruikte vertaling van Jitschak Dasberg haalt het ook niet echt.  
Laat de echte dichter-vertaler opstaan!  

De bijbehorende haftara uit Richteren 13:2-25 gaat over de geboorte van de Nazireeër Shimshon.

Geraadpleegd:
het commentaar van Nechama Leibowitz op de parashat Naso, Studies in Bemidbar/Numeri, WZO.

Rob Cassuto juni 10 '05 / herzien mei 2013

Parashat Naso 2 Bemidbar/Numeri 4:21–7:89
De nazireeër en het ascetisme

De eerste drie parshiot in Bemidbar behandelen alle toebereidselen die moeten gebeuren om de grote trek door de woestijn naar de grenzen van het beloofde land te beginnen. Al twee jaar bivakkeren de stammen van Issrael in de nabijheid van de berg Sinaj. De parasha Naso is de tweede parasha van het het bijbelboek Bemidbar ‘in de woestijn'.
Het boek Bemidbar is begonnen met het gelijknamige hoofdstuk, parasha Bemidbar, waarin als eerste maatregel het leger werd georganiseerd, waartoe alle mannen boven de twintig per hoofd werden geteld, een gigantisch operatie. Legering en marsorde werden vastgesteld. De bediening van de Mishkan moest geregeld worden en werd toebedeeld aan de Levieten, die geen legerdienst hoeven te doen; zij zijn aan de Eeuwige gewijd en moeten de eredienst gaan verzorgen, de Mishkan bewaken, voor haar heilige voorwerpen zorg dragen en haar bij vertrek met het grootste respect uit elkaar nemen en bij aankomst weer opzetten. De taken worden over de drie familiehuizen van de stam Levi verdeeld.
De parasha Naso vervolgt de uitgebreide beschrijving van de taken van de drie huizen van de Levieten, die wordt afgesloten door de woorden waarmee Aharon en zijn zonen Israel moeten zegenen, de beroemde prieserzegen (6;24-26). Nu is alles klaar om de Mishkan in te wijden, zodat daarna het sein tot opbreken kan worden gegeven. Die inwijding zal gepaard gaan met een reeks offergaven (vooral dieren) en inwijdingsgeschenken, die de tent der samenkomsten zullen voorzien van het nodige gerei. Vele lange bladzijden zijn aan de beschrijving van de bonte stoet aan offerdieren en blinkende zilveren en gouden voorwerpen die iedere stam heeft gebracht. Het vertrek is nabij.
In de parasha Beha'alotecha zal de wolk van de Eeuwige zich verheffen van de tabernakel en zullen de zilveren trompetten schallen als signaal voor het vertrek.

Tussen al die regelingen en feestelijkheden rond de Mishkan staan in de parasha Naso nog een aantal opmerkelijke aparte bepalingen, misschien juist hier ingesteld om net voor het vertrek het corps aan voorschriften nog af te ronden.
Een van die voorschriften is het ‘middeleeuwse' ritueel ingeval de jaloerse man zijn vrouw van overspel verdenkt. Dat laat ik even terzijde.
Een ander betreft de voorschriften over de nazireeër (nazir), waarover wat meer.

De nazireeër doet de gelofte geen alcohol of welk druivenproduct ook tot zich te nemen; ook zal hij zijn hoofdhaar niet afscheren en niet in de nabijheid van een dode komen. Ze wijden zich (hun leven of een deel ervan) aan God. Gaat het om een zuivere behoefte om een tijd ‘heilig' te leven? Gaat het misschien om een heel privaat schuldgevoel omtrent een of ander of dient het om een goed resultaat of de realisatie van een lang gekoesterde wens (bijv. een kind) af te dwingen of een gevreesd gebeuren te voorkomen? Of misschien om de drankzucht een halt toe te roepen, een heilige ontwenningskuur?

Dat er mogelijk toch wel een begane misstap achter de gelofte van nazireeërschap kan schuilen zou afgeleid kunnen worden uit het feit dat er sprake is van zondeoffers (6:11 en 6:14) bij herinwijding na onderbreking van de gelofte en bij de beëindiging van de nazir-tijd.
De rabbijnen hebben door de eeuwen heen het ‘neziroet' ambivalent beoordeeld.
Deels schuilt er blijkbaar vanwege dat zondeoffer een zondaarschap achter de nazireeër. Anderszijds oogst de motivatie om een zuiver en heilig leven te leiden waardering (zoals bij Nachmanides). De adder in het gras is het gevaar dat de naar verzoening of verheffing strevende observant de ontkenning van de fysieke verlangens doortrekt naar een extreem ascetisme. Het christendom heeft dit kenmerk van de nazir om aardse genoegens af te zweren overgenomen en daar is die neiging flink uitgeleefd. Typisch is dat ‘nazir' in het modern Hebreeuws de term voor monnik is geworden.
Al in de Talmoed wordt de reserve ten opzichte van het neziroet geuit, o.a. op basis van Bemidbar 6:11. Maimonides die extremen in het menselijk gedrag afwijst vermeldt dat in zijn inleiding in de Pirké Avot (Shewa Perakim); in Bemidbar 6:11 staat onder andere een zondeoffer voorgeschreven, omdat hij “ in overtreding kwam door een lijk” ; in het Hebreeuws staat: me'asher chata al-hanefesh, wat ook vertaald kan worden als “omdat hij zonde bedreef tegen zijn ziel”. Wat is die zonde dan? Wel juist die onthouding van de wijn! Als iemand die zich het genot van de wijn ontzegt al een zondaar wordt genoemd, hoeveel te meer dan niet iemand die zich nog veel meer genoegens van het leven ontzegt, zo verklaart ook Maimonides, die ten behoeve van zowel een lichamelijk als spiritueel gezond leven met klem het juiste midden verkondigt.

Het nazireeërschap is een enkele uitzondering daargelaten uitgestorven. De mainstream opvattingen in het Jodendom keren zich tegen ascetische neigingen, die ontkenning van het lichaam en zijn behoeften en genietingen nodig achten voor spirituele verheffing.


Parashat Bemidbar
  Bemidbar/Numeri 1:1-4:20  

Een vooraanstaand man

Het bijbelboek Bemidbar ‘in de woestijn' - in de latijnse benaming Numeri - begint met het gelijknamige hoofdstuk, parasja Bemidbar. Die latijnse benaming Numeri, wat betekent getallen, wordt meteen duidelijk: het boek begint met het gebod aan Mosjé een volkstelling uit te voeren.  
Hoe die volkstelling moet plaats vinden wordt uitgebreid beschreven. Ieder stamhoofd of vorst, bij name genoemd, moet de leden van zijn stam tellen. In de verzen van hoofdstuk 1 vier tot 7 wordt verordend: ‘En dit zijn de namen der mannen die u ter zijde zullen staan: van de stam van Reöeven Elisoer (…)  van de stam van Jehoeda Nachsjon, de zoon van Aminadav.

Nachsjon ben Aminadav


We zijn de naam Nachsjon al eerder tegengekomen. Hij is de zuster van Elisjeva, de vrouw van Aharon, broer van Mosjee (Shem/Ex 6:27). Laten we deze figuur Nachsjon eens wat vanuit de schaduw in het licht stellen.
De grote volkstelling, die in deze parasja wordt opgedragen aan Mosjee is een grote ordening van de volksmassa in geregistreerde groepen en tegelijk een inventarisatie van het militaire potentieel aan weerbare mannen. Nachsjon, de zoon van Aminadav, is het hoofd, prins (‘ rosj ') van de stam van Jehoeda. Hij moet de telling in zijn stam leiden. Later zal hij de eerste zijn die zijn offers voor de inwijding van de tabernakel zal aanbieden (Bem/Num 7:17). Als de stammen na een jaar gaan vertrekken vanaf de Sinaj zal hij als hoofd van de stam Jehoeda als eerste het kamp opbreken (Bem/Num 10:14) en de grote stoet van voorttrekkers aanvoeren.
Er kleeft aan de man iets van een scenario van de eerste zijn.
De Oude Wijzen signaleren, dat Nachsjon, toen hij als eerste zijn offeranden ter inwijding van de tabernakel aanbood, er zes zaken waren die toen voor het eerst plaatsvonden. (1)
1) Het was de eerste dag, dat de priesters als zodanig dienst deden. 2). Nachsjon was de eerste die in de functie van stamhoofd optrad. 3) Hij was van alle Israelieten de eerste die zijn offers naast de tabernakel bracht. 4) Het was de eerste dag van de (toenmalig) eerste maand (Niesan) van de Joodse kalender. 5) Het was precies een jaar na de uittocht uit Egypte. 6) Voortaan was het verboden een offer aan de Eeuwige te brengen op een andere plaats dan naast de tabernakel.
Te verklaren, waarom aan hem zoveel primeurs toekomen, daarvoor is meer speurwerk nodig.
Om meer te weten te komen gaan we terug naar de spannende momenten, dat het gehaast uit Egypte wegtrekkend volk van Israel gevangen staat tussen het aankomende leger van de farao en de zee, between the devil and the deep blue sea. We volgen bijna letterlijk de weergave van het gebeuren in de midrasj (2):
‘De stammen maakten ruzie met elkaar over wie het eerst in de Rietzee zou stappen. Nachsjon maakt er eind aan en stapte resoluut het water in. Zoals de profeer Hosjea (12:1) zegt: ‘'Efraïm (is Israel) heeft mij omsingeld met leugens, het volk van Israël heeft mij ingesloten met bedrog. Maar Jehoeda heeft nog een band met God en blijft de Heilige nog trouw''. De geschriften citeren hem als het ware in de uitroep van Psalm 69:2 ‘'Red mij, God, het water staat aan mijn lippen, ik zink weg in bodemloos slijk en vind geen grond voor mijn voeten, ik ben in diep water geraakt, de stroom sleurt mij mee''. Op het moment, dat Nachsjon al in het water was gestapt was Mosjee nog verwikkeld in een lang gebed, waarop Kodesjborchoe tot hem zei: ‘'mijn geliefden zijn in de zee en jij staat hier nog voor mij!'' Mosjee zei:''Meester van het universum, wat moet ik doen?'' Hij zei tot hem: ‘'Spreek tot de Israëlieten, dat zij voorwaarts gaan en hef je staf en strek uit je hand over de zee en verdeel haar, etc.'' Terwijl Mosjee nog om goddelijke interventie bad wachtte Nachsjon niet op het wonder, maar anticipeerde het in rotsvast vertrouwen. Daarom werd Jehoeda beloond, zodat hij de heerser werd over Israel, zoals de psalm (ps. 114:2) luidt: ‘'Toen Israël wegtrok uit Egypte, het volk van Jaäkov dat vreemdtalige land verliet,  werd Jehoeda zijn heiligdom,Israël zijn koninkrijk. De zee zag en vluchtte.”'
We zien hier al een voortzetting van de uitspraak van Jaäkov op zijn sterfbed over Jehoeda als leider van het volk. (Beresjiet/Genesis 49:8). In het boek Bemidbar is Nachsjon als vertegenwoorfiger en leider van de stam van Jehoeda steeds letterlijk een ‘vooraanstaand man'. Via Nachsjon loopt de rode draad verder over zijn nakomelingen naar koning David.

noten
(1) Daät Zekeniem (een verzameling rabbijnse uitspraken uit de dertiende eeuw) op Bemidbar/Numeri 7:17:4
(2) Talmoed Sota 37a

Sjawoeot


Zondag is het Sjawoeot, het Wekenfeest. We staan weer aan de voet van de Sinaj berg en luisteren naar de Tien Uitspraken. Sjema! Luister!
Wat is dat luisteren? Het heeft te maken met een zo'n plek van ruimte en stilte. De natuur om ons heen kan ons helpen, maar uiteindelijk is het een plek in onszelf, in ons binnenste, een plek buiten al onze oordelen, vooroordelen, buiten angsten voor straf en veroordeling en hoop op beloning; Een innerlijke plek, waar we luisteren.
Ik geloof dat je niet goed kan luisteren als je gemotiveerd bent door hoop op beloning of angst voor straf of door allerlei andere motieven van vermeend eigenbelang.
Echt luisteren kan toch alleen als we zijn op een innerlijke plek, waarin we vrij zijn en in onze kracht, nieuwsgierig en levend . Als we daar zijn – of het nu lernend is, in het bos, in meditatie, tijdens het bidden, of voor mijn part midden in wetenschappelijk onderzoek, of in een goed gesprek - op die plek kunnen we luisterend contact krijgen met wat werkelijk essentieel is in onszelf, kunnen we vanuit die essentie misschien verbinding krijgen met de essentie van alle essentie, kan een opening zich voordoen en ik denk aan het woord van onze rabbi van Kotsk, God woont waar men hem binnenlaat.
Chag Sjawoeot sameach!


Parashat Bemidbar Bemidbar/Numeri 1:1-4:20

Oudste zonen

korte inhoud

Met het boek Bemidbar is een nieuwe fase in het verhaal van de Israelieten aangebroken.
Het boek Shemot /Exodus behandelde de bevrijding uit de slavernij en de uittocht uit Egypte naar de berg Sinaj, waar onder de spirituele leiding van Moshé de Israëlieten hun belangrijkste voorschriften deelachtig werden en waar de volkswording een feit werd, dit alles bekroond met een prachtige uitgebreid beschreven tabernakel. In het boek Wajikra /Leviticus wordt uitgebreid beschreven hoe in de tabernakel ritueel te werk te gaan en hoe in familie en met de naaste goed om te gaan. Twee jaar zijn bij de heilige berg verstreken en het is tijd om alles klaar te maken om verder te gaan op de tocht naar het beloofde land. Het bijbelboek Bemidbar /Numeri beschrijft die tocht, die veertig jaren zal beslaan. Het boek begint met voor te schrijven wat er allemaal moet gebeuren om ordelijk en goed toegerust op te breken. Daarbij is het onontbeerlijk om een goede verdedigingsmacht te organiseren. Daarom begint het bijbelboek Bemidbar in de gelijknamige eerste parasha met het gebod aan Mosjé een volkstelling uit te voeren, althans een telling van de mannen boven de twintig, die in aanmerking komen als soldaat. (1)

De levieten

Niet geteld worden de Levitische mannen, zij zijn uitgezonderd van legerdienst: de Levieten zijn voortaan belast met onderhoud en vervoer van de tabernakel en de verrichting van de eredienst. Uitvoerig worden de taken van de verschillende levietengroepen beschreven. In de volgende parasha, Naso, gaat dat door.
De Levieten hebben een bijzondere positie. Die komt voort uit het feit dat zij worden bestempeld als lossing van de oudste zonen van het hele volk, de oudste zonen, die immers gespaard bleven voor het zwaard van de doodsengel tijdens de tiende plaag, toen in de Pesachnacht alle oudste zonen van de Egyptenaren en de eerstgeborenen onder het vee omkwamen: Bemidbar 3:11: De Eeuwige zei tegen Moshé: ‘Ik maak de Levieten tot mijn eigendom. Zij zullen mij toebehoren in plaats van alle eerstgeboren Israëlieten, allen die als eerste de moederschoot verlaten. Elke eerstgeborene komt mij immers toe: op de dag dat ik de eerstgeborenen in Egypte doodde, heb ik alle eerstgeborenen van Israël, zowel van de mensen als van de dieren, voor mijzelf bestemd. Mij behoren ze toe. '  De levieten betalen met hun lijf en leven als het ware de losprijs voor de wonderlijke uitredding van de eerstgeborenen en nemen hun taak – dwz de priesterlijke diensten, die op de schouders van de oudste zonen zouden rusten - van hen over. Iedere Leviet staat borg voor een eerstgeborene. Vandaar dat hun telling een aparte is: de mannelijke Levieten worden geteld vanaf babies van één maand (die dus levenskrachtig zijn gebleken). Daarnaast worden ook alle mannelijke eerstgeborenen van de overige Israëlieten geteld en de aantallen worden vergeleken, er blijken 22000 Levieten te zijn tegen 22273 overige eerstgeboren Israëlieten. Voor de overschietende 273 moet er 5 shekel per hoofd een losprijs worden betaald aan Aharon en de zijnen. Nog steeds wordt in de orthodoxe rite de oudste zoon ritueel losgekocht voor 5 shekel in een ritueel, dat pidjon ha-ben wordt genoemd.

Oudste zonen


Wat mij al lange tijd heeft geïntrigeerd is de rol van de oudste zoon in Tora en Tanach. Ik kies even een aparte optiek om dit onderwerp uit te diepen. Het is mijn overtuiging, dat onder de verhalen van de Tora - en van vele verhalen uit de mythologie van de Grieken en andere volken – een archaIsche laag zit die verband houdt met de menselijke – fysieke en spirituele – evolutie. Het gaat om een soort primordiale dispositionele aanleg, die is verankerd in het grensgebied tussen lichaam en psyche.
Bij dieren, m.n. bij de primaten is deze aanleg in gedrag al waarneembaar. Sporen van herinnering aan ooit gangbaar gedrag en magische denk- en belevingsvormen uit primordiale tijden zijn als onderlaag te bespeuren in vele oude en uiteenlopende narratieven, o.a. in de joodse verhalen en instituties van de Tora. Die antropologische visie uit zich bij mij in soms in de literatuur ondersteunde speculaties. Het is als het ware een aparte taal. Deze redeneringen staan los van en doen niets af aan de zeggingskracht en ethische waarden van de Tora en de gangbare hermeneutiek en midrash.

Gaat u een eindje mee op een pad van freudiaans gekleurde antropologische speculatie.
Aan de ene kant is de oudste zoon in de oude patriarchale samenleving de erfgenaam van zijn vader en voortdrager van de eer van de familieclan, voorman in religieuze plichten. Aan de andere kant kan de vader hem als een bedreiging ervaren voor zijn macht als patriarch van de clan. De oudste zoon scheelt het minst in leeftijd en als jonge man kan zijn ambitie zich al vurig ontwikkelen in de richting van de macht van zijn vader en diens beschikking over de vrouwen. Daar komt opdoemen het beeld, dat Freud in zijn boek ‘Totem en Taboe' introduceert: de oerhorde waarin de machtige vader over de zonen heerst en hen uitsluit van de vrouwen. De broeders zweren in dit archetypisch beeld samen onder leiding van de oudste zoon om de vader te vermoorden, wat zij wellicht ooit gedaan hebben. Maar later besluiten zij uit angst voor zijn macht (om hen te castreren) om dat plan op te geven. De wrok en de schuld om hun euvele plan duiken onder, maar blijven daar wel smeulen. Dit beeld, dat Freud als hypothese opdiste, is wetenschappelijk niet houdbaar, maar blijft voor mij wel een mythisch metafoor, dat volgens mijn intuïtie ergens in onze collectieve ziel nog naresoneert. In veel verhalen dynamiseert het beeld onderhuids de vertelling, ook in de Tora. Het beeld van de patriarchale vader, die zich door zijn zoon bedreigd voelt en de wens koestert hem – soms een baby nog - uit de weg te ruimen (en vaak dit ook tracht uit te voeren, meestal echter zonder succes), zou je als een soort pendant van het Oedipuscomplex kunnen betitelen, het Laioscomplex naar de naam van de biologische vader van Oedipous, Laios. We zien het thema herhaaldelijk terug in verschillende gedaanten. (2)
Het begint al in Genesis; God, schepper en ‘vader' van de mens, is bevreesd is dat zijn creatie even machtig als hijzelf zal worden, wat zal gebeuren als deze met de pas verworven kennis ook de vruchten van de levensboom gaat plukken en het eeuwig leven zal verkrijgen (Bereshiet/Genesis 3:22). Mede daarom kan de mens niet in het paradijs blijven en zal hij zijn moeizame gang door de ondermaanse materiële wereld moet maken.
De eerste oudste zoon, Kajien, wordt van huis en haard verbannen en trekt nog verder met zijn Kajins-teken op het hoofd, ‘dood mij niet'.
In een bekende legende over Avraham ziet Nimrod de koning van Babylon in de hemel de voortekenen van de geboorte van Awraham en hij gebied hij de vroedvrouwen iedere pasgeboren zoon te doden. Dat lukt niet want Awrahams moeder bracht haar kind in het geheim ter wereld, in een grot, waar hij wonderlijk snel opgroeide. Het verhaal spiegelt zich waarschijnlijk niet toevallig in de legende over koning Herodes en zijn bevel om alle kinderen van Betlehem te doden om de gevreesde voorspelling rondom het kind Jezus de pas af te snijden.
Misschien ligt onder Avrahams offer van Jitschak ook onder meer dit thema verborgen. Het is een belangwekkende vraag of het aan Avraham gevraagde offer van Jitschak niet de sporen draagt van een ooit gebruikelijke offering van de oudste zoon als een ‘preventief' ritueel ter voorkoming van de vadermoord. Het lemmet flitste boven de jongeman Jitschak maar Avraham in een divine ingeving doorzag de primitieve en perverse magie van dit gebruik.
Re'oeven, de oudste zoon van Ja'akov, heeft zelfs het Freudiaans beeld van de zoon die met de vrouw van zijn vader slaapt werkelijk uitgevoerd. Ja'akov is op zijn sterfbed nog woedend - Hij heeft mijn bed beslapen! – en voorspelt hem zijn degradatie (Shemot/Exodus 49: 3 ).
Het verhaal van de Egyptische farao, die zich door het ooit gastvrij binnengehaalde Israelitische volk levensgevaarlijk bedreigd voelde en daarom opdracht gaf de mannelijke baby's van de Israelieten ter dood te brengen, draagt de sporen van dit thema, inclusief de wonderlijke uitredding van de'zoon', belichaamd door Moshé en zijn rieten mandje . (3)
De tiende plaag, de dood van alle eerstgeborenen van de Egyptenaren, ook de oudste zoon van de farao, lijkt bezwangerd met de doem, die steeds boven de oudste zoon hangt als een zwaard van Damocles. In antropologisch freudiaanse redenering is de geboorte van de oudste zoon is voor de vader (en natuurlijk ook voor de moeder) een zegen en tegelijk een potentiële bedreiging. De dankbaarheid voor zijn aankomst in het leven gaat gepaard met een in de allermeeste gevallen diep onder de oppervlakte in archaïsche lagen plaats vindende opwelling de oudste zoon te doden. Daarom moet de gunst om te leven hem expliciet worden verleend en die ooit geëiste dood worden afgekocht met offers. Avraham doet dat met een ram. In Shemot/Exodus en Bemidbar/Numeri zijn de oudste zonen voor het offer door de almachtige vader (de doodsengel van de Eeuwige) gespaard.
Maar dat is niet allemaal gratis. Daarom zijn deze zonen gewijd aan de Eeuwige met de daarbij behorende godsdienstige taken en plichten. Maar waarom worden die taken en plichten in deze parasha allemaal overgeheveld naar de mannen van de stam Levi? Omdat de eerstgeborenen van het hele volk gezondigd hebben door mee te doen aan de aanbidding van het gouden stierkalf, terwijl de Levieten trouw bleven aan de zijde van Moshé, zo zegt de midrash bij monde van Rashi.

Het spanningsveld van Vaders en (oudste) zonen weerspiegelt zich iedere keer weer in de strijd tussen de oude en de jonge generatie. Aan de ene kant verwelkomen de senioren van de samenleving als goede vaders de jongere generatie die hen gaan aflossen op de posities van macht en cultuur. Maar altijd zijn er veel minder goedbedoelende vaders, koppige en kwade senioren, die de nieuwe generatie als bedreiging zien en koppig hun plaats vaak met psychisch en fysiek geweld verdedigen tegen de opkomende ambitieuze nieuwelingen. Niet zelden heeft dat in de geschiedenis bloedige fasen te zien gegeven. Toch is het steeds weer een wonder hoe de cultuur en structuur van de samenleving met veel barensweeën van de oude generatie overgaat op de jongere.

noten
(1) In een ander commentaar ga ik in op de volkstelling
(2) Freud heeft laat in zijn leven ook zijn theorieën losgelaten op het leven van Moshé, wat een speculatief, controversieel, maar wel interessant boekje opleverde, De man Mozes en de monothei¨stische religie (Boom). Een uittreksel is op mijn website te lezen, zie bv deze pagina
(3) Vergelijkbaar met de verhalen van Lajos-Oedipous en (in Herodotus) de Medenkoning Astyages en zijn kleinzoon Cyrus. Zie ook het nog altijd voor de geïnteresseerde leesbaar boek van Otto Rank, The Myth of the Birth of the Hero ,(Vintage Books, New Tork), waarin ook ingegaan wordt op de geboorte van Moshé en Jezus.


RC mei 2015

parashat Bemidbar Bemidbar/Numeri 1:1-4:20

De volkstelling

Het bijbelboek Bemidbar ‘in de woestijn' - in de latijnse benaming Numeri - begint met het gelijknamige hoofdstuk, parasja Bemidbar. Die latijnse benaming Numeri, wat betekent getallen, wordt meteen duidelijk: het boek begint met het gebod aan Mosjé een volkstelling uit te voeren.

Hoe die volkstelling moet plaats vinden wordt uitgebreid beschreven. Ieder stamhoofd of vorst, bij name genoemd, moet de leden van zijn stam tellen, hij geeft dan door aan Mosjé hoeveel mannen van boven de twintig er in zijn stam zijn. In totaal zijn er meer dan zeshonderdduizend volwassen mannen.

 

Vervolgens worden de legergroepen bestaande uit verschillende stammen behandeld en hoe zij om de tent der samenkomsten zullen zijn gelegerd. Voor het eerst wordt de stam van Levi genoemd als uitgezonderd van legerdienst: de Levieten zijn voortaan belast met onderhoud en vervoer van de tabernakel en de eredienst. Uitvoerig worden de taken van de verschillende levietengroepen beschreven. In de volgende parasja, Naso, gaat dat door.  

Het is nog relatief in het begin van de grote woestijntocht, de tweede maand Iyar van het tweede jaar na de uittocht uit Egypte. Totaal zijn er dan 603.550 mannen. Veel later, jaren later, wordt in Bemidbar nog een keer een volkstelling vermeld, in de parasja Pinchas, dan zijn het er 601.730. De beschreven ontberingen hebben blijkbaar hun tol geëist.

Het is duidelijk dat er sprake is van een grote logistieke operatie. Er is nog geen veertigjarige opschorting van de intocht in het beloofde land aan de orde en de militaire noodzaak doet zich voelen om de beschikbare soldaten te inventariseren en het legerkamp te organiseren voor de aanstaande eerste veroveringen.

Waarom is deze volkstelling zo uitgebreid beschreven en opgenomen in het verhaal van de Tora?  
Met een beetje voorstellingsvermogen kom je al snel tot een historisch-psychologische reden: de telling moet een ingrijpende gebeurtenis zijn geweest, die een onuitwisbare indruk moet hebben gemaakt. Het moet een onvergetelijk ritueel zijn geweest, dat een mijlpaal markeerde in het proces van volkwording, in het door Mosjé bekwaam gestuurde proces van omvorming van een semi-anarchistische volkszwerm tot een georganiseerde en gestructureerde gemeenschap.

Stel je voor: die enorme massa mensen, stamsgewijs opgesteld in een indrukwekkende slagorde, en de vorsten die bezig waren met het tellingsritueel, misschien door middel van inzameling van fiches of munten of gebruikmakend van al bestaande lijsten. En de vorsten die dan daarna centraal bijeenkwamen rond Mosjé en Aharon. Misschien werden de namen, of in ieder geval de resultaten van de telling, plechtig genoteerd op papyrusrollen of kleitabletten en werden die dan door de Levieten bewaard en meegevoerd en doorgegeven van generatie op generatie als kostbare getuigenissen.  

ieder geeft zijn unieke bijdrage

Maar in de Tora is een historische en psychologische reden nooit voldoende verklaring.  
De telling en het uitgebreide verslag ervan heeft een diepere bedoeling.

Bijna alle commentatoren zoeken die vooral in de nadruk, die het verslag van de telling wil vestigen op het wonder van het bestaan van Israël, gegroeid van ooit 70 immigranten in Egypte tot dit omvangrijke volk.  
Tegelijk wordt niet voorbijgegaan aan de individualiteit van ieder en ieders unieke en onmisbare bijdrage; dit ligt besloten in de formulering "naar het aantal ingeschreven namen, alle mannen, hoofd voor hoofd" (Bemidbar 1, 2).  
Dit wordt nog verder uitgewerkt, "je kan zelfs zeggen: opgeheven", door de Isbitzer Rebbe in zijn Tora commentaar "Living waters” ( The Mei ha-sjiloach ) dat ik af en toe ter hand waag te nemen: deze neemt de vertaling " se'oe et rosj kol edat benee Jisraël " (meestal vertaald in de trant van "verricht een telling onder het volk Israël”) letterlijk als: "richt óp het hoofd van de gemeenschap van de kinderen Israëls" en hij zegt dan:

"Dit is de betekenis van ‘het aantal van de kinderen Israëls': dat ieder absoluut nodig is.   De grootheid van de Ene, gezegend zij Hij, wordt gezien in de hele gemeenschap van Israël en als er ook maar één lid van die gemeenschap mist dan mankeert er iets aan de samengesteldheid. Het is alsof het beeld van de koning is samengesteld uit een mozaiek van vele deeltjes en als er ook maar één deeltje zou ontbreken, dan klopt het beeld van de koning niet. Op het moment dat elk lid van Israël wordt geteld, dan is de Ene in al zijn grootheid in hem, want iedere persoon van Israël is een deel van de Ene, Hij zij gezegend. Dit is zoals geschreven staat ‘want het deel van de Ene is zijn volk' (Dewariem 32, 9). Ieder individu bezit een van de attributen van de Ene, gezegend zij Hij, en op het moment dat hij wordt geteld is de Ene, Hij zij gezegend, zelf aanwezig in dat attribuut dat hij bezit en duidelijk is wat dan wordt geteld in de allerhoogste staat. Op deze wijze heeft ieder lid van Israël een bijzondere staat van verheven zijn." (Living Waters, The Mei HaShiloach, a Commentary on the Torah by Rabbi Menachem Yosef of Isbitza)

Zo wordt het tellen tot een totale erkenning van ieder mens en van zijn onmisbaarheid, en tot een opwekking om naar zijn beste mogelijkheden bij te dragen aan het geheel. Iedereen telt mee.  

Even terug naar de geschiedenis: de telling staat ook voor organisatie. De bende wordt een gemeenschap. Je buigen voor de grotere organisatie, die zich om je heen sluit. Voor de semi-anarchistische woestijn-nomaden zal dat niet zo gemakkelijk zijn geweest. Misschien zijn tijdens die Mozaïsche telling ook al tegenkrachten gewekt, die tot uiting kwamen in de latere opstand van Korach en de zijnen tegen de autoriteit van Mosjé en zijn verordeningen.

Kent u ook iets van die rebelse kant: geteld worden is ook zichtbaar zijn, je privacy bloot geven, de druk van autoriteit voelen? Als achter die autoriteit niet een hoger geïnspireerd gezag en een ethische gronding herkenbaar is kan geteld worden ook betekenen: gemanipuleerd worden, overheerst worden, uitgebuit worden.
We kunnen niet zonder geteld te zijn door de Schepper, gezien te zijn door het oog van de medemens die naar Zijn beeld is geschapen. Maar we willen niet geteld zijn door de onderdrukker of de beul.

Parasjat Behar-Bechoekotai Wajikra/Leviticus 25:1-27:34
Een rouwperiode

In deze twee parasjot, in de meeste jaren samen gelezen, worden – heel kort samengevat - het sjabbat jaar en het Jowel jaar geïntroduceerd en verordend. Daarop volgen de zegen en de vloek: als de geboden worden nagekomen zal het het volk en zijn land goed gaan, maar als ze in de wind worden geslagen zullen de meest verschrikkelijke rampen plaatsvinden, van welke een flink aantal schrikwekkende voorbeelden beeldend worden geschilderd. Elders (1) ben ik daarop ingegaan.

Deze week wil ik terugblikken op een stukje rampgeschiedenis, dat in deze dagen wordt herdacht, ten minste in de meer orthodoxe kringen. De parasjot Behar en Bechoekotai worden gelezen middenin de periode van de zogenaamde Omertelling, die eigenlijk een tijd is van lichte rouw, alleen doorbroken door het zg Lag BaOmer feest op de 33 ste dag van de telling. Waarom die lichte rouw en waarom het feest?
Interessant om eens na te gaan.

Lag baOmer en Sjimon bar Jochai
 

Op Lag BaOmer, 18 Ijar (afgelopen zondag 14 mei), vond een positieve keer plaats in de Bar Kochwa opstand tegen de Romeinen (maar niet voor lange duur). Tegelijk is die datum de sterfdag van een van de grootste oude wijzen uit die eerste eeuwen van de gewone jaartelling Sjimon bar Jochaj.

Eigenlijk zijn de 49 dagen Omer-telling – oorspronkelijk een vreugdevolle periode op weg naar de graanoogst – een periode van lichte rouw geworden, die gedenkt, dat een vreselijke pestepidemie de 24 000 leerlingen van Rabbi Akiva wegvaagde in de tweede eeuw van de gewone jaartelling. De legende (in de Talmoed (2)) zegt, dat deze epidemie het gevolg was van hun gebrek aan respect voor en jaloersheid op elkaar. De leerlingen van Akiva, allen hoogbegaafd en fanatiek, verloren de grenzen van hun taak uit het oog, gingen vurig op in hun eigen brille en verdroegen de mening van hun collega's niet meer. Sommige oude wijzen hebben begrip voor de passie van de leerlingen, die alle grenzen uit het oog verloren in hun streven naar de opperste nabijheid bij God. Tegelijk destilleren uitleggers de les, dat fervente passie de kunst van de terughoudendheid broodnodig heeft.

Op historisch niveau bekeken lijkt me de veronderstelling niet ongerechtvaardigd, dat de dood van deze menigte studenten geplaatst moet worden in de oorlog tegen de Romeinen, die de Joden, geprest door de onbarmhartige verboden van keizer Hadrianus – o.a. om te besnijden - en zijn plan om een Romeinse tempel op de plaats van de in 70 verwoeste tempel te bouwen, in 132 waren begonnen onder militaire leiding van Sjimon bar Kochwa en onder spirituele leiding van Rabbi Akiva, die overtuigd was, dat Bar Kochwa de vurig verhoopte Masjieach was. Aanvankelijk boekten de opstandelingen successen. Aangenomen werd, dat het keerpunt in de opstand ten gunste van de Joden plaats vond op de achttiende van de maand Ijar, de dag die nu de rouwperiode even onderbreekt, de dag die we nu Lag baOmer noemen. Later zou men aannemen, dat op die datum het sterven van de Akiva-studenten gestopt zou zijn. Ruim twee jaar was er even weer een Joods Rijk, van 133 tot 135. Sjimon bar Kochwa werd door velen als Masjieach gezien en hij kreeg de titel ‘nassi', vorst. Maar de Romeinen rukten ten slotte met overmacht op en in de slag bij Betar, 135, werden de Joden verslagen. Rabbi Akiva werd gekruisigd.

De vele leerlingen van Rabbi Akiva, zouden die niet als toegewijde soldaten zich bij het leger van Sjimon bar Kochwa hebben aangesloten en zouden ze niet met passie hebben gestreden voor hun leraar en de Masjieach en tegen de Romeinen? Waarschijnlijk zijn ze dan als krijgers op het slagveld gesneuveld of door de Romeinen na de capitulatie geëxecuteerd, net zoals hun leraar. In de Talmoed is dan dit gebeuren, zou men kunnen zeggen, getransformeerd tot een verhaal in religieuze en morele sfeer. Dat de Omer-periode een rouwperiode is geworden is vermoedelijk door de Middeleeuwse rabbijnen bevorderd (3).

In ieder geval is één leerling van Rabbi Akiva aan de dood ontsnapt door zich voor de Romeinen verborgen te houden: Sjimon bar Jochaj. Rabbi Sjimon bar Jochaj was een van de belangrijkste leerlingen van de wijze Rabbi Akiva, die een van de grondleggers was van de Misjna. Sjimon bar Jochai bleef ook na de opstand onverzoenlijk en was wars van ieder compromis met de weer toenadering zoekende Romeinse autoriteiten. Bang voor verraad vluchtte hij met zijn zoon Elazar en zocht toevlucht in een grot, 13 jaar lang.  
De legende (4) verhaalt dat zij dronken uit een riviertje dat plotseling vlakbij ontsprong, aten van een carobeboom die vlakbij ontsproot en dat zij in de grot alleen kleding droegen bij het bidden en zich tussendoor met zand bedekten om hun kleding te sparen. Dertien jaren verdiepten zij zich in de geheimen van de Tora. Hier werden de kiemen gelegd voor de esoterische wijsheid van de ‘Zohar', die later in de dertiende eeuw werden opgeschreven door R. Moses de Léon. Na twaalf jaar stierf keizer Hadrianus en werd er een amnestie afgekondigd. Rabbi Sjimon en zijn zoon verlieten de grot. De eerste man die zij zagen was een boer die zijn koren maaide. Rabbi Sjimon kon na twaalf jaren diepgaande verzinking in de Tora niet begrijpen dat iemand zich met dergelijke wereldse zaken bezig hield. Zijn borende ogen verzengde de eenvoudige boer die in een hoop as en beenderen veranderde. De vertoornde stem van de Eeuwige, hij zij geprezen, riep: “Wil jij mijn wereld vernietigen? Ga terug naar je grot!”.   Weer een jaar van intense verdieping volgde. Nu konden zij zich wel verzoenen met de wereldse gang van zaken en het alledaagse gedoe van hun medemensen. Voor Tikoen Olam moet je echt de wereld in is de moraal.
Met grote blijdschap werden Rabbi Sjimon en zijn zoon verwelkomd. Vele wonderen zijn aan hem toegeschreven en vele anekdotes over wijze uitspraken zijn overgeleverd.   Verhaald wordt dat hij zo intensief Tora studeerde dat hij het bidden mocht overslaan.  
Op 18 Ijar stierf Sjimon bar Jochaj, op de 33ste dag van de Omer telling, dus Lag baOmer gedenkt ook vooral dat; de Hebreeuwse letters l en g vormen samen het getal 33. Omdat de Joodse wijze bepaald had, dat die gedenkdag een feestdag moest zijn, is er op die dag een onderbreking van de rouwperiode met allerlei vieringen. Gedurende de laatste eeuwen is de gewoonte ontstaan om de sterfdag van Rabbi Sjimon te gedenken door zijn graf te bezoeken. Vele duizenden met name chassidische joden bezoeken op deze dag zijn tombe op Mount Meron in het noorden van Israël, bij Tsfat. Grote vreugdevuren worden ontstoken, en driejarige jongetjes worden voor het eerst van hun leven geknipt, de zg ‘opsheren' ceremonie. In de Omer periode worden geen huwelijken gesloten behalve op deze dag.  
In de kabbala wordt aan deze dag een grote lichtkracht toegeschreven.

Noten

(1) Bijv. in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 2 , Van de Berg naar de Rivier,  Leviticus, Numeri en Deuteronomiu, p. 80 ev  
(2) Talmoed Jevamot 62b, waarin de ziekte overigens vertaald wordt als kroep (difterie). Het aantal van 24.000 doet denken aan Bamidbar/Numeri 25:9, waarin 24.000 slachtoffers worden vermeld van de epidemie, die de Israelieten trof n.a.v. de omgang met de meisjes van Moäv en Midjan. De Talmoed vermeldt overigens 12.000 en de legende geeft dit aantal later verdubbeld.
(3) Zie ook het verhaal op Aish.com
(4) Talmoed Sjabbat 33b -34a

parashat Bechoekotai Leviticus 26:3–27:34
Wie straft en beloont?

Aan het eind van het bijbelboek Leviticus (in het hebreeuws Wajikra), in deze parasja, staan na de woorden " als jullie (Israël) wandelen in mijn wetten en voorschriften en ze houden en ze doen " een reeks zegeningen en daarna een reeks rampen, die zich zullen voordoen, "als jullie niet naar mij luisteren en jullie al deze voorschriften niet doen” . Dergelijke passages met zegeningen en vervloekingen staan ook weer aan het eind van Deuteronomium (Dewariem)

Er wordt wel gezegd dat de passages in deze parasja Bechoekotai slaan op de periode dat Israël op het punt stond het beloofde land binnen te trekken en nog niet het veertigjarig uitstel over zichzelf had afgeroepen.
Opnieuw worden dan na veertig jaar omzwerving in de woestijn de zegeningen en rampspoedige voorspellingen hernomen; daarop slaan dan de analoge passages in Deuteronomium (in de parasja Ki Tavo)

Waarom zo kort over de zegeningen en zo lang en gedetailleerd over de rampen? Dat lijkt maar zo, zeggen de oude wijzen: de zegeningen worden meteen en in zijn geheel genoten en de rampen worden geleidelijk gedoseerd en dus ook beschreven, naarmate het volk koppig blijft in zijn weerspannigheid, ongehoorzaamheid en afkeer.

Ook wordt gewezen op verschil in formulering van de precondities voor zegen en ramp: Voor zegen is het rechtstreeks en eenvoudig: "als jullie (Israël) wandelen in mijn wetten en voorschriften en ze houden en ze doen ”.
De precondities voor de rampen worden steeds in alle toonaarden herhaald en gaan verder dan alleen het niet houden van de voorschriften: "als jullie mijn wetten versmaden en van mijn voorschriften een afkeer hebben etc.”
Aldus zeggen de Rabbijnse geleerden: goed beschouwd weegt de maat van goedheid van de Ene op tegen de maat van Zijn vergelding.

Een ander punt dat de oude commentatoren opviel was dat bij de zegeningen het alleen gaat om materiële zegeningen als regen op tijd, goede oogst etc. en niet om de beloning van spiritueel geluk of zelfs een "aandeel in de komende wereld'.
Nachmanides zegt ongeveer: het voortleven van de ziel en zijn vereniging met De Ene is de natuurlijke gang van zaken en behoeft geen aparte vermelding, de in het vooruitzicht gestelde materiële voorspoed en de voorspelde rampen zijn de eigenlijke wonderen van Gods ingrijpen. Geen slecht idee: om de voorspoed waarin je nu leeft te ervaren als een wonder.

Maimonides stelt, dat het houden van de Tora en zijn voorschriften voorspoed bewerkstelligt, maar dit is niet de eigenlijke beloning: de voorspoed, materieel, qua gezondheid, stelt de mens in staat in actie en Tora-studie kennis en wijsheid te verzamelen en vooral deze wijsheid garandeert hem een aandeel in de komende wereld, omgekeerd zijn de rampen geen uiteindelijke straf, maar de straf is het afsnijden van het voortleven van de ziel, omdat deze niet voldoende kennis en wijsheid in zich heeft kunnen verkrijgen. Dit lijkt een beetje elitair: wie geld, goed en gezondheid bezit heeft meteen een extra voordeel: hij of zij is in de gelegenheid - zij het met veel reflectie en studie - zijn ziel het eeuwige leven te bezorgen.

Wat vinden wij nu van dit straf- en beloningsysteem, eventueel dus in de verfijnde versie van Maimonides.

Goed beschouwd zit er een zekere logica in zit. Maar vooral op het niveau van een maatschappij of volksgemeenschap in zijn geheel. Als het volk, zeg het merendeel van een samenleving, Joden of niet-joden, goed zorgt voor het land, de ouders en de ouderen, de weduwen en de wezen, voor de dagloners (arbeiders), de vreemdelingen, rechtvaardigheid betracht tegenover armen, overtreders, de medemensen fatsoenlijk behandelt en zelfs van hen houdt, en zich niet overgeeft aan allerlei tovenarij, bijgeloof, onrecht, en verzoening zoekt bij overtreding et cetera, zal er een maatschappij zich vormen waarin vrede en voorspoed zich kan nestelen, waar welvaart kan groeien. Het geldt niet voor ieders individueel lot, het gaat om een overall tendens (de Tora richt zich meestal tot het geheel, niet tot de enkeling).

Omgekeerd zal een verwaarlozing en uitbuiting van land en medemens, onfatsoen, uitspattingen, twist, onverzoenlijkheid et cetera, op den duur opstand, op langere duur oorlog en rampen uitlokken.

Het verband is misschien niet zo lineair als de passages van deze parasja suggereren, maar de trend is duidelijk. De geschiedenis laat niet na de bewijzen te leveren, echt niet alleen voor het Joodse volk, voor alle volken die door de geschiedenis heen hebben bestaan en nog bestaan.
Al die gruwelen die in deze parasja met een bijna wellustige poëzie worden beschreven hebben plaatsgevonden en vinden op sommige plekken op deze wereld nog steeds plaats. De moderne tijd verschilt in dit opzicht niet van het verleden.

Het Joodse volk, het Am Jisraël, vormt echter wel het paradigma van deze geschiedkundige wetmatigheid, die door de Tora al zo lang geleden werd opgemerkt en uitgewerkt.
Voor alle maatschappijen geldt: onrechtvaardigheid, wreedheid, haat voor de naaste of de vreemdeling, uitbuiting van medemens en natuur en herhaalde waarschuwingen niet benutten voor ommekeer, veroorzaken op de lange duur twist, oorlog en rampen, ook op ecologisch niveau.

Gaat het dan om die 613 mitswot met al hun rituele kanten, als je die maar perfect houdt? De essentiële boodschappen die uit de oude geschriften opklinken -- neem alleen al de tien uitspraken en de voorschriften in Leviticus 19 = gaan over vrede, compassie en rechtvaardigheid en de mogelijkheid van ommekeer ( tesjoewa ).
In de Talmoed wordt gevraagd: waarom werd de Tweede Tempel verwoest, waar toch Tora werd geleerd, mitzwot werden gedaan en goede daden? Het antwoord: Omdat er binnen redeloze haat (" sinat chinam ') was (Yoma 9B).
(In een artikel in de Jerusalem Post van een paar jaar geleden verzucht een schrijver: " Stel dat het orthodoxe Jodendom zou doen wat het vroeger zelden gedaan heeft en in een revolutionaire ommekeer de morele voorschriften even hoog zou schatten als de rituele voorschriften.")

Is de Eeuwige nu de Persoonlijke uitdeler van ramp en voorspoed? Nee natuurlijk, Hij schept, werkt en vernietigt in en door de mens, zijn duurzame regels hebben de bemiddeling van de mens nodig in wier geest en hart ze doorwerken of juist niet doordringen, of zelfs afkeer wekken.
Buiten de mens om bestaan ze eigenlijk niet. De mens roept zijn eigen voorspoed en zijn eigen rampen over zich af. Een soort Joodse expressie van de wet van karma.

Dat laat onverlet, dat er een groot gebied van mysterie overblijft en een sfeer van oncontroleerbaar noodlot onze geest blijft bezighouden.
Zoveel rampen aan Joodse gemeenschappen door andere groepen toegebracht lijken zo door en door "onverdiend” in een theorie van beloning en straf, zelfs wanneer men die opvat in de wat ruimere en minder 'schuldbeladen' idee van karma, het schijnbaar complexe weefwerk van oorzaak en gevolg.

Zo letterlijk en lineair kan het allemaal niet bedoeld zijn.
Hebben de Israëlieten die rampen over zich zelf afgeroepen? Of zijn zij op zijn minst ook de speelbal, of meer nog het mikpunt, geweest van de goddeloosheid - letterlijk van God-losheid - van de grotere gemeenschap waarin zij een plek meenden te hebben gevonden?

RC 290505

parashat Bechoekotai (2) Leviticus 26:3–27:34
God en de rampen

De parashat Bechukotai is de laatste parasha van het boek Leviticus / Wajikra. Het is het forse slotakkoord van dit boek met zijn vele mitswot. In deze parasja, staan een reeks zegeningen "  als jullie (Israël) wandelen in mijn wetten en voorschriften en ze houden en ze doen  " en daarna een lange reeks indrukwekkend beschreven rampen, die zich zullen voordoen,  "als jullie niet naar mij luisteren en jullie al deze voorschriften niet doen”  . Dergelijke passages met zegeningen en vervloekingen waren een gebruikelijke afsluiting van contracten in die oude Middenoostetlijke tijden. Beschouwt men dit Bijbelboek Wajikra als (een belangrijk deel van) van het verbond van de Eeuwige met zijn volk, dan is deze afsluiting in lijn met destijds toegepaste contractuele gebruiken. Overtreding van overeengekomen verplichtingen werden gesanctioneerd met de meest vreselijke vervloekingen.

De plaatsing van deze passages in een historische en filologische context maken ze voor ons als moderne lezer nog niet meteen onschadelijk; ze blijven veronrusten.
Het valt op met welk een vaardige pen en met en haast literaire wellust deze in het vooruitzicht gestelde rampen zijn geschreven. De motivatie om de mensen af te schrikken van hun mogelijke dwaalwegen met vreselijke beelden heeft de redacteur van deze passages gebracht tot het uiterste van zijn litteraire kunnen. Hoever moet het gekomen, dat mensen het vlees van hun zonen eten en het vlees van hun dochters (35:29).
De passages lopen op in een crescendo waarin toenemende hardnekkige ongehoorzaamheid aan de geboden van de Eeuwige gepaard gaat met een toenemende parallelle ellende en niet de minste daarvan is de verdrijving van het joodse volk in vreemde landen en hun vernedering aldaar. Het verontrustende is mede, dat de beschreven afschuwelijkheden inderdaad hebben plaatsgevonden en nog steeds plaatsvinden. Niet alleen het Joodse volk heeft alle geschetste ellende meegemaakt, Ook andere volken, gemeenschappen, groeperingen zijn getroffen door rampen als in dit scenario beschreven. Zijn rampen inderdaad de straf voor menselijk gedrag?

Het paradigma van vloek en zegen, van beloning en straf, dat toch wel al te lineaire wereld- en godsbeeld is in deze moderne tijden in brede lagen bezweken; het heeft mij nooit aangesproken en het is ook niet de reguliere opvatting in het liberale Jodendom.
Hoe menselijk blijft het om God ten tonele te brengen of ter verantwoording te roepen als het lijden toeslaat, je persoonlijk treft of een heel volks(deel). We projecteren onze absolute onmacht in een God die bewust straffend of onnaspeurbaar willekeurig beschikkend op ons reageert of zelfs – misschien nog erger - onverschillig voor ons niet thuis geeft. Gister nog – als ik dit schrijf is het 5 mei – riep Rabbijn Vorst tijdens de herdenking van de Nijmeegse vermoorde Joden het nog uit: waar was God in Auschwitz!
(Vandaag 5 mei is het trouwens Jom haZikkaron, de gedenkdag voor de gesneuvelde soldaten van Israel)

Maar vele moderne denkers, theologen, filosofen en ook ik zijn aan de theodicee voorbij of misschien: toe aan een nieuwere, veel subtielere theodicee, de poging tot verklaring van Gods werking in de gang van de natuur en in de gang van de mensheid.
Een paar rudimentaire noties.
God als regisseur van goed en kwaad, als toedeler van het lijden, die God is dood. Maar er is een goddelijk spreken, dat niet rechtstreeks op mij ingrijpt, maar dat indirect plaats vindt. Dat spreken grijpt in via mijn medemens, die – hier volg ik Levinas, voor zover ik hem begrijp – als medemens een beroep op mijn goedheid belichaamt, een beroep op mijn mogelijkheid om het goede en het wijze in mijzelf tot uiting te brengen in dienstbaarheid naar hem of haar, naar die ander. Het beroep dat mijn medemens op mij doet spreekt tot mij als een inbreuk op mijn natuurlijke neiging om alles om mij heen uitsluitend te zien, te duiden en te organiseren in het licht van mijn eigen lust of belang. Die potentiële goedheid, die in de mens geraakt wordt door (het gelaat van zoals Levinas zegt) de ander is eerder de weg naar het goddelijke dan het omgekeerde: dat hij tot het goede komt, uitgaande van een God.*)
Ik zou zeggen, dat deze potentiele = Levinas zegt zelfs aangeboren – goedheid van de mens resoneert in de Tora, althans zeker in het ethische deel van de voorschriften, zoals die zijn neergelegd in bijv. hoofdstuk 19 van Wajikra, de zg heiligheidcodex; de voorschriften van hoofdstuk 19 leggen de bodem voor de principes van menselijke omgang en iets wat wij rechtvaardigheid en beschaving noemen. Die voorschriften na te komen behoort ook tot de opgave een heilig volk te zijn (zie mijn commentaren op de parashat Kedoshim). 

Hoe gaan we dan om met al die straffen die de Tora middels de daar tot Mozes sprekende God in het vooruitzicht stelt voor het geval van ongehoorzaamheid aan Zijn voorschriften?
Wel, die straffende God, daar geloven wij niet meer in, maar in deze parasha – die wel de Tochacha, de berisping wordt genoemd – klinkt wel een basale intuitie door, die zich niet tot het individu richt, maar tot het collectief, de gemeenschap. Wij kunnen hem lezen als een intuitie, die in de bijbelse taal gericht is aan het volk van Israel, maar die geldt voor ieder volk, het is een universele intuitie: de gemeenschap, die de regels van gerechtigheid aan zijn laars lapt, die de voorschriften om voor de armen, de weduwen en de wezen te zorgen verwaarloost, die de vreemde ander onderdrukt, nalaat de werkers hun loon te betalen, die zich bezondigt aan omkoping en corruptie, aan partijdigheid in de rechtspraak, aan haatzaaien, zo'n gemeenschap of maatschappij loopt het gevaar tot anarchie te raken, tot geweld en tot oorlog, die staat bloot aan rampzalige ontwikkelingen, waarvan in deze parasha zo'n kleurrijke bloemlezing geeft en waarvan de wereld van vandaag op zo vele plaatsen getuigenis geeft, ik noem geen namen. Het is een maatschappij, waarin de mensen elkaar als object zien - ieder voor zich de ander beschouwend als object in zijn eigen wereldje - , een samenleving, waarin de mensen niet meer het gelaat van de ander zien, dat een appel doet op gerechtigheid en compassie. Een maatschappij of gemeenschap, waarin de goedheid van de mens is verzonken, kortom die ‘van God los' is.
De lotgevallen van het volk van Israel lijken dan een soort pilot project voor alle volken, Is de geschiedenis van het joodse volk niet een vaak bittere voorbeeldgeschiedenis van de worsteling om een ‘goed' volk te zijn met vallen en opstaan, een volk, dat het gevaar loopt het slachtoffer te zijn van machtige volken, die op hun beurt de vreemdeling haten en kwade bedoelingen hebben?
In die zin roept deze parasha ons nog steeds toe.

Gelukkig hoeft niet ieder lid van de gemeenschap een heilige te zijn, want in het begin van deze parasha staat ook onder de zegeningen – die zijn er gelukkig ook – deze passage:
26:8  Vijf van jullie zullen volstaan om honderd vijanden te verjagen en met honderd van jullie verjaag je er tienduizend; ze zullen door jullie zwaard worden geveld.
Wanneer je deze belofte van de militaire sfeer overhevelt naar de spirituele sfeer- zoals de Oude Wijzen doen**) - , dan mag je constateren, dat naarmate de minderheid van getrouwe rechtvaardigen zich vermeerdert hun invloed niet lineair, maar onevenredig toeneemt. Als tien honderd aankunnen, dan kunnen honderd niet alleen tweeduizend man aan, maar veel meer, wel tienduizend! Een ‘kritische massa' van rechtvaardigen – laten we zeggen een massa van fatsoenlijke tot verlichte mensen - kan de samenleving voor rampen behoeden.
Maar zeker is, dat minder dan tien niet voldoende is, zoals Avraham ervoer toen hij de redding van Sedom trachtte af te smeken.

*) Zoals Levinas nog eens zijn denkbeelden uitlegt in het heel beluisterenswaardige interview, dat de IKON op Youtube heeft geplaatst

**) vermeld in Nechama Leibowitz' commentaar op Bechoekotai

Parashat Behar Wajikra/Leviticus 25:1 - 26:3
het Joweel-jaar als utopisch moment

In het Bijbelboek Wajikra/Leviticus, in de weekportie ‘Behar', wordt voorgeschreven, dat na zes jaar bebouwing de akkers een jaar braak moeten liggen. Dezelfde rust wordt voorgeschreven voor de wijngaard. Ook zal men wat er opkomt niet inzamelen. Rijk en arm, mens en dier hebben gelijkelijk toegang tot wat er te velde staat. Het moet een sabbatsjaar zijn met volledige werkonthouding.
Na 49 jaren is het vijftigste jaar een Joweeljaar (jubeljaar); In dat jaar komt ook land, dat de afgelopen 49 jaar is verkocht weer terug bij de oorspronkelijke eigenaar en in de verkoopprijs wordt rekening gehouden met de afstand in tijd tot het komende jubeljaar.

‘Laat dan in de zevende maand op de tiende van de maand bazuingeschal weerklinken; op de Dag van de verzoening moet je de bazuin doen schallen in heel jullie land. Geef het vijftigste jaar een bijzondere wijding door in het land vrijheid af te kondigen voor al zijn bewoners, een door de bazuin ingeluid jaar, een Joweeljaar is het en moet het voor jullie zijn; ieder moet dan terugkeren naar zijn eigen grondbezit en ieder moet weer in zijn eigen familie terugkomen'(Waj/Lev. 25, 9-10) en:  
"want van Mij is het land, want vreemdelingen en bijwoners zijn jullie bij Mij" (
Waj/   Lev. 25,23)  

Twee fundamentele boodschappen klinken voor mij in deze passages door.  

De eerste is: niets is permanent, zeker bezit niet.  
We hebben ons bezit, onze eigendommen, wellicht ook ons lichaam te leen, in beheer; onder deze passages bespeur ik een ondertoon: bezit of eigendom is een noodzakelijke illusie, een onvermijdelijk maar noodzakelijk ‘onrecht' , dat wel eens in de zoveel tijd doorgeprikt moet worden, weer moet worden rechtgezet. Want het is alles
" van Mij, want vreemdelingen en bijwoners zijn jullie bij Mij   ".  
In het rabbijnse Jodendom is de regeling allengs aangepast en gemitigeerd.  

In onze wereld van kapitalisme en materialisme hebben we bepalingen als deze ‘uitwendige' Joweel-regeling allang niet meer. Maar in momenten van psychologische, filosofische of religieuze bezinning kunnen we er niet onderuit: in existentiële zin moeten we uiteindelijk alles weer teruggeven. Niet alleen de akker na verloop van jaren tot het Joweel-jaar, maar na de ons toegemeten tijd ook al ons bezit, ons lichaam, ons leven. Het zal geen toeval zijn dat de "Joweel-tijd" 50 jaar is: als ik een akker koop in mijn jeugd, kan ik er een leven lang op zaaien en van oogsten, dan moet ik hem doen terugkeren naar zijn oorsprong.

De tweede boodschap put uit deze oude bepalingen een utopisch moment:  
Stel je voor, overal in het land klinkt het machtige geluid van bazuinen, overweldigend kopergeschal, overal in stad en land te horen; signaal van een fundamentele bevrijding, een jaar lang, waarin knellende banden geslaakt worden, waar in een diep vertrouwen de gangbare gedreven arbeid wordt gestaakt en men zich overgeeft aan de gang der natuur. Wat er te velde staat is voor iedereen. Weg schuttingen, heiningen. Allerlei in bijna een halve eeuw ontstane complicaties worden weer ontrafeld (Even niet nadenken over de andere complicaties die dit met zich ee zou brengen …). Het roept allerlei eschatologische beelden op van een wereld van diepgaande vrede, verzoening en viering. Imagine.. .

En stel, dat je het Joweel-jaar weer zou invoeren, b.v. alleen voor de landbouw, het zou wellicht een ecologische zegen zijn voor de geëxploiteerde grond. Of nog verder doorgevoerd, alle schulden kwijtgescholden, ook aan de derde wereld.  
Stel, dat je dat jubeljaar helemaal zou doorvoeren; stel, dat er een grote en edele geest over de planeet zou waaien: deze aarde is van allen; " want van Mij is het land, want vreemdelingen en bijwoners zijn jullie bij Mij   ".  
Stel je voor, - ondenkbaar, maar met utopische fantasie voorstelbaar - hoe zou dat zijn; het lijkt wel totaal onhaalbaar, maar stel je voor" Imagine…
En stel, dat je ook weer zeven maal zeven maal zeven jaar - 343 - voorbij laat gaan en dan een soort ultiem jubeljaar instelt, dat nog verder gaat. Hoe? Fantaseer.
Dit eschatologische beeld vind je terug in de Joodse mystiek in de idee, dat na zes milennia een sjabbat-milennium aanbreekt: de messiaanse tijd. (zie b.v. Talmoed Sanhedrin 92a).

Maar nu even een lichte voet op de rem: Heilsverwachtingen, bewustzijn van Nieuwe Tijden of Eindtijd, verwachting van Messiaskomsten of Christuswederkomsten zijn, als ik het zo mag zeggen, van alle tijden. New Age fenomenen alom. Enige alertheid is op zijn plaats.  
Wat werkelijk nieuw is in dit tijdsgewricht, met welke specifieke bewegingen zich mensheid en wereld nu wendt naar een werkelijke Nieuwe Tijd, laten we dat niet te snel invullen en vastleggen; laten we de diagnose van Nieuwe Tijdsfenomenen steeds open houden:  
zoals we de bijbelse akker braak laten liggen, laat ons hart - met de stevige grond van een geschiedenis en een traditie - open blijven staan voor wat wérkelijk als nieuw, als helend, als richtingwijzend onthuld wordt.

En hoe en waar en wanneer die Nieuwe of Messiaanse Tijd aanbreekt, laten we dat niet te snel bepalen, zeker niet voor anderen. (laat staan dat we handelen uit heilige overtuigingen dat die Messiaanse Tijd de herbouw van de tempel in Jeruzalem zou moeten inhouden, God verhoede).  
Als we ons kunnen onthouden van ideologisering en dogmatisering, kunnen we ook de zuiverheid en afgestemdheid hebben om te weten wat werkelijk de tekenen des tijds zijn.   En om te weten hoe wij misschien - voor een schijnbaar nietig stukje - zelf een 'teken des tijds' kunnen zijn. De beroemde filosoof-bijbelgeleerde Yeshayahu Leibowitz (1903-1994) zegt: ‘de Masjieach zal komen, eens. De masjieachs die kwamen waren vals. De masjieach die komt is vals. Het kenmerk van de Masjieach is dat hij altijd komende is'….(1)

(1) te horen op https://www.youtube.com/watch?v=Zz-QMDPW5RM

Parashat Behar (2) Leviticus 25:1 - 26:3
rust en herstel voor mens en natuur

In het Bijbelse boek "Leviticus" ofwel "Wajikra", in het hoofdstuk (parasha) dat wordt genoemd "Behar', wordt voorgeschreven, dat na zes jaar bebouwing de akkers een jaar braak moeten liggen. Dezelfde rust wordt voorgeschreven voor de wijngaard. Ook zal men wat er opkomt niet inzamelen. Rijk en arm, mens en dier hebben gelijkelijk toegang tot wat er te velde staat. Het moet een sabbatsjaar zijn met volledige werkonthouding.
Na 49 jaren is het vijftigste jaar een jubeljaar; dat gaat nog verder, ook land, dat de afgelopen 49 jaar is verkocht komt dan weer terug bij de oorspronkelijke eigenaar en in de verkoopprijs wordt rekening gehouden met de afstand in tijd tot het komende jubeljaar. Door deze parasha klinkt een oerritme door van werk, activiteit en productie enerzijds en rust, viering en herstel anderzijds, en ritme dat al eerder is ingeluid met het voorschrift van de shabbat.

Na zes dagen werken rust: de shabbat

Op de kleinste tijdschaal begint het met de week. De Tora stelt een heilige rustdag in, zes dagen werken en de zevende dag is een rustdag. Dat is de sabbat, sjabát, zeggen wij. God gaf het goede voorbeeld, ‘ want in zes dagen heeft de Altijdzijnde de hemel en de aarde gemaakt, en de zevende dag heeft hij gerust om op adem te komen .' (Ex 31:16) Op vele plaatsen, wordt die rustdag van de Altijdzijnde als maat gesteld voor de heilige rustdag voor de mens, heel sprekend bijv. in Deuteronomium 5:12: Neem de sabbat in acht, zoals de EEUWIGE, uw God, u heeft geboden; het is een heilige dag. 13 Zes dagen lang kunt u werken en al uw arbeid verrichten, 14 Dat geldt voor u, voor uw zonen en dochters, voor uw slaven en slavinnen, voor uw runderen, uw ezels en al uw andere dieren, en ook voor vreemdelingen die bij u in de stad wonen; want uw slaaf en slavin moeten evengoed rusten als u.

Dit gebod om een dag te rusten is de eerste sociale wetgeving in de geschiedenis van de mensheid. Het gold niet alleen voor de Israëliet, maar ook voor de immigranten, voor de ossen en de ezels. Het is verankerd in de goddelijke sfeer en zo kreeg het gebod een autoriteit, die het tussen mensen nooit had gekregen.
Merkwaardig, die week. Hij is niet zoals de andere tijdseenheden die wij hanteren, de dagen, de maanden, de jaren, gebaseerd op zon, maan of sterren of op de seizoenen. Het is een tijdseenheid gedicteerd door de menselijke maat. Er is kennelijk sprake van een bewustzijn van het feit, dat activiteit, werk en inspanning, na 6 dagen vragen om rust, verademing, recuperatie van één dag.
Het is de mens die op basis van zijn eigen menselijke ervaring heeft gemerkt, dat dit ritme hem zelf, zijn lichaam, ziel en geest en de levende natuur om hem heen ten goede komt. Dit besef is aan de joden toegekomen als goddelijk voorschrift, het is een heilige dag geworden die terugwijst naar de schepping, vraagt om viering en genieting in het heden en vooruitwijst naar de messiaanse tijd.
Gaandeweg is het een gift van het jodendom aan de mensheid geworden, het christendom heeft de zevende dag als rustdag overgenomen en zo is het een deel van ons mondiaal erfgoed geworden.

secularisatie van de rust

In de laatste honderd jaar is in het westen het recht of de plicht om te rusten vastgelegd in veel sociale wetgeving. Het is ontrokken aan de sfeer van religie en seculier geworden.
Daar is natuurlijk niks mis mee, het is een grote verworvenheid.
Met die secularisatie van het rusten, met die ontheiliging, betalen we ook een prijs. Twee dingen besef ik.
Het eerste is: de rustdag staat niet meer in het teken van viering, bezinning en inkeer. De ontspanning mist een diepere laag van dankbaarheid en verbondenheid met de schepping. Veel mensen zijn er juist op uit om op zaterdag of zondag zoveel mogelijk te doen, om te gekke belevenissen op te doen, sensaties mee te maken en koopjes binnen te halen, de spirituele dimensie maakt plaats voor een ‘stuk emotie' of een ‘stuk beleving'.
Moeten we nu terug naar de eindeloze gereformeerde zondagen of moet de orthodoxe sjabbat voor de hele wereld gelden? Ik denk dat we nieuwe vormen moeten uitvinden. Niet voor niets gaan veel mensen naar retraites, meditatie weekenden, stilte dagen etc.
Ga ook eens op jouw manier een sjabbat vieren of een rituele rustdag houden...
In de tweede plaats betekent de secularisatie van de rust ook een mindere weerbaarheid tegen de onverzadigbare claims van de vrijemarkteconomie, het systeem, dat ver boven ons uit gegroeid is en ons in een maalstroom meesleurt, die niemand meer lijkt te kunnen stoppen. Dit doorschietend kapitalisme heeft geen respect voor het ritme van werk en rust dat aan de basis ligt van het menselijk leven en eigenlijk ook de hele natuur.
Kijk nu eens naar de hectische 24-uurseconomie, die de mensen gaandeweg die 20-ste eeuw op gang hebben gebracht. Die mens en leefomgeving exploiteert en uitbuit. Zijn we doof geworden voor de stem die ons een ritme van zes plus één influistert, een ritme van de menselijke maat?

Na zes jaar het zevende jaar rust: het sabbatjaar

De mens moet rusten, maar ook de aarde moet van tijd tot tijd zijn rust hebben. In het Bijbelse boek "Leviticus", in deze parasha dus,wordt voorgeschreven, dat na zes jaar bebouwing de akkers een jaar braak moeten liggen. Dezelfde rust wordt voorgeschreven voor de wijngaard. Ook zal men wat er opkomt niet inzamelen. Rijk en arm, mens en dier hebben gelijkelijk toegang tot wat er te velde staat. Het moet een sabbatsjaar zijn met volledige werkonthouding. Dit heet in de joodse wereld het sjemieta jaar.
Ik ben zelf absoluut geen agrarisch expert. Het klinkt mij wel zinnig in de oren, dat de grond af en toe kan bijkomen van jaren intensieve bebouwing. Ben wel benieuwd, hoe een moderne landbouwkundige dit zou beoordelen. Dit ecologische welzijn is het seculiere aspect.
Het heilige aspect is, dat het oproept tot vertrouwen, dat de Schepping of zijn Schepper zal voorzien in onze noden, ook als we onze gewone arbeid een tijd staken.
In de moderne tijd heeft het idee van een sabbat-jaar een weerklank gekregen in het zg sabbatical year, waarin de bevoorrechte, die dit ten deel valt, zijn routineuze werk een jaar lang mag loslaten voor een zoektocht naar nieuwe bronnen.

Na zeven maal zeven jaar het vijftigste jaar: het Jubeljaar

De Tora gaat in zijn zevengebaseerde ritme nog verder. In datzelfde bijbelboek Leviticus even verderop staan de bepalingen rond het zogenaamde Jubeljaar, in de joodse wereld het Joweel jaar. “Na verloop van zeven sabbatsjaren, na zeven maal zeven jaar, wanneer er negenenveertig jaren verstreken zijn, 9 moeten jullie op de tiende dag van de zevende maand de ramshoorn luid laten schallen. Op Grote Verzoendag moet in heel het land de ramshoorn schallen. 10 Elk vijftigste jaar zal voor jullie een heilig jaar zijn, waarin kwijtschelding wordt afgekondigd voor alle inwoners van het land. Dit is het jubeljaar, waarin ieder naar zijn eigen grond en zijn eigen familie kan terugkeren. 11 Elk vijftigste jaar zal voor jullie een jubeljaar zijn. Je mag dan niet zaaien, het koren dat vanzelf opkomt niet als oogst binnenhalen en niet de druiven oogsten van je ongesnoeide wijnstokken. 12 Het is een jubeljaar, dat als heilig beschouwd moet worden. Jullie zullen dat jaar leven van wat er vanzelf opkomt.” Lev. 25, 9-10)

Dat is nogal wat! Land terug naar oorspronkelijke eigenaar, schulden kwijtgescholden...
De teller wordt als het ware weer op nul gezet, een schone lei wordt geschapen.
Het zevende jaar van braak liggen van de akkers, het shemieta-jaar wordt door religieuze joden in Israel nog wel tot op zekere hoogte in acht genomen, zij het dat met handigheidjes toch wel bebouwing plaats vindt. Het Jubeljaar wordt al eeuwen niet meer gepraktiseerd. Maar bekeken naar zijn grondintenties is het dubbel de moeite waard dat jubel jaar nader te bekijken.
Twee fundamentele boodschappen klinken voor mij in deze passages door.

De eerste is: niets is permanent, zeker bezit niet.
"want van Mij is het land, want vreemdelingen en bijwoners zijn jullie bij Mij " staat er in dat zelfde hoofdstuk.( Lev. 25,23)
Vanuit dat oogpunt besef ik: we hebben onze eigendommen te leen, in beheer.
Tussen de woorden van deze passages bespeur ik een ondertoon in de zin van: bezit of eigendom is een noodzakelijke illusie, een onvermijdelijk maar noodzakelijk ‘onrecht' dat wel eens in de zoveel tijd doorgeprikt moet worden, weer moet worden rechtgezet.
Want het is alles “ van Mij, want vreemdelingen en bijwoners zijn jullie bij Mij ".
De tweede boodschap haalt uit deze oude bepalingen een utopisch moment:
stel je voor, overal in het land klinkt het machtige geluid van bazuinen, overweldigend kopergeschal, overal in stad en land te horen; het is een signaal van een fundamentele bevrijding, een jaar breekt aan, waarin knellende banden geslaakt worden, waar in een diep vertrouwen in het beste van de mens en in zijn schepper de gangbare gedreven arbeid wordt gestaakt en men zich overgeeft aan de gang der natuur. Wat er te velde staat is voor iedereen. Weg schuttingen, heiningen. Allerlei in bijna een halve eeuw ontstane complicaties zijn ontrafeld. Het roept allerlei beelden op van een wereld van diepgaande vrede, verzoening en viering. Imagine...
Stel je de consequenties voor van een Joweel-jaar, dat zou gelden voor de landbouw en bosbouw over de hele wereld, een jaar waarin geen exploitatie en uitbuiting van de natuur plaats vindt. Het zou een ecologische zegen zijn voor de uitgeputte grond en de mishandelde bossen. Of nog verder doorgevoerd, stel je voor, alle schulden kwijtgescholden, ook aan de derde wereld.
Alle heiningen om prive-bezitjes, om de anders zo goed bewaakte ondernemingen: weg. Stel je voor, dat er een grote en edele geest over de planeet zou waaien: deze aarde is van niemand en bestemd voor allen; " want van Mij is het land, want vreemdelingen en bijwoners zijn jullie bij Mij ".
Het idee van het jubeljaar heeft de Australische econoom Prof. Steve Keen   geïnspireerd tot een misschien wel goed idee met betrekking tot de huidige financiële crisis. Hij wil, dat de overheid voor de private en publieke sector alle schulden aan banken aflost en geld scheppen door banken verder verbiedt en het beheer van het financiële systeem overneemt. “Door een einde te maken aan het geldscheppen door schuld, komt er ook ruimte om geld daar te investeren waar het maatschappelijke relevantie heeft en het toegevoegde waarde oplevert voor de mens en aarde. De moderne variant van het oude jubeljaar, dat al bij de Sumeriers en de Hebreeën eens per 49 jaar werd toegepast zet de meters weer op nul en haalt de spanning uit de economie. Het zal bovendien een enorme opluchting betekenen voor mensen, bedrijven en overheden die worstelen met een schuldenlast, dus een explosie van optimisme en nieuw elan teweeg kunnen brengen”
Voor de details verwijs ik naar de website van Ad Broere, die in zijn column “ het moderne jubeljaar” verder uitlegt.

Tikoen Olam

Laten we weer even neerdalen in de praktijk van alledag. Het utopisch moment geeft een richting, maar vraagt natuurlijk een verwerking naar daadwerkelijk handelen. Daartoe heeft het Jodendom een belangrijk begrip, dat heet Tikoen Olam. De woorden betekenen: reparatie van de wereld. Het is een begrip oorspronkelijk afkomstig uit de kabbalistische mystiek, dat ook ruimere betekenis heeft gekregen in het exoterisch Jodendom. De meest moderne en breed opgevatte betekenis van Tikoen Ôlam is "het herstel van een onvolmaakte (gebroken) wereld" door menselijk handelen. De mensheid heeft een indringende verantwoordelijkheid bij het beheer van zijn aardse omgeving. Er ligt een taak om deze door sociale actie te verbeteren. Iedereen kan bijdragen aan de verbetering van het leven nu en het leven van toekomstige generaties. Tikoen Olam dringt er bij de mensen op aan verantwoording te nemen voor hun wereld. Het is aan hen en niet aan een hogere macht om de wereld te brengen naar vrede, heelheid en rechtvaardigheid.
Het Jodendom heeft in Tikoen Olam een eigen concept voor sociale actie ten behoeve van een betere wereld. Een advies aan de Israëlische regering van een paar jaar geleden ging over hoe Tikoem Olam een richtinggevend principe kan zijn bij programma's van sociale actie, nationaal en globaal. Daarin wordt trouwens gezegd, dat de praktijken van het Sabbatjaar en het Jubeljaar een karakteristiek model bieden, dat ecologische duurzaamheid verbindt met sociale rechtvaardigheid, een model dat overdenking waard is. *)
Tegelijk is Tikoen Olam een concept dat aansluit bij vergelijkbare ideeën in andere religies en levensbeschouwingen Het opent mogelijkheden tot vruchtbare samenwerking.

In mijn Jodendom is de mens op die weg een onmisbare partner van het scheppend principe, dat u voor mijn part God mag noemen. In het verhaal, dat ik tot het mijne heb gemaakt, is de mens een schakel in de ontvouwing van de schepping naar zijn uiteindelijke bestemming die achter de horizon van onze blik ligt. Zo gaat de aarde met vallen en opstaan op de grillige weg naar zijn vervolmaking.

RC

*)The practices of Sabbatical and Jubilee years offer a distinctive model linking ecological sustainability and social justice, one worth pondering.
http://www.jewishideas.org/articles/tikkun-olams-practical-meaning-and-potential-signif

pijltje

PARSHIOT


Wajikra/Leviticus

Wajikra
Tsav

Sjemini
Tazria-Metsora
Acharé mot
Kedosjim
Emor
Behar
Bechoekotai


Bemidbar/Numeri

Bemidbar
Naso
Beha'alotcha
Shelach
Korach
Choekat
Balak
pinchas
Matot
Mas'é


Dewarim/
Deuteronomium

Dewariem
Shoftiem
Ekev
Re'é
Shoftiem

Ki tetsé
Ki tavo
Nitsaviem-Wajelech
ha'azinoe
Jom Kipoer

Hoge feestdagen
Sjabbat chol Ha-mo'ed Soekot
We zot ha-beracha

pagina
Bereshiet/Genesis

pagina Shemot/
Exodus