Mozes                                                                                                pagina 11

essentie
Later zal ik nog meer dan Buber benadrukken hoe essentieel en verreikend deze plotse ontmoeting van Mozes met de stem de Altijd-geweest-zijnde-en-zullende-zijn was.
En hoe deze ontmoeting een onthulling was van het zuiver Zijnde maar ook tegelijk met het voortstuwend Wordende, waarmee meteen deze ontmoeting uitvloeide in en eigenlijk al in zich borg een opdracht. Daarmee wordt dit ontmoetingsmoment een paradigma voor de mens die in zijn diepste innerlijke eenzaamheid daarmee ook in de ruimte komt, waarin hij zijn meest essentiŽle levensopdracht kan horen, een opdracht die lijkt uit te gaan boven de aanvankelijke levensplannen, maar ook lijkt uit te torenen boven het zelfbeeld over de eigen vermogens en talenten. (en dat doet denken aan de bekende woorden van Marianne Williamson, die Nelson Mandela heeft gebruikt bij zijn speech ter aanvaarding van het presidentsambt).

nacht
Op de reis naar Egypte gebeurt het duistere incident, waarbij de Eeuwige een aanslag doet op Mozes en hem tracht te doden (Ex. 24-27). Tsippora bezweert deze aanslag met het besnijden van hun zoon Gershom en ze raakt de benen van Mozes aan met de woorden: je bent mij een bloedbruidegom.
Buber haalt gelijkende passages aan, waarin G'd het uiterste eist van zijn aanhanger: Abraham die zijn zoon moet offeren, Jacob die met de nachtelijke "man" worstelt, beproevingen die passen in het verhaal uitverkoren helden.
Wat verschuivend schetst Buber deze willekeur van de Eewige als een demon, die in de nacht zijn diepst gelovigen overvalt en aan de fundamenten van hun bestaan rukt. Mij komt in gedachten de christelijke Johannes van het Kruis en zijn donkere nacht.
Misschien spelen in deze zo beknopte verzen toch tegelijk een diepe strijd van de ziel op weg naar zijn toekomstige missie en een oeroude primitieve stem, die vanuit een magisch verleden bloedig ritueel eist: zelfs in deze ÖÖ. passage gaan samen de nieuwe helderheid van Ik was/ben/zal zijn en de oude Semitische woestijngod; de diepe suÔcidale twijfel van een man voor zijn grootste uitdaging, die door zijn woestijnbruid op de haar vertrouwde wijze in een ritueel wordt bestreden.

besnijdenis
Daarbij speelt dan ook het vraagstuk van de besnijdenis.
Freud oppert, dat in Egypte besnijdenis gebruik was en van daaruit zich heeft verspreid naar Semitische stammen. Mozes zou dit gebruik als Egyptenaar bij de IsraŽlieten hebben ingevoerd, met name om het stamverband hechter te maken.
Buber meldt dat besnijdenis bij de Semitische stammen wel gangbaar was, maar pas op jongelingenleeftijd werd toegepast. Hij neemt aan dat besnijdenis bij de IsraŽlieten wel al op jongere leeftijd gebruikelijk was en hij gelooft hierin de geschriften; Tsippora zou dan deze usance hebben gevolgd.

Meer onderzoek zou ik hieromtrent willen plegen.
IntuÔtief zou ik zeggen dat Tsippora een ramp probeerde af te wenden, misschien een suÔcidale vertwijfeling bij Mozes die men in sjamaanse taal de aanval van een demon zou kunnen noemen. Zou dan ze dan niet de oorzaak van deze desperate episode hebben kunnen zoeken in een in haar ogen door Mozes gepleegde nalatigheid?
Dit zou kunnen zijn de nagelaten besnijdenis van de zoon, maar misschien ook de nagelaten besnijdenis van haar man, reden waarom ze met de voorhuid van Gershom Mozes' benen aanraakte. Ik zou moeten naspeuren hoe de gewoonten van besnijdenis in dit deel van het Midden-Oosten in dit tweede millennium voor de gangbare jaartelling lagen.

Freud graaft natuurlijk een laag dieper en ziet de besnijdenis als een ritueel overblijfsel van een onderwerping aan de vader van de stam, een symbolische castratie.
Wanneer we een eind met de psychoanalyticus meegaan, dan zouden we kunnen vermoeden, dat de oude stamvader, nu de gestalte aannemend van de oude woestijngod, bij en in Mozes zijn gram haalde en alsnog - misschien tegenover de verlichte gedaante van de God van de doornstruik - onderwerping eiste. Wellicht dat vooral Tsippora intuÔtief aanvoelde dat hier het gevecht lag en dat zij het symbool van de onderwerping letterlijk aanreikte en daardoor de wanhopige innerlijke strijd van de man deed luwen.
In de sfeer van deze psychologische - en daardoor natuurlijk ook eenzijdige - poging tot duiding, heeft de zin van Buber, "JHWH overvalt de zojuist door hem gezondene, blijkbaar omdat diens toewijding Ö.hem nog niet volkomen genoeg scheen te zijn" dan te weinig oog voor de tweeledige gedaante die de godheid in de menselijke ervaring aanneemt en die Buber zelf noemt, zoals gezegd, de "ouderwetse" Semitische Jahoewa, en de nieuwe gedaante van Ehjeh, "Ik zal er zijn". De demon hoorde duidelijk bij de oude semitische nomadentraditie. (wordt vervolgd)

volgende pagina

naar
hfst I: de visie van Freud       
pagina 1 pagina 2  pagina 3  pagina 4

 pagina 5 pagina 6  pagina 7


hfst II: de visie van Buber
pagina 8 pagina 9 pagina 10 pagina 11 pagina 12
pagina 13 pagina 14 pagina 15 pagina 16
pagina 17 pagina 18 pagina 19 pagina 20

terug naar boven volgende home